Wie ik ben


Verhaal door René van DensenVerstoord kijk ik de tankstationbediende aan. Ik heb nu al allures. Weet hij soms niet wie ik ben ? Nee, geeft hij toe, dat weet hij niet. Ik ben een fenomeen, help ik hem dan maar een beetje. O, zegt de bediende. Nee, natuurlijk heb ik geen interesse in zijn aanbieding, zeg ik. Okee, zegt de bediende, en fijne dag verder nog. Ik loop het winkeltje uit met mijn sigaretten, blij dat ik de man een beetje in zijn algemene kennis heb kunnen helpen. Dat er nog mensen zijn die me niét kennen, je snapt het soms niet.

Ik bel aan bij de Opperpater. Zijn stem bromt ‘Hallo ?’ door de intercom. Ik overweeg om niet te antwoorden. Hij weet dat ik kom. En sowieso ben ik nu beroemd. Dan hoef je toch je naam niet meer te noemen naar de mensen ? Maar de Opperpater is een echte vriend, dus zeg ik in de interkom dat de kerstman er is. Hij doet open. Het is eind juli, maar enfin. Hij bokst mijn hand. “Je bent laat, knikker.” Wat ? vraag ik verbaasd. “You’re late, knikker.” Ik antwoord dat het een gekke dag was en dat ik het daardoor wat druk had. De Opperpater vraagt niet verder.

Terwijl we film kijken en bier drinken, zegt de Opperpater dat ik hem ook wel Jimmy mag noemen. Ik kijk hem verbaasd aan. Big Jim, dat mag ook, zegt hij. Ik vraag hoezo dan. Hij vertelt dat hij vroeger actiefiguren had. “Een soort Ken van Barbie, maar dan met vechtkleding,” zegt hij. En dan speelde hij en zijn vrienden er mee. Hij was dan Big Jim. Hij had die pop nog ergens, bij zijn ouders. En allemaal andere oude dingen. Ik vraag door. Hij blijkt heel veel oude dingen misschien nog te hebben. Ik raad hem aan om die op Marktplaats te zetten. Wat is dat, Marktplaats, vraagt de Opperpater.

Gil


Verhaal door René van DensenDe Opperpater en ik kijken naar een film waar een jonge blonde vrouw in speelt. En een hele grote aap. De aap oogt de ene keer als een man in een rubber pak, de andere keer nog best realistisch. Ik zeg dat de film eigenlijk best oud is. De hoofdrolspelers zijn inmiddels zo ongeveer aan hun pensioen toe. De Opperpater beaamt verschillende dingen terwijl hij bier drinkt en staart naar de toen nog prachtige jonge blonde actrice.

“Ik was tien toen deze film uitkwam, knikker,” zegt hij. Ik lach. “Ik was min twee,” vergeljk ik. De Opperpater gaat even hardop hoofdrekenen hoe oud ik dan ben. “Dan ben je nog in de prime of your life,” beweert hij. “Ik heb nog tot mijn negenendertigste gehandbald.” Ik slik een grapje over ‘hand’ en ‘ballen’ in. De Opperpater zou er wel mee kunnen lachen, maar ik heb zelf gewoon een beetje last van het warme weer. Mijn bloed kookt. Dat van de grote aap op het beeldscherm trouwens ook. Hij loopt, enorm de lucht in torenend, op de vastgebonde blondine af. En dan dat iconische moment, dat hij haar vastgrijpt, dat ze gilt, dat ze flauwvalt. Wow.

Ik zeg dat ik deze film als kind heb gezien. “Hoe kan dat nou, knikker,” bromt de Opperpater, “net zei je dat je min twee was.” Ja, niet in de bioscoop, zeg ik. Op de teevee. En ik vond het enorm geil allemaal. “Heb je je toen er ook bij afgetrokken,” vraagt de Opperpater. Nee, dat gebeurde een paar jaar later pas, vul ik aan. Ik kreeg gewoon een stijve. Doodeng was dat: er groeide ineens zomaar wat. De Opperpater lacht. Nee maar echt, zeg ik. Zo is alles zoals het normaal is, en zo zit daar ineens zo’n gegroeid ding. Ik vond het bizar eng en hoopte telkens maar dat het snel weer weg zou gaan. Dat het niet zo zou blijven. De Opperpater zegt dat mijn verhalen over mijn vroegere ontluikende seksualiteit altijd ontroerend zijn om naar te luisteren. Ik hoor hem niet en denk nog altijd terug. Ik mompel: stel dat ik buitenkom, en mijn fiets opeens een auto is. Dat idee. Wie zou daar niét bang van worden ?

