Stuntman


Verhaal door René van DensenStil keek ik het TV-programma. In de achtergrond waren mijn ouders druk in discussie over een oplossing. Een oplossing voor de blauwe plekken, het gedroogde traanvocht. Misschien moesten ze me maar op een of andere zelfverdedigingssport doen, werd er geopperd. Er werd weer vanalles over me beslist en ik absorbeerde zwijgend het bewegend beeld.
Op de televisie was mijn favoriete serie van dat moment bezig. The Fall Guy, de spannende avonturen van een Hollywood stuntman die, omdat dat nu eenmaal maar tijdelijke inzetten zijn met grote intervallen van werkeloosheid, tussendoor bijverdiende als bounty hunter. Een stoere maar goedaardige man die met een namaakpistool de boeven angst ging aanjagen en nergens bang voor was, met een goede vriend en een mooie maar extreem vaardige vriendin aan zijn zijde. En auto’s, mensen en trucks vlogen in het rond. Alles leek mogelijk. En luid. Luid genoeg dat ik af en toe het gesprek in de achtergrond niet hoorde.
Gesprekken in de achtergrond zijn altijd mijn zwakte geweest. Ik luister. Als bijvoorbeeld mensen zeggen dat het een schande is met alle hondenpoep op straat overal. Dan luister ik. En ik denk dan, misschien kan ik er iets aan doen. Ik had een karretje dat ik achter me aan kon trekken. Ik had een schepje. Ik had buiten school om zeeën van tijd en kon me vrij verplaatsen. Dus ging ik hondenpoep rapen. Zodat de mensen er misschien niet meer zo boos om hoefden te zijn. Dat deed ik welgeteld één middag, want een aantal klasgenoten hadden het gezien en vonden zo kersvers voer om me mee te pesten. De volgende dagen, weken, feitelijk zelfs jaren kreeg ik steevast te horen dat ik een pindakaasfabriek had waar ik poep voor inzamelde. Het sloeg nergens op. Maar vertel een mens lang en consistent genoeg nonsens in zijn gezicht en hij verliest zijn geduld. En dan volgen de klappen. En wordt er weer gesproken of ik niet op zelfverdediging moet.

Ik heb een zondags pak aan voor het eerst in mijn leven. Het zit stom. Ik doe dit enkel omdat men beloofd had dat er cadeautjes zouden zijn, maar nu sta ik hier in een kerk, communie te doen, en ik vind er geen klap aan. Mijn geloof ben ik al kwijt dus is het een farce. En als rite is het ook maar een barbaars toneel. Ik sta in een rij met klasgenoten die één voor één drie dingen in een microfoon moeten verkondigen. In de kerk. Die gevuld is met zo ongeveer iedereen uit dit dorp. De kerk zit vol. Iedereen gaapt naar het podium terwijl jongens en meisjes netjes hun naam (1) verkondigen, hun leeftijd (2), en dat ze later verpleegster piloot pliessieagent brandweerman willen worden (3).
Ik heb het allemaal weer eens helemaal verkeerd begrepen, is me helder.
Toen mij verteld werd dat ik moest zeggen wat ik later wou worden, schrok ik me rot. Wat een vráág. Voor iemand die acht jaar is. Weet ik veel ! Spontaan wou ik eigenlijk al helemaal niets meer worden en dat is nooit meer goedgekomen. Maar ik deed een poging. Twee weken lang dacht ik elke dag intensief na over mijn carrière. Probeerde ik me per dag een beroep of vier, vijf, zo volledig mogelijk voor te stellen. Ik hou van dieren, dus stel: ik word dierenarts. En betaal me jarenlang kapot aan voorraad, personeel, praktijkhuur, wagen en benzine, dag en nacht zwoegen om vooral dieren te zien sterven in mijn machteloze, bebloede handen. En als geknakt man ga ik met pensioen en kan geen injectienaald meer zien. Oke. Dat beroep dus niet. Fietsenmaker dan. Enzovoorts. Ik maakte mezelf helemaal gek terwijl ik een honderdtal professionele levens leefde. En ik wist het niet, ik wist het echt niet. Wat een gruwelijke vraag om te stellen aan iemand die gisteren nog op een houten klimrek hing te zwaaien.
Het ene na het andere kind vóór mij weet het wél. Althans, ze hebben iets te zeggen in de microfoon. Het kind dat nu aan de beurt is wil later astronaut worden. Ik weet zeer zeker dat die dat niet wordt. Maar hij weet het wél, en ik niet. Fuk. Het is mijn beurt. De microfoon komt bijna magisch op mijn smoel af. Word ik geduwd of loop ik zonder het te beseffen ? Wat een menigte. Beeld ik het me in of stáárt echt iedereen ? Ik wil hier weg. Geen enkel cadeau is dit fokking waard.
Stap voor stap dan. Mijn naam. Die weet ik. “Ik ben René van Densen,” yes die is alvast in de pocket. Leeftijd, die weten we ook. “En ik ben acht jaar,” we zijn op tweederde en het gaat nog altijd perfect. Maar dan weet ik het écht niet meer. Ambtenaar Bevolking ? Banketbakker ? Postbode ? Priester ? Wereldreiziger ? Tranen wellen in mijn ooghoek om de oneerlijkheid van het blok waar ik voor gesteld ben. Ik kan maar één ding zeggen: “En later als ik groot ben word ik stuntman.”

De zaal is even muisstil. Zelfs de kuchers haperen even. En dan barst – in mijn herinnering toch – de hele kerk in lachen uit. Zelfs jaren later kom ik nog dorpsgenoten tegen die me op de schouder kloppen en vragen of ik al stuntman ben. En ik heb nog stééds geen antwoord. Ik ben 42 en vind het nog altijd oneerlijk dat je moet weten wat je wilt worden. En waar je jezelf over vijf jaar ziet. Het ligt vast allemaal aan mij want de andere kinderen weten het nog steeds wél. Voor hen is het allemaal prima. Ik echter, wil terugreizen en mezelf opnieuw voor die microfoon zetten. En dan simpel zeggen:

Ik ben René van Densen, ik ben acht jaar, en later als ik groot ben word ik mezelf.

Share Button

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *