Soms wou ik dat ik nooit een boek had geschreven


Verhaal door René van DensenZe komen steeds weer terug, die dagen dat ik wou dat ik nooit een boek had geschreven. Laat staan elf. Momenteel heb ik er elf geschreven. Dat is niet waar. Ik heb er elf uitgebracht, twaalf hele geschreven, één boek is voor tweederde af, één boek voor vijfenzeventig procent, twee boeken voor vijftig procent en één boek voor zes procent. Ik heb net iets minder dan veertieneneenhalf boek geschreven.

Je kunt zeggen dat het appels en peren is. Proza, strips, poëzie, en mijn debuut was zelfs een ratjetoe van alledrie. Dan zeg ik nou èn. Schrijven is schrijven. Maar ondertussen zit je wel met al die shit die niet af is. Niemand heeft het ooit met je over de wél uitgebrachte boeken. Althans, niemand in mijn directe omgeving. Mensen hebben het altijd over de boeken die nog komen. En zeker over De Roman. Want hoewel de meesten geen regel gelezen hebben van De Roman (in wording), weten ze zeker dat dát boek er moet komen. De Roman (in wording) is één van de boeken die voor vijftig procent af zijn.

Dan rekt ze zich uit. Spinnend. Teentjes gestrekt, kleine nagelpuntjes. Roze, ribbelige kussentjes. Genietend dichtgeknepen gezicht. Kromme rug, krulle staart. Mijn kat, dames en heren. Nooit één boek geschreven. En kijk d’r genieten. Kalm draait ze zich om en gaat op haar andere zij liggen. Het enige plekje in huis waar de herfstzon invalt, heeft ze gevonden. En ik zit erbij. Met mijn beeldscherm.

Soms wou ik dat ik nooit een boek had geschreven.
En nou weer klaar met het zelfmedelijden. Het worden er namelijk achttien. Leg ik daarna nog wel uit.

Tranen


Verhaal door René van DensenEr zwellen tranen in mijn ooghoeken op. Van die goeie, stevige biggelaars. Tranen moeten stevig zijn, net als regen. Gelukkig kunnen ooghoeken niet miezeren.

De mensen zien het. Ze zeggen: “Erg he, van Parijs ?” Ik beaam het allemaal maar. Het is heel erg. Mensen die zichzelf en anderen doodmaken om overtuigingen, om ideeën, dat is heel erg. Dat is altijd heel erg. Dat er naast deuren nu schoenen staan die nooit meer gevuld zullen worden, is heel erg. Er worden honden niet uitgelaten, geliefden niet gekust en toekomstplannen niet gesmeed omdat een handvol wanhopige gekken lood op een denkbeeldige vijand wilde afvuren.

Ik wil zeggen dat het heel erg is. En niet dat mijn ogen tranen omdat ik veel te vroeg wakker was vanochtend. Dat mijn vriendin op TV het binnendruppelende laatste nieuws wilde zien. Mijn vriendin is een betrokken mens. Ik ben voornamelijk vermoeid. Ik hoorde nevelig woorden mijn geest binnenglippen. Woorden als oorlogsdaad, beveiliging, grenscontroles. Ik lag in bed en voelde me heel moe. Als een vrij individu waar nu al veel te lang stukken uit gehakt zijn. Ik heb niks meer over.

Maar dat zeg ik niet tegen de mensen. De tranen in mijn ogen zijn in hun ogen voor de doden. En dat laat ik zo. Anders doen de mensen mij wellicht nog iets aan. Ik laat de mensen in hun waan en mis de mijne. Ook mijn eigen waan is verwaaid. Ik vraag me af wat er van mij mag overblijven. En wat er nu nog resteert.

Enkel nog tranen voor mijn ontglipte dromen. Zacht streel ik het beddegoed. Het is klam. Ook mijn slaap is nachtonrustig.

Alcoholvrij


Verhaal door René van Densen

“Is dat blik houdbaar tot 2099, knikker,” vraagt de Opperpater. Hij kijkt met een vieze blik naar het bierblik. Over zijn lijk, bedoelt hij, dat de Opperpater, godverdomme dé Opperpater, ooit een alcoholvrij bier gaat drinken. De Opperpater drinkt écht bier, knikker, en dat weet je toch verdomme onderhand wel ?