De Opperpater loopt op me af en geeft me een knuffel. Ik gil en val flauw.

Delen

Verhaal door René van Densen“Wat heb jij nou bij je, knikker ?” vraagt de Opperpater verbaasd. De gasten van Club P moeten altijd hun eigen drank meebrengen, en mijn selectie van vanavond verwondert hem. “Iets nieuws, dat ik toevallig in de winkel zag vandaag,” antwoord ik. “44 centiliter blik. Ik snap de logica ook niet echt, of dat nu zoveel scheelt met een halve liter, maar daarom probeer ik het een keer uit.” Ik zet de blikken in zijn koelkast en kies een stoel.

Het is een suffig avondje door een verschrikkelijke voetbalwedstrijd op het scherm. De striptekenaar is aanwezig en valt als eerste in slaap. Daarna begint de Opperpater ook te knikkebollen. Bij de film die erop volgt, besluit de striptekenaar naar huis en bed te gaan. De Opperpater heeft ook moeite. “Ik krijg mijn bier niet eens op, knikker,” bekent hij. De Opperpater drinkt bier zoals andere mensen lucht ademen. Dus dit is een klein wonder. Ik heb nergens last van. De 44cl blikken blijven, tijdens het drinken, lang koud, valt me op. Langer dan halve liters. Dat dat zó veel kan schelen. Verbazingwekkend. Het heeft ook wel wat. Niet het lompe, marginale van een halveliterblik. 44 centiliter: zuipen met een klein beetje klasse.

De Opperpater vraagt of ik het goed vind als we een blikje van mijn bier delen. Ik stem verrast in. Hij schenkt een glas vol en geeft mij de rest van mijn blik. We proosten met onze 22cl. Ik vraag me af wanneer die kwantiteit op de markt zal verschijnen. Na één slok hebben we elk nog elf centiliter over. De Opperpater zegt verbaasd dat zijn biertje nog koud aanvoelt. Dat zijn halve liter op deze hoeveelheid meestal al warm is. Ik zeg dat je warm bier niet moet drinken. Dat klopt, zegt de Opperpater wakker en enthousiast. Warm bier is vies.

Mot

Verhaal door René van Densen“Ik geef niet meer dan een tientje, knikker,” bromt de Opperpater. Hij wil mijn nog te verschijnen nieuwe boek wel, maar dan “tegen een vriendenprijsje”. Ik zeg dat iederéén een vriendenprijsje krijgt. Ik kom met mijn boekjes doorgaans amper uit de drukkosten. En dan leveren al mijn eigen geïnvesteerde uren dus nog niks op. “Ja, dat is niet slim, knikker,” zegt de Opperpater. Hij zegt dat ik wel een biertje “on the house” mag. Als hij terugkomt uit de keuken, is hij dat echter alweer vergeten en reikt hij een van mijn zelf meegebrachte biertjes aan.

Een mot fladdert in paniek rond in Club P. Het is een flinke mot en hij zwaait in grote paniekerige cirkels. We verschuilen ons beiden onder tafel. De mot beukt boeken van de plank, vazen om, foto’s uit hun lijst. Het is een kabaal van jewelste. De Opperpater vloekt dat hij zijn bier vergat mee te nemen onder tafel. Zijn sigaret heeft hij wel nog vast. We wachten tot de mot zichzelf verbrandt aan de staande lamp. Dat doen ze altijd. Ze kamikaze-cirkelen rond de lamp en uiteindelijk péts, mot dood. Deze mot blijft echter nog flink panikeren. Overal rondom ons klinken brekende voorwerpen.

De Opperpater zegt dat ik de mot moet vangen en er geld mee moet proberen te verdienen. Hij zegt dat hij nog nooit zo’n grote mot heeft gezien, knikker. Dát willen de mensen zien. En dan loop je helemaal binnen, zegt de Opperpater. Kun je die boekjes voor de grap blijven doen en voor een vriendenprijsje aan je vrienden verkopen, zoals de Opperpater, zegt de Opperpater. Hij neemt een stevige trek van zijn sigaret en duwt die uit in het tapijt. Je kunt echt steenrijk worden als je die mot vangt, dat geloof ik echt, herhaalt hij. Ik durf daar vijftigduizend euro om te wedden. Behalve als je er niet rijk van wordt he, voegt hij haastig toe. Ik zeg dat de Opperpater een opportunist is. Een rásopportunist, herhaalt hij trots wat tegenwoordig bijna al zijn vrienden over hem zeggen. Het siert hem wel.

