De vaste conducteur


Verhaal door René van DensenBekend gezicht, meteen bij openschuiven van de coupédeuren. Petje, kniptang, de semi-professionele netnietgrijns. Ja, hij is het weer, net als bij elke keer Antwerpen-Gent de laatste maanden. Lopen zijn diensten gelijk met mijn reizen ?

Ik knik en zeg maar, daar zijn we weer. Hij lacht wat en kijkt naar mijn laptopscherm. Ik ben niet aan het schrijven. Hij ziet mij nooit schrijven. In feite komt hij controleren wanneer ik niet schrijf. Ik schrijf heus wel op deze tripjes, maar hij weet precies wanneer ik een film of serie kijk. De laatste tijd zijn het series.

“En welke serie kijken we deze week ?” vraagt hij grinnikend. Ik geef toe dat ik middenin Black Mirror zit. “Ah, dat vinden er meer plezant. Ik zou daar zot van komen, zo lang wachten.” Ik verzeker hem dat het mega goe is. Hij knipt mijn kaartje. “Als je nog moet piesen, we komen zo bij Dampoort.” Hij heeft me ooit met hoge nood meegemaakt drie minuten voor Sint-Pieters arriveerbaar was.

Ik hijs mijn broek op en spoel door. Krakende stem over de intercom. Voor de vorm in een imitatie-plat-Gents. De conducteur zegt dat we aankomen bij Sèint-Pieters. Dat we hier massa’s mogelijkheden hebben om over te stappen. Maar dat het computerschermpje van zijn apparaat er maar één toont. Brugge. Spoor 11. “Voor de rest moet u even op het groot bord in de inkomsthal kijken want ik sta hier ook maar met beperkt materiaal dat ik gekregen heb. Alé ja, we doen wat we kunnen hè, mijn verontschuldigingen. Denk bij het uitstappen aan alle bezittingen en personen die u wellicht vergeten zijt, en als het kan eens aan hoe schoon uw leven is.” Iedereen grinnikt.

Een man spreekt me in de coupéhal dat hij het tof vindt dat deze conducteur wat humor heeft. “Er zijn er teveel meneer, die geen plezier meer in hun job hebben.” Ik vraag of dat anders is buiten de trein. Hij is even stil en loopt daarna door naar een andere coupé met een bedrukt gezicht.

Ik waarschuw een instappende jonge kerel met een baard dat ik hem alvast veel plezier wens. Hij vraagt hoezo. Ik zeg dat de conducteur er zin in heeft. Hij zegt enkel ahja. Ahja. Ik vraag me af wat de conducteur nog zal omroepen waar hij bij is en voel een steek jaloezie. Maar ik ben er en kan niet meer meereizen. Thuis wacht mijn kat op mij.

Huppelend ga ik de trap af. Blij met mijn vertrouwde conducteur.

Smullers


Verhaal door René van DensenWe zitten een beetje verveeld rond te kijken ondanks het enthousiasme toen we begonnen te praten. Eigenlijk vinden we het nu een beetje stom. Maar ja, er werd zo hard jaaaaaa geroepen, ook door de wildvreemden aan het tafeltje naast het onze. Dus nu moeten we wel. We beginnen een bandje genaamd Smullers.

Voor we het weten, hebben we ons eerste optreden. De presentator van de avond belooft het publiek dat het heel erg vet wordt. Maar dat we het met een korreltje zout moeten nemen allemaal. Smullers kijkt wat sip in het rond. Het is nog niet eens onze beurt. Eerst staat in het voorprogramma Febo En De Rookworsten.

Niemand durft toe te geven dat we allemaal eigenlijk alleen maar honger hadden. Nu zitten we eraan vast. Hopelijk biedt niemand ons een platencontract aan.

Zeventien


Verhaal door René van DensenTweeduizend zeventien. Zeg het. Zeg het hardop. Dan blijft het misschien hangen. Tweeduizend zeventien. Twee duizend zeven tien. Twee. Duizend. Zeven. Tien. Ze. Ven. Tien. Ze. Ven. Niet zes. Ze. Ven.

De ballpointpen zweeft boven het formulier. Dit is de eerste keer dit jaar dat ik het fout kan doen. Er volgen nog wel gelegenheden. In voorgaande jaren duurde het soms tot goed eind zomer voor ik eindelijk zonder nadenken het nieuwe jaartal kon invullen. Want afgezien van één avondje net wat dronkener worden dan de meeste andere avonden, verandert er voor mij op Nieuwjaar niet veel. Wellicht dat dat voor andere mensen anders is. Maar het wil maar niet wennen, zo’n nieuw jaar.