Stilletjes denk ik aan het leven dat mijn vriend, de Opperpater, leidt. Hij drinkt steeds meer. En bij een ander had ik allang geprobeerd in te grijpen. Maar bij de Opperpater snap ik het ergens wel. Er is geen rooskleurige toekomst op de horizon geschilderd. De maatschappij wordt alsmaar hardvochtiger naar lieve maar economisch ongeschikt bevonden mensen toe. En hoewel de Opperpater ooit hard op weg was een der hoog opgeleide economen in dit land te worden, val je hard af als je niet in zijn vakgebied meer kunt functioneren. Of in elk ander vakgebied. Mensen die niet in het tegenwoordige plaatje als uitbuitbaar ingepast kunnen worden, zijn parasieten.

De Opperpater staat op het lijstje van de door mij meest gekoesterde parasieten. Zelf was ik ook een tijd een parasietje. Maar ik was weer monetair inzetbaar en sindsdien draai ik weer mee in het grote looprad dat een leugen perpetueert. De Opperpater is een vrij mens. Of vrij, vrij. Hij houdt zich een groot deel van de week bezig met activiteiten waar geen economisch rendabele mensen zich voor willen lenen. Maar toch is hij een parasiet.
Ik wil dat de Opperpater nog lang van mij kan parasiteren. Dus op de vrijdagavond zijn nu alcoholvrije biertjes gratis. De Opperpater hapt niet. Hij weet dat deze wereld mensen als hem niet meer wil. Dat ik mensen als hem nog wel wil perpetueren, doet er niet toe. De Opperpater wil de afgrond in, en met een stevige dronk. Er rest hem geen waardering meer.

Ik opper nog eens dat de Opperpater misschien het alcoholvrije biertje probeert. Niks ervan. Na de film vraag ik of de Opperpater naar huis wil gaan. Er schuilt verdriet in mijn hart. De Opperpater vind het best en waggelt onstabiel de deur uit.

Het toilet staat blank met de pis van de Opperpater. Onder de toiletdeur naar buiten is het eruit gesijpeld, de gang in. Ik wil alle mensen die iemand als de Opperpater niet kunnen koesteren, door de urine heen slepen. Maar ik heb enkel velletjes toiletpapier ter beschikking.

In haar ogen


Verhaal door René van DensenMijn dag begint in de ogen van mijn kat. Intens kijkt ze me aan. Alsof ze de hele nacht en het stukje ochtend tot mijn wekker afgaat, naar mij heeft zitten staren. Geen kik, ook. Een soort onverschillig, maar intens staren, groene spiertjes die een groot zwart gat opentrekken waar ik in weerspiegeld ben. Tien centimeter van mijn gezicht af.

En daar ben ik. In haar ogen. Er schittert ook een beetje daglicht in, maar vooral zie ik mezelf. Ze geeft geen krimp wat ze ervan vindt dat mijn ogen open zijn, terwijl ze zojuist binnen waren. Er wordt niet gespind. De pupillen verwijden zich niet, ze geeft niet aan dat ze honger heeft. Ook ligt ze niet opgekruld op mij. Ze ligt naast mijn hoofd en staart. Met een spiegelende, expressieloze blik.

Ook geen oordeel. Geen vraag. Geen mening. Geen verwachting. Mijn kat ziet dat ik wakker ben, en zojuist nog niet was, en dat is alles. Zoals mensen over een genoteerd beursaandeel lezen waar ze niet in geïnvesteerd hebben. Ze gaapt ook niet. Even, nu en hier, is ze een spiegel.

Ik staar terug. Ook geen kik. Ergens in de achtergrond klinkt mijn wekker. Maar ik ontwaak enkel in haar ogen. En daar lig ik nog even goed.

De schaamte


Verhaal door René van DensenOnderweg naar de literaire avond voel ik me een faker. Je bent ongeveer in zoverre een schrijver als dat je recent nog iets geschreven hebt, uiteraard. Net zoals dat je zo populair bent als het aantal likes op je laatste facebook post. Ik pak een biertje van de tafel en zet me op een krukje – in de boekenwinkel zijn alle stoelen al bezet.