Kom je weer naar Club P.


Verhaal door René van DensenOf ik binnenkort weer eens naar de Opperpater kom, vraagt de striptekenaar. De striptekenaar zit in de kroeg. Ik ook. Ik wist dat vroeg of laat iemand het zou vragen. Het was vooral afhankelijk welke van de andere gasten van Club P. ik het eerst tegen zou komen. Club P. is de woonkamer van de Opperpater, waar twee keer per week een kleine groep mensen welkom is om film te kijken en bier te drinken. Ik antwoord, naar waarheid, dat mijn huidige werk in de weg zit. Ik werk tot laat en heb dan te weinig puf om nog film te gaan kijken bij de Opperpater. Liever til ik mijn pijnlijke voeten op de rand van de bank en blijf zo een paar uur liggen. Kat op schoot. Bijkomen.

De striptekenaar begrijpt dat wel. Hij zegt dat hij blij is om te horen dat dat de reden was. Zowel hij als de Opperpater vreesden dat ik nog boos was om de Golden Mile. Dat de Opperpater toen afgezegd heeft met een smoesje, en de hele onderneming samenvatte met ‘maar het is toch maar enkel bier zuipen’. Dat schoot toen inderdaad in het verkeerde keelgat. De Opperpater doet niet anders dan bier zuipen. Als hij naar het toilet gaat, is hij nog bier aan het zuipen. Volgens mij zuipt hij nog door wanneer hij slaapt. Per avond drinkt hij nu eenentwintig flesjes bier. Alleen als hij Facebookspelletjes speelt, dan gaat de fles tijdelijk aan de kant. Die mag niet over de laptop heen.

Ik erken dat het verraad bij de Golden Mile gestoken heeft en meeweegt in mijn wegblijven bij Club P. Ik weet dat de striptekenaar dit zo tegen de Opperpater gaat vertellen en dat mag hij best weten. Ik voeg er aan toe: “Het is daar toch maar enkel bier zuipen.”

Kwijtgeraakt


Verhaal door René van DensenWe gingen op een vrijdag. Dat was besloten zodat de Opperpater mee zou kunnen. We gingen déze specifieke vrijdag. Dat was omdat de man die telkens het hele land op de kast kan jagen, alleen deze vrijdag zou meekunnen. Allebei de mensen waar de planning al maanden terug op afgestemd was, gingen uiteindelijk niet mee. De Opperpater mocht niet en wou  vooral niet. De kastman had hoge belangen te verdedigen die vóór vriendschappen gingen. Wat ik geen van de mensen vooraf vertelde, is dat dit misschien de laatste keer is dat ik zoiets met hen onderneem. Nog één gek, idioot idee. Één memorabele tocht. En dan komt de nieuwe baan in de weg van onze vriendschappelijke bijeenkomsten. Misschien dat ik ze nog eens in een weekend zal zien. Maar zeker niet zoals voorheen, wekelijks. Ik voel het zelf ook: het begin van het einde van mijn tijd in deze stad is aangebroken.

Dus van de vijf zijn er nog maar drie. Er is een andere vriend bijgesprongen die graag mee wou, dus toch nog vier. Elk woord dat ik nu tik doet pijn. Van die trage, holle pijn die kenmerkt dat het gezellig was. We zijn geslaagd. Twaalf cafés. Onze Golden Mile is volbracht. Onmiddellijk terug in eigen stad zijn we nog een café in gedoken. En daar ben ik de rest kwijtgeraakt. Zij gingen in een achterzaaltje naar een optreden of weet ik wat er was. Ik zat alleen aan de bar. Mijn gedachten schoven naast me aan. En we hebben daar samen een tijd zo gezeten. Toen besloten we te gaan. Ik was de rest kwijtgeraakt.

En zo kwakkelde ik in mijn eentje nog even door het nachtleven van de stad. Een van de laatste keren, wellicht. Ik werkte aan mijn huidige koppijn. Het werd steeds gezelliger. En ik raakte steeds meer kwijt. Alles kwijt. Alles en iedereen. Tot er niks meer resteerde en het tijd werd om naar huis te gaan.