Ik kijk naar de kat. Zou het voor haar een nieuw jaar zijn ? Voor zo’n kat is natuurlijk elk moment zo ongeveer een nieuw moment. Weer een. En weer een. Niet bij te houden. Maar die kat hoeft geen formulieren in te vullen. Of cheques. Of boekjes te signeren. Beetje de halve dag slapen, dan kan ik het ook, dat alles steeds nieuw is. Met haar platte wang en half open ogen. Schrijf maar eens een boek, denk ik stilletjes naar de poes toe.

En zo’n zeventien, dat is net wat erger dan de zestien. Als je in plaats van zestien vijftien invult, valt het nog wel een beetje bij te prutsen. Zie je nét niet. Zo’n vijf die stiekem een zes is gemaakt. Valt best mee. Gewoon een lelijke zes. Zo’n zes die ’s avonds alleen naar huis gaat. Of die een dronken, waggelende vier mee kan snaaien, als alle mooie zesjes al weg zijn. De vier is het lelijkste getal van alle cijfers. Hoek, kruispunt, alles rechtlijnig en venijnig. Zelfs de zeven is niet zo’n gedrocht als de vier.

Verstoord sta ik naar de tweeduizendzestien die ik ingevuld heb terwijl in gedachten verzonken. Dit wordt weer zo’n jaar.

Schroom


Verhaal door René van DensenNatuurlijk, haar kinderen hadden het, dat is al vaak een slecht teken. Vervolgens zijzelf. Dus waarom was ik zo arrogant te denken dat ik de dans zou ontspringen, vraag ik me af, terwijl in twee richtingen tegelijk zich mijn avondmaal mijn lijf uitperst. Daar ging de heerlijke tomatensoep uit het kerstpakket – wellicht had ik hem toch beter bewaard voor de Feestdagen. En wat er vanonder uit loopt wil ik niet eens weten, maar het is dun, het spettert en het lijkt mijn bilharen weg te schroeien.

Hijgend hang ik boven de smurrie in de gootsteen, spugend en kokhalzend. Als het nou was omdat ik teveel gedronken had, dan kon ik ermee leven. Maar vandaag dronk ik enkel water en koffie. Oh hee, ik zie ook wat koffie tussen de soep. Ik roer verwonderd wat met mijn vinger in de plotskots terwijl er verse spetterpletter op het porcelein klettert. En ja hoor, natuurlijk komt er nóg een golf naar boven. Ik kledder het erbij in de gootsteen en vraag me af hoe lang nog. Dit is alvast de tweede ronde vannacht en slapen doe ik op dit moment in korte etappes van een uur, waar ik zwetend uit wakker word.

Beneden op de naar koorts stinkende bank rammelt mijn maag. Ja, dat snap ik. Daarstraks at ik een appel. Dacht nog, dat gaat wel goed. Ging niet goed. Zo oneerlijk. Dan doe je eens een dag gezond. Zie daar de halfverteerde stukjes maar eens van de gootsteen door te krijgen. Morgen drink ik gewoon weer bier.

Bookleg


Verhaal door René van DensenOp het terras vraagt een wildvreemde man of ik zijn boek wil signeren. Ik ken de man niet en verkoop al mijn boekjes zelf, behalve mijn debuut dat wél goed verkocht. Ook sta ik in wat bloemlezingen, dus het kan, dat ik de man niet ken. Ik zeg goed.
Hij geeft me een boek aan dat dezelfde titel draagt als mijn laatste prozabundel. Maar in sierlijk dameshandschrift op de kaft geschreven met eronder een streep en dan mijn naam. Het handschrift oogt herkenbaar. Verwonderd keer ik het boek om. Er staat een foto afgebeeld van mij als klein kind, in zwembroek, in een rare houding. Ik herken de foto: ik deed of ik een postmodern kunstwerk was.
Thuis bel ik mijn moeder. Ze geeft toe dat de bookleg van haar is. Ze zegt dat ze trots iedereen mijn verhalenbundel liet lezen maar dat hij daarvan uit elkaar begon te vallen. Dus dat ze toen kopietjes heeft gemaakt maar dat de kaft wat moeilijk was. Dus had ze die zelf gemaakt. Ze zei dat ik alles ook gratis laat lezen via mijn website. En dat ze zo hoopte me zoveel mogelijk lezers te bezorgen.
Ik zeg dat ze gelijk heeft en dat ik van haar houd. Ja ik kom snel op bezoek. Ik hang op en kauw wat op het stuk beschuit dat ik in het park vond.