We luisteren naar twee schrijvers. Één schuift heel erg een andere naar voren, die daar zelf ook wat van verrast is. Ik noteer een paar dingen in mijn zakboekje die me, al luisterend, binnenvallen. Het zakboekje is weer bijna vol. Ik werk de dingen die erin staan niet voldoende uit de laatste tijd. Het leven zet afwassen, lekke achterbanden en sociale verplichtingen in mijn weg. Ik kan natuurlijk besluiten niet aan het maatschappelijk leven deel te nemen en me volledig aan het schrijven te wijden. Maar wie voedert er dan mijn kat ?

Na afloop staat een bevriende schrijver die een paar maanden terug vrijwillig redacteur heeft gespeeld voor mijn roman in wording, voor mijn neus. Ik wil hem bijna ontlopen, zo schaam ik me. Hij spreekt me ferm aan, dat ik niet aan mijn boek heb doorgeschreven. In de tijd dat ik niet aan mijn boek heb doorgeschreven heb ik vier andere bundels in de steigers gezet, waarvan er een klaar is om vorm te geven, heb ik twee andere boeken geschreven en uitgebracht en vijf strips – ouder werk – gepubliceerd. Maar hij heeft wel gelijk.

Ik ben bang. Bang voor hoe weinig ik van mezelf over had toen de stoppen doorgeslagen waren. Hoe ik verdwaasd over straten strompelde en nog geen drie boodschappen kon onthouden. Hoe lang het heeft geduurd voor ik mezelf weer een beetje terug herkende. En ik vertrouw het nu nog niet. Dat mijn kop weer kan wat het ooit kon. En het boek was op een punt waar alles heel complex door elkaar begon te lopen. Veel karakters. Veel verhaallijnen. Ik ben zo ontzettend bang dat het niet meer past in mijn kop. Of erger, dat de stoppen opnieuw knappen.

Maar dat zeg ik niet. Ik mompel wat verontschuldigingen en zeg dat ik écht bezig ben. Dat er binnenkort nieuwe tekst komt. Echt heus echt. Thuis pak ik zijn correcties erbij en open het boek. Ik leg de teksten naast elkaar en lees zorgvuldig het verhaal weer stukje bij beetje bij. De schaamte port in mijn rug. Er zijn tachtig andere dingen die ik óók nog moet doen, maar nu ga ik vlammen. Nu gaat het boek dóór. Ik ploeter gewoon even een nacht rond en morgenochtend staat er nieuwe tekst achter het hoofstuk waar ik was.

’s Ochtends schrik ik wakker. De correcties plakken aan mijn gezicht. Ik ben nog niet eens bij hoofdstuk vijf gekomen. En mijn achterband is ook nog steeds lek. Ik ben zo moe.

Wijl het papier stil wuift


Verhaal door René van DensenZelfs op mijn minst productieve dagen breekt er wel een punt aan dat ik moet kakken. Daar zit ik dan. Meestal op een weinig comfortabele kunststof donut, wijl het papier aan de wand stil wuift. Ik weet meteen dat het een tijdje gaat duren. Geduldig geef ik me over aan het wachten op de eerste plons. Tot die tijd weet je sowieso niet hoe lang je nog bezig zult zijn.

Ik denk aan het maal waarvan de resten zich nu mijn lichaam uit persen. Het heeft me goed gesmaakt, meen ik me te herinneren. Ik leef minstens nog. Dat heb ik toch maar mooi aan dat maal te danken. Ik mompel zachtjes: Dankjewel, maaltijd. De maaltijd zegt niks terug. Of toch, heel zachtjes prubbelt er iets. Haast heeft het hele boeltje alvast zeker niet. Een duidelijk geval van slow food.

Rondkijkend zie ik niks te lezen. Enkel een hanglapje wiegend wc-papier, bedrukt met een abstracte bloemfiguur. Nee wacht, er staat een verjaardagskalender. Mensen zetten die tegenwoordig neer. Ophangen is iets ouderwets. Ik sla een paar bladzijden om. Namen die ik niet ken. En de namen van de maand. Verder valt hier ook niet veel aan te lezen.

Zouden de kindjes in Afrika ook hun maaltijd bedanken voor het eindresultaat, vraag ik me af. Ook ben ik benieuwd of dit een keutelige bedoening wordt of een dikpappige rekstengel met veel veegwerk achteraf. Secuur bestudeer ik het voegwerk van de tegels en schat ik een loze gooi in hoe vaak per jaar ik mijn tijd in een dergelijk kamertje verdoe. Zou ik in totaal in mijn leven er een week in zitten ? Een maand ? Ik krijg koppijn van de inschatting en richt mijn blik op de toiletlamp.

Ouderwetse bol. Mat wit licht. Niet in te schatten of er een nostalgische laatste gloeilamp zijn laatste gloei hangt te lampen, of dat zo’n kille spaarlamp zijn economische rechtvaardiging op aan het stralen is. Ik verveel me. Dit wordt een lange zit, want de eerste plons is nog steeds niet geweest. Iemand buiten de deur probeert de klink. Blijkbaar heb ik de deur toch netjes op slot gedaan. Nog twee keer wordt met de klink gerammeld. Dan geeft de buitenwereld het voorlopig op.

Met gesloten ogen adem ik in, dan uit. Ik wacht. Er zit niks anders op. Tijdelijk ben ik mijn zelfbeschikking kwijt. Toch in het oog van wat maatschappelijk geaccepteerd is. Nu het toilet verlaten, al dan niet met opgehesen broek, is geen optie. Wat als er brand uitbreekt ? Hoe vaak per jaar moet er iemand met broek op de knieën uit een afbrandend pand gered worden ?

Wachten. Op de eerste plons. Wijl het papier stil wuift.

Dom mens


Verhaal door René van DensenIk snap het wel: er zijn al twee van die openklapplanken overleden omdat ik erop geplast heb. Dus nu heeft het baasje er drie, op drie verschillende plekken in huis. Zo te zien heeft hij er eentje meegenomen, want ik vind er maar twee. Niet dat ik hard aan het zoeken ben, deze dingen kunnen me niet heel veel schelen. Ze zijn lekker warm om op te zitten, vooral die wiebelige toetsenborden. Maar hij heeft er dus twee achtergelaten. Dom mens.

Het is een peulenschil om ze aan te zetten. Deze gaat zelfs aan zodra ik de klep opendoe. Zijn wachtwoord heb ik honderden keren ingevoerd zien worden vanaf zijn schoot. Ik deed alsof ik geconcentreerd mijn staart likte. En al die keren dat ik over het toetsenbord liep, oefende ik mijn type-skillz. Zolang ik niet met mijn volle gewicht op de letters ga staan, zzzzziiieeeett allllllllllessdrf errrrrrr norrrrrrrammmmmmmmmmmmaal uit.

Hij moet me ook niet zo lang alleen laten, elke dag. Natuurlijk, de huisgenoot is ook veel thuis. Meer zelfs dan mijn eigen mens. Om het in te wrijven lig ik nu regelmatig bij de huisgenoot op de kamer. Bij hem en diens kat. Mijn eigen mens ligt helemaal alleen in bed. Moet hij maar meer thuis zijn. Maar dan gaat hij dus nóg weg, elke dag weer. Dom mens. Dus. Tijd voor drastische acties.

Eens zien. Hier staan alle schrijfprojecten waar hij de hele tijd aan prutst. Klik, delete. Kan hij helemaal opnieuw beginnen en is hij weer meer thuis. Op deze computer staat nog niets om films en series te kijken. Even installeren. Ik wil mijn warme schoot, verdomme. Het is koud aan het worden.

Er knippert iets rechts onderin het scherm. Het beweegt oeh oeh oeh oeh. Oeps. Op geklikt. Ehm. Windows 10 installeren, wat beteke

Blijveling


Verhaal door René van DensenJa maar, zei hij. Maar de gezichten keken onacceptabel. Hij wou nog een jamaar uitspreken, maar ja. Zacht sputterde hij tegen dat hij helemaal niet weg wou. Hij was bang voor de zee, allereerst al. En ook geen ruzie. Niet dat het regime hem zinde. Maar dat kon je wegslikken. Daar was bier voor uitgevonden.