Golden Mile


Verhaal door René van DensenWel in een vrij troosteloos stadje, dat wel. Overal hangen ‘te koop’ bordjes, en naar Belgische standaarden zijn veel gevels hier op standje ‘alles opgegeven’ aan het hangen. En toch is het er leuk. Ik kom er graag. Enkele vrienden zeiden dat ze ook graag eens mee gingen. Dus gaan we met een groep. En aangezien we allemaal van drinken houden, gaan we een kroegentocht doen. Gemodelleerd naar de film The World’s End: een Golden Mile. Oftewel – 12 cafés, 12 bier. Ik heb de toer uitgestippeld. Er is zelfs een mooi routekaartje ontworpen. Met vakjes om de cafés af te vinken. Alsof we de tel kwijt zouden raken. Het gezelschap is illuster. De man die alle WK trauma’s compleet heeft. De man die eindelijk zijn boek af heeft. De man die telkens het hele land op de kast krijgt. Ik. En De Opperpater. Vijf vrienden. Vijf kameraden. Vijf drinkebroeders. Vijf stoere kerels tegen de hele wereld. Met elk een glas in de hand.

De Opperpater belt. De dag voor we gaan. Hij heeft slecht nieuws. Hij mag niet mee van zijn moeder. De busreis terug is te lang, werpt hij tegen. Daar hadden we allang aan gedacht. Hijzelf ook. Het was zijn eerste bezwaar. Verschillende opties zijn uitvoerig onderzocht. Pissen in een pot of fles. Halverwege uitstappen, een cafétoilet bezoeken en het dertiende biertje drinken tot de volgende bus. Er schijnen zelfs van die vrouwenluiers te zijn. Voor mannen. Kortom, hier kwamen we wel uit. En al maanden keken we hiernaar uit, de Opperpater incluis. Maar hij heeft het last minute weer aan zijn moeder verteld. En die heeft het hem verboden.

Zijn moeder verbood ook dat ik over hem zou schrijven. Van zijn moeder mag hij ook niet drinken. Al dat bier in zijn koelkast is ‘voor de gasten’. Die allemaal hun eigen bier moeten meebrengen tegenwoordig. De man die telkens het hele land op de kast krijgt, heeft de Opperpater wel eens een rasopportunist genoemd. De Opperpater zegt sorry. De Opperpater zegt dat het ‘toch maar van café naar café naar café’ was. De Opperpater laat zich niet overtuigen. De Opperpater hangt op.

Namaak


Verhaal door René van DensenWanneer de Opperpater teveel lawaai maakt, fluit zijn vogeltje. Letterlijk. De Opperpater heeft een vogeltje. In een kooitje. Het vogeltje stoot fluitgeluit uit als een bepaald aantal decibel overstegen wordt. Het vogeltje is namaak. Het is gekocht omdat de benedenburen klaagden over het lawaai. De Opperpater is zelf al niet de stilste man ter wereld. Sommige van zijn gasten zijn nog lawaaieriger. Het vogeltje is er dus om gelazer met de buren te voorkomen.

“Kijk, knikker,” zegt de Opperpater, en hij pakt een object van zijn kast. Het lijkt een heel stijve kat. Ik vraag verbaasd of hij een opgezette kat heeft. “Ja,” glundert de Opperpater, “zeker, knikker. Superhandig. Het eet niks, het schijt en piest niet, loopt niet weg.” Ik vraag wat er dan leuk aan is. “Je kunt hem wél fijn aaien, knikker,” demonstreert de Opperpater. Zijn hand strijkt ruw over het beestje. Aai, aai, aai, aai, aai.

Ik vind de kat er gek uit zien. Is hij echt opgezet, informeer ik. “Nee natuurlijk niet, knikker,” lacht de Opperpater. Hij tilt de kat op. De onderkant is een grijze, vlakke plaat. “Dit is gewoon made in China. Gekregen.” De Opperpater lacht. Hij wijst op de planten in zijn vensterbank. Ook namaak. “Dat water in de vaas, gewoon een plastic laagje, meer niet. Superhandig. Geen omkijken naar.” Ik voel me heel ouderwets. Met mijn levende poes, vissen, vogeltjes en planten. Voorzichtig proef ik mijn bier, maar dat blijkt echt te zijn.