Sven



Sommige schrijversvrinden doen serieuze moeite om verhaaltjes te verzinnen om te schrijven. Bij het ontwaken ligt een verse dode muis aan mijn voeteneind. Ik zeg tegen de poes dat ze die goed gevangen heeft en loop dan blootvoets mijn huis uit. Ik woon achter een poort, en wanneer ik die naar straat open vallen er twee mensen binnen. Letterlijk. Blijkbaar stonden ze te leunen.

Ze zeggen hola. Ik zeg goedemorgen, met een dode muis in mijn ene hand en de klink in de andere. Ze zeggen dat ze voor Sven komen, dat ze hier eerder zijn geweest bij een feestje, dat het voor hierboven is. Ik zeg dat er geen Sven woont. Een van de mannen blijft half in de deuropening hangen. Na een paar minuten kermt hij, iemand, help mij overeind. Ik help de man overeind. Hij grijnst wat en zegt, prothese.

De andere man heeft volgens mij geen prothese maar die staat een stuk wankeler. Hij blijft praten over Sven. Ik wil dat de mannen weggaan, ten eerste woont hier geen Sven, ten tweede wil ik niet dat mijn kat ontsnapt. Het is te laat. MIjn kat glipt tussen de protheseman zijn benen door en rent de straat op. Getoeter. Piepende banden.

Binnen enkele minuten komt ze terug, triomfantelijk een vrachtwagen aan mijn voeten leggend. Er stapt een woedende chauffeur uit de cabine. Ik vraag de man vriendelijk of hij Sven heet. En anders of hij een muis wil.

Lijntjes


Verhaal door René van DensenZe keek me met een bezorgde blik aan. Of haar jas mij niet in de weg hing. Ik zat tegenover de vrouw, haar jas hing aan mijn raamkant. Ik schudde nee. Haar jas hing mij niet in de weg. Opgelucht vroeg ze de conducteur hoe laat we in Antwerpen zouden aankomen. En nog wat aanvullende vragen die helder maakten dat haar laatste treinreis een tijdje terug was geweest. De conducteur stond haar geduldig maar zakelijk te woord.
Uit haar reiskoffer pakte ze een boek met mandala afbeeldingen. Per maand. Ze sloeg het boek open op Januari. Te vroeg, dacht ik nog. Maar toen viste ze uit haar binnenzak een blikken doosje.
Ze opende het doosje en griste de potloden erin bijeen. Vervolgens bestudeerde ze uitgebreid elk potlood. Uitvoerig. Op sterkte. Na wat een eeuwigheid leek. viste ze er één potlood uit en plaatste die op een specifieke positie in het blikje. Vervolgens studeerde ze op een volgend potlood. Na nog een eeuwigheid ging die ook in de juiste plek in de formatie.
Zo ging ze één voor één de potlodenbulk te lijf. Ik staarde. Hoe kon ik anders ? De geur van vers geslepen potlood kroop in mijn neus. Even raakte ik licht ontroerd. Ik vroeg me af of ik de vrouw moest opschrijven. Of andere mensen over haar zouden willen lezen. Wat die uit het bestaan van deze vrouw zouden putten.
En toen ging ze haar mandala inkleuren. Keurig binnen de lijntjes. Ik staarde het raam uit, waar de natuur zich enkel naar haar eigen wetten schikte.
Onwillekeurig zwaaide mijn blik terug. Op haar plichtmatige potlootpunt. Die keurig de kringeltjes kleurde. Alles aan de vrouw straalde symmetrie af. Ze had nog net geen twee horloges aan. De tijd, de tijd had haar dit verdrijf gegeven. Altijd die ellendige tijd weer.

Slaperig knuffel ik mijn rugzak en
de woorden komen

Ik open mijn laptop en

de woorden zijn weer weg.

Het beste heden


Verhaal door René van DensenHet was een klein kind, een meisje, met spiderman schminck op haar gelaat, Vos. En ik las jouw woorden, want die lees ik altijd als mijn ziel wat zalf behoeft, en dronk een pint, zo een uit blik, maar dat geeft niet, in de trein heeft men doorgaans geen bar. Toch niet de treinen waar ik mee rijd. En hij zat stampensvol, Vos. De mensen verdrongen zich om een staanplaats in de gangen. En het meisje was haar mama kwijt en aan het wenen.