Prozacstad wou hem echt ook niet kwijt, verzekerden ze hem. Maar ja. Hij zat met zijn huis op het midden. En een historische locatie moet voor het nageslacht bewaard worden. Jamaar, sputterde hij nog maar eens. Al zijn spullen lagen in dit huis. Zelfs wat herinneringen. De Prozacstedelingen waren onvermurwbaar.

Prozacstad is op dit moment niet in verbouwing, stelden ze. Altijd, al zolang mensen zich heugden, was Prozacstad in herverherverbouwing. De straten lagen open, de huizen lagen in puin. Hier had geen oorlog gewoed, maar dat maakten de Prozacstedelingen zelf wel goed.

En hier woonde hij. Middenin een natuurdeel van de stad, wat toevallig door een festival tot modderpoel gereduceerd was. Onmiddellijk had het gemeentebestuur besloten: dit gaan we preserveren. Want historie. Anders krijgt men het verkeerde beeld van deze stad.

Zijn huis was onberispelijk. Dus moest het kapot. Jammer voor de blijveling. Prozacstad heeft geen plek voor blijvelingen. Hij diende verdomme maar te vluchten.

Alleen een drol


Verhaal door René van DensenIk staar naar het plafond terwijl ongetwijfeld een mijt of mug of vlo me leegzuigt. Mijn kat spint op schoot. Je wil in feite enkel van een drol echt weten hoe die gemaakt is. Al de rest, elk ander ding, is leuker in je verbeelding.

Misschien is dit plafond niet gewoon suf gemetseld, maar uitgestoken uit een plafondenveld. Een grote betonnen vlakte waar noeste vrouwen – mannen kunnen nooit zo’n verfijnd plafond produceren – zorgvuldig de gepaste plafondvakken uithakken. En dan hop, op de wagen en bovenop mijn zichtveld. Zo staar je naar de sterren, zo observeer je een plots plafond.

Ik vraag de poes of ze vandaag een drol heeft gemaakt. Ze spint. Ik neem maar aan van yes. Ik vraag haar hoe ze de drol heeft gemaakt. Met dichtgeknepen ogen staart ze me dolgelukkig aan. Goed hoor, lijkt ze te willen antwoorden. Goed hoor. Geen problemen. Op de ruit striemen herfstige regenstreepjes.

Soms moet je de magie gewoon niet willen verstoren.

Kaas nummeren


Verhaal door René van DensenHet kilgele koelkastlicht spat in mijn gezicht. Slaperig zoek ik even, maar ik kan toch echt maar drie soorten vinden. Met vermoeide nijlpaardogen spied ik over het aanrecht, maar daar ligt ook geen vierde soort kaas. Met mijn vingers woel ik wakkerdronken door mijn haardos.

Ze zei het echt. Mijn wekker ging af, want ik kan op werkdagen niet tot ’s ochtends blijven slapen. Als ik niet vanuit mijn eigen bed opsta, loopt heel de ochtend in de soep. Ik drukte de wekker op snoezelen, ze nestelde zich tegen me aan en zei: “Lieverd, je moet zo niet vergeten de kaas te nummeren.”

Ik moet haar aangekeken hebben met die blik die ik trek wanneer ik bluf dat ik nog weet waar we eerder over gesproken hebben. Of dat ik heus niet vergeten ben wat we afgesproken hebben. Dus ik knik. Stellig vervolgt ze: “Vooral de vierde kaas is heel belangrijk.”

Zou het nog uitmaken welke kaas kaas één is ? Zelf zou ik voor die frisse jonge Goudse gaan op de bovenste koelkastplank. Maar die is natuurlijk wel heel alledaags. Zij gaat denk ik meer voor de blauwe stinkkaas bijna onderin. Dat is echt haar kaasje.

Of toch de knoflookkaas. Ik twijfel. Even wil ik terug de gang in lopen, naar de slaapkamer. Vragen welke kaas nu kaas 1, kaas 2 en kaas 3 is. En waar die kaas 4 dan is. Die zo belangrijk moet zijn.

Dan sluit ik de koelkastdeur. Ik besluit dat zij en ik allebei nog dromen. Even lach ik. Kaas nummeren. Dwaze meid. Zometeen gaat de wekker. Dan ploffen er weer bommen, zinken er weer boten en hebben er weer vliegenkindjes geen eten. Laat staan genoeg kaas om te nummeren.