Nu zat ik, letterlijk, niet in een positie waarin het evident was om haar te helpen. Gewedged tussen volk in het uiststapdeel van de coupé en de deur van de conducteursruimte. Maar een medeslachtoffer in dat deel van de trein, een leuk meisje zelfs, ontfermde zich direct over het kind en ging mee haar mama zoeken. Ze toog achter het kind aan, de coupédrukte in. Ik benijdde haar niet, maar was lafjes opgelucht dat zich iemand over het kind ontfermde en dat ik het niet moest zijn. En ik las door. Hoe je woordelijk langs de twee rivieren in Gent flaneert met een pul bier en je verwondert over de druktemakerij. Kalm zalfde ik mijn ziel en mijn keel.

Een bizar knappe man die ook nog eens het lef had welgekleed te zijn, stond tegenover mij, en hij las de beduidend minder zalvende woorden van de krant. Iets met een dode baby en een rugzak, op de voorpagina. Je zou de krant meteen niet meer verder willen lezen als het zo al begint, maar de bizar knappe welgeklede man blijkbaar wel. Hij verdiepte zich in de zakelijke omschrijvingen van de ellende in de wereld. Beter had hij een boek van jou gelezen, Vos, maar ja, dat geldt voor iedereen uiteindelijk. Ik heb nog ooit een lief gehad die jouw woorden volledig niet kon waarderen. De relatie hield op de lange termijn geen stand. Dat had evenwel niets met jouw woorden te maken, of wellicht zullen we het nooit weten.

Ah, en de conducteurs droegen bij aan de jolijt. Even meldden ze dat we in Brussel-Zuid zouden aankomen, om direct te corrigeren dat het vanzelf Antwerpen was en we niet ineens een stuk landkaart versprongen waren. Alle druk bijeengepakte mensen moesten gniffelen. Alle mensen aan boord van de trein waren maar mensen. Veel mooie mensen, zowel mannen als vrouwen, maar gelukkig allemaal maar mensen. Daar kan zich iemand mee troosten.

Ik bedacht me dat je binnenkort een eigen dag krijgt, Vos. Ze herdenken je. Met mensen die komen optreden en zo. Je zou het wellicht zelf wel leuk gevonden hebben. Of teveel eer. Of precies genoeg. We zullen ook dat in feite nooit weten. Maar het belooft wat te worden. Uiteraard is het in Gent, wat dacht je dan zelf. Een Vos-dag hou je niet in Antwerpen of Brussel of Bavikhove.

Er waren veel dwaas verklede mensen in de trein, nochtans dat het geen Carnaval was. Een vrouw liep binnen, met een reusachtige rugzak en een plastic baby. Ik keek nog eens naar de krant in de handen van de bizar knappe man. Hij had de vrouw niet gezien. Het gezelschap naast mij, allemaal opgepoetste aantrekkelijke jonge kereltjes, amuseerden zich met zeer flauwe grapjes. Ik kon er wel tegen. Na twee stations rende het meisje plots de coupé terug in. “Voila se,” lachte ze. “Kindje terug bij mama !” Ah, is het echt, vroegen de kereltjes, waar was de mama ? “Ze was vér se, geloof mij,” zuchtte het meisje tevreden. “Ik wou soms dat ik me het lot van andere mensen niet zo aantrok, maar ja. Ik kan dat niet aanzien he. En het is daar een jungle hoor,” wees ze naar de drukte. “Ïk heb vandaag mega veel excuseer gezegd. Maar ja, ik ga nu wel naar de hemel.” Ik wist niet zeker of ik ironie hoorde, dat kon aan jouw woorden liggen.

“En wat zei de mama,” vroegen de kereltjes. “Niets !” slaakte het meisje lachend. “Gewoon, ah, daar ben je, terug van je uitstapje ? Geen dankjewel, niets. En toen ben ik dus terug naar hier gekomen.” Er werden wat blikken bier geproost. Ik glimlachte in het mijne.

Je schreef ondertussen dat het heden het beste heden is dat er ooit is geweest. Ik was het roerend met je eens.

Een paar verlegen studenten vroegen de conducteur, uitleggend dat ze opdrachten moesten doen, of ze iets mochten omroepen. Ze moesten dat doen vóór Gent Sint-Pieters. Het volgende station was Gent Sint-Pieters. Oei, zei de conducteur, en wat moet je dan omroepen ? Dat mag alles zijn, zeiden de studenten. Okee, zei de conducteur, dan mag je wel omroepen wat ik anders toch omroep. We komen aan op Sint-Pieters, hierna gaat de trein door naar Kortrijk. Oke, zeiden de studenten.

En ze riepen exact dat om, Vos. Met enkel een fijn weekend aan iedereen namens hun studentenvereniging. Geen rebellie, geen rock ’n roll, gewoon braaf wat ze gevraagd was. Ik ben daar dan maar uitgestapt en heb even een sigaret gerookt voor het station in de regen, me afvragend of ik iets anders had gedaan. We doen toch meestal maar gewoon wat ze zeggen dat we moeten doen. Het is nu eenmaal zo, het is nu eenmaal zo.

Toestandindewereld


Verhaal door René van DensenHij kijkt me diep in de ogen en vraagt krachtiger dan ik verwachtte: “Waar was je vannacht ?”

Ik wil niet antwoorden en kijk wat naar mijn schoenen. Ze moeten nodig gepoetst worden. Mijn schoenen moeten al heel lang gepoetst worden. Ik heb poets gekocht. Met de bedoeling ze te poetsen. En toen deed ik het niet. Want ik had een optreden. En beschadigde schoenen doen het goed bij mijn kostuum. Ik heb echter heel weinig optredens. Dus zo heel nodig is het niet dat ze ongepoetst blijven. Ik heb zoveel te doen, denk ik even. Maar ik probeer even te onthouden dat ik mijn schoenen toch binnenkort maar eens moet poetsen. Daar gaan ze langer door mee. Schijnbaar.

Ik schraap mijn keel. “Ik, eh.”

“Ja ?” antwoordt de Toestandindewereld fel.

“Ja, nou,” draal ik wat. Ik probeer me te herinneren waar ik vannacht was. Ik had dingen te doen geloof ik. Maar volgens mij heb ik ze niet eens gedaan. Volgens mij heb ik gewoon een show van Jim Jefferies opnieuw gekeken. En gelachen. En wijn gedronken. Ik drink bijna nooit wijn. Maar zo’n fles gaat er rustiger door dan de blikjes bier. En nog los van die kostenbesparing was er toevallig ook wijn. Ik had die gekocht om met mijn geliefde aan het water te drinken. Dat ging niet door omdat ik zonodig een filosofische discussie met een ingenieur moest voeren op een terras. Gelukkig vond ze dat wel oke. Zelfs toen bleek dat allang de fietsenstalling dicht was en we terug moesten lopen. Het regende niet. Ik opende optimistisch de fles op een bankje twintig meter van mijn woning, langs het water. Ze nam één slok en begon tegen mijn schouder te soezen. En te rillen. Ze had het koud. Ik niet. Ik was klaar om tot de ochtend, met wijn in mijn mik, naar de verdwijnende nacht te staren. Eerst gaf ik haar mijn jas nog. In de hoop dat dat zou helpen. Ze deed het onmogelijke: in mijn altijd warme jas kreeg ze het nog kouder. Het was helder dat we naar huis moesten. En die wijn stond er dus nog. En was geopend. Dan heb je maar zoveel tijd. Dus moest die wel op. Ik wil niet bijdragen aan de afvalberg. Of de afvalsloten in het riool. Dat maak ik mezelf wijs terwijl ik wijn inschenk en probeer niet te denken aan dat ik het straks toch uitpies. Uitkotsen gaat niet gebeuren. Ik heb weer eens per ongeluk een zeer goede wijn uitgekozen. Dronken. In de nachtwinkel. Iedereen heeft zo zijn of haar talenten.

“Ja nou, de kat en zo, die wou gezelschap. Dus ik zat gewoon lekker bij de poes thuis. En daar heb ik geen televisie,” schouderophaal ik.

De Toestandindewereld snuift minachtend. “Er is internet.”

“Jahaa dat is wel zo,” geef ik toe, “maar er was ook facebook en zo. En een of ander nieuw filmpje met een man die een pen en een appel beweerde te hebben. In een liedje. Het is supergrappig. Heb je het gezien ?”

De Toestandindewereld fronst. Staart me lang, zwijgend, aan. “Waarom leef jij eigenlijk nog ?”

Ik haal mijn schouders op. “Genetica, denk ik. Ik doe mijn best verder hoor.”

Meewarig wordt er hoofdgeschud. “Belangrijkste moment in de geschiedenis van de mensheid. En zoals altijd let meneer weer niet op. Je let nooit op. Leest alles achteraf. Het kan je gewoon niet schelen. Beetje op terrassen zitten en mensen observeren. En drinken. En lachfilmpjes kijken. Is dat echt wat je wil doen met je leven ?”

Ik sputter tegen: “Wat ben jij dan allemaal aan het doen ondertussen, meneer Toestandindewereld ? Jij maakt er toch ook een potje van.”

“JA !” schreeuwt Toestandindewereld fulminerend. “En meneer neemt niet eens de moeite even er acht op te slaan ! Ik doe dit allemaal voor jou ! Meneer de schrijver. Meneer de Grotere Geest. Meneer de Meninghebbert. Ik geef je mijn allerbeste materiaal en je kijkt niet eens. Je luistert niet. Je negeert me gewoon. Al weken, nee, al maanden. Al járen ! Beetje met vrienden rondhangen, en met dat lief van je. Ik zag jullie wel, aan die waterkant. Met je fles wijn. Romanticus die je bent. Beetje mijmeren. Ze vond het niet eens leuk. Ze had het koud. Weet je hoe moeilijk het is om het koud te maken eind September als er verdomme een opwarming van de aarde op het programma staat ? Ik deed er werkelijk alles aan jou terug aandacht aan de realiteit te doen schenken. Maar nee, meneer neemt het ervan. Interesseert hem niks, al die moeite die ik erin steek. Werkelijk, ik vraag me soms af waar ik het nog voor doe.”

De Toestandindewereld slaat kwaad zijn benen over elkaar heen. Ik wil sorry zeggen maar weet dat ik het niet zou menen. Misschien is het beter dat we elkaar voorlopig niet meer zien. Ik schenk een glas wijn in. Toestandindewereld rolt met zijn ogen en zucht.

Fictie


Verhaal door René van DensenMijn kat gromt luid. Ze startte de dag met spinnend mijn gezicht likken. Als ze niet gespind had, gespind gesponnen gespond, had ik wellicht nog getwijfeld of ze wel een kat was. Nu gromt ze naar de voordeur en bekruipt mij de twijfel alsnog.

Voor de deur, die een grote glazen ruit is met een randje, staat mijn buurman. Hij kijkt wild en verward. Hij geeft me een sleutel en zegt dat hij dit afgelopen weekend van de trap is gevallen. Dat er nu een vertraagd soort hersenschudding is ingetreden. Dat hij zo gaat liggen, in feite moet liggen, maar dat hij dat niet kan, hij moet en wil nog dingen doen. Maar voor de zekerheid is er hier zijn sleutel. Zijn zus komt zo ook misschien nog want die is bezorgd. Of ik die dan wil binnenlaten. Ik zeg dat dat goed is en sluit de deur.

Ik heb amper een volgende verhuisdoos geopend of er wordt op de deur geklopt. Het is de buurman. Hij geeft me nog een sleutel en zegt dat hij afgelopen weekend gevallen is. Ik neem de sleutel maar aan en knik begrijpend. Ik sluit de deur.

Ik gooi wat plakband in een prop weg naar de vuilniszak. Mijn kat rent erachteraan en komt die terugbrengen. Ik gooi de prop nogmaals. Weer brengt ze de prop terug. Ik zucht.

De buurman klopt op de ruit. Ik open de deur en ontvang nog een sleutel en hetzelfde verhaal. Ik vraag me af hoeveel sleutels de buurman heeft. Direct besluit ik dat ik misschien ook een reservesleutel moet regelen. Je weet nooit of ik eens van de trap val. De kat gaat op de bank liggen en begint luidruchtig te hijgen met de tong uit haar bek.

Voor ik een sleutel kan laten maken ga ik een rekening openen voor de waarborg. Maar dat gaat niet. De man zegt dat ik, naast mijn legitimatie en het geld voor de borg, ook mijn huurcontract moet voorleggen en een bewijs van woonst. Hij bedoelt een bewijs van inschrijving in de gemeente. Ik fiets naar de gemeente. Na lang wachten ben ik aan de beurt. Ik zeg dat ik me wil inschrijven in de gemeente. De vrouw zegt dat ik mijn huurcontract moet tonen. Ik bel mijn huisbaas. Die zegt dat hij het huurcontract pas kan regelen als ik mijn waarborgrekening geregeld heb. Ik grinnik en denk, ik ben in België.

Bij thuiskomst staat de buurman bij mijn andere buren zijn verhaal te vertellen. Als ik mijn huis binnenga, klampt hij me aan en geeft nog een sleutel. Binnen zet ik een koffie en staar naar de bewolkte lucht. Ik vraag me af waarom schrijvers nog fictie zouden bedrijven. Mijn kat blaft zachtjes.