Is dit een stiltecoupé ?


Verhaal door René van Densen“Wajoo, ik heb trouwens kapot goed nieuws. Ik ben óver !”
“Echt ??? Woeee proficiat !” Vier paar handen hi-fiven en er klinkt luid gegiebel.
“Waar zijn we nu ? Boxtel ? Het is nu ineens een sprinter, watdefok !”
“Moeten we er hier niet uit dan ?”
“Nee dit is Boxtel, niet Eindhoven.”
“Weet je hoe ik weet dat dit niet Eindhoven is ? Dan staat daar een grote bol. En daarachter priem. En ark.”
“Ja maar die ark verdwijnt dan wel achter de bol.”
“We moeten wel een treinleven selfie maken he, dan komen we morgen in de krant.”
“Ja weet je, als jullie er niet hadden gestaan, had ik zo ingestapt. Zelfs al was het een goederentrein.”
“Ik heb twee vieren, een vijf, een zes en de rest zevens en achten.”
“Echt zin in deze vakantje, wajoo.”
“Ja ofnie.”
“Deze trein gaat echt kapot langzaam.”
“Auw, trut ! Dat doet kapot pijn als je zo slaat.”
“Ja toch echt niet met een natte doek, dat doet veel meer pijn.”
“Ik had dus zo met een natte doek geslagen, gewoon tegen mijn pa. Hele rode vlek. En hij had de volgende dag een meeting.”
“Okee lachen iedereen.”
“Nee ik ben nog niet klaar, ik ben gaten in deze krant aan het maken jo.”
“Schiet eens op.”
“Ja hallo hij wil niet.”
“Dan moet je scheuren.”
“Ja oke nu.”
Klikgeluidje, één seconde zijn de dames stil.
“Zien !!” (Vierstemmig, gevolgd door galmend gegiebel door de lege coupé)
“Eej serieus, doe eens rustig. Is dit eigenlijk een stilte-coupé ?”
“Ja wat als dit dus helemaal geen stiltecoupé is. Waar kun je dat zien ?”
“Ja straks is dit het wel en is iedereen boos op ons en krijgen we klappen of een boete weet ik het.”
“Ik kan nu echt geen boete gebruiken jonguh.”
“Misschien weet die meneer achterin het wel.”
“Meneer ?”
Ze zei meneer tegen me.
“Is dit een stiltecoupé, weet u dat misschien ?”
Ik aanvaard mijn rol van in hun ogen oudere, wijzere man en schud stil het hoofd. “Dan staat het op de ruiten.”
“Oh, fijn, dank u meneer !”
Ik had bij hun volgende giechelbui spijt van mijn eerlijke antwoord en vroeg me af of ik niet echt al oud ben geworden.

Maden


Verhaal door René van DensenProzacstad wordt overspoeld door een nieuwe rage. Het begon eigenlijk heel klein. Een enkel vliegeneitje in een vuilnisbak. Maar al snel kroop er een dikke made in de bak rond, en dat bleef de buren niet onopgemerkt. Men moest toen ineens allemaal mades hebben in hun prullenbakken. De vliegeneitjes waren niet aan te slepen.

Vervolgens moet je er wel wat mee, natuurlijk, met die maden. Je moet niet denken dat als je een paar maden hebt die rondkruipen in je vuilnis, je het al helemaal gemaakt hebt. Nee, net als alle andere rages kost ook deze werk, aandacht voor detail, biedt de madentrend talloze mogelijkheden om op unieke, eigen manier uit te blinken in de kolkstroom van collectief kuddegedrag.

Daar loopt hij door de straten. In de blakerende zon. Hij laat het zien. En ze kijken. Vanachter de gordijnen. Afgunstig. Verwonderd. Bewonderend. Het maakt hem niet uit. Als ze maar kijken. Kijken naar hem. Met zijn kostuum. Zijn kostuum van levende, aaneengeregen krioelende maden. Ze kriebelen wat, maar eigenlijk zit het heerlijk. Lichter dan hij verwacht had, zelfs. Hij past zijn broek wat aan, het kruis kriebelt.

Ze kijken hem na. De man, gekleed in krioelende larven. Hij is de onbetwiste koning van de rage. Zo ver als hij, dat durft niemand te gaan. Beteuterd staren ze in hun kliko’s. Naar de woelende massa. Tja. Daar sta je dan. Met je doorsnee afvalcontainer. Met je larfjes. Waren ze maar meer als de man. Zo moedig als de man.

De echte, authentieke self made man.

Op de radio


Verhaal door René van DensenUit verveling twitter ik ineens dat ik over een uur op BNR business radio te horen ben in een interview over de zelfpublicatie van mijn dichtbundels. Ik grinnik even en plaats het ook op facebook. Direct tien likes. Op twitter blije reacties: “Leuk, ik ga luisteren!” en “Ik zit er helemaal klaar voor!”

Ik wacht gespannen af tot er iemand reageert dat ik helemaal niet op de radio te horen ben. Maar het blijft uit. Zelfs na drie uur, niemand. Één persoon zegt zelfs “Leuk interview man, deed je goed.” Hij krijgt meteen zestien likes op zijn reactie. Iemand beaamt het. Ik krab wat op mijn achterhoofd.

Vanaf dan twitter ik bijna elke dag dat ik ergens op de radio te horen ben. Omroep Brabant, 3FM, StuBru, 538. Ik noem zelfs radiozenders die niet meer bestaan. Iedereen vindt het supertof voor mij dat ik zoveel aandacht krijg. En allemaal gaan ze luisteren. Ik snap er niks meer van. Voor de zekerheid zet ik zelf de radio aan. En verdomd, ik hoor mijn eigen stem. Honderduit vertel ik over mijn dichtbundels en optredens. Ademloos luistert de interviewer toe en stelt bewonderende vragen. Ik declameer enkele van mijn betere gedichten, en dat doe ik erg goed, al zeg ik het zelf. Ook de muziekkeuzes die ik meegebracht heb liggen prima in het oor. Met mijn ogen knipperend luister ik hoe ik de show steel.

Ik zet de radio uit en twitter dat ik de rest van de week even geen interviews meer doe. Omdat er ook nog wat geschreven moet worden. Zo komt die roman nooit af, twitter ik. Negentien retweets.

Jaja buurman


Verhaal door René van DensenVanuit zijn ooghoek zag God hem komen en vloekte binnensmonds. Kauwend op zijn sigaar leunde de buurman op het tuinhekje dat zijn domein van dat van God scheidde. “Jaja buurman,” sprak hij op een vlakke toon, als iemand die nergens ooit haast bij had. “Universum aan het bouwen ?” Hij wees met zijn bruine sigarenvingers naar de hemel en aarde die God aan het scheppen was.

God veegde het zweet van zijn voorhoofd. Waarom was het ook zo héét vandaag, verdomme. En moet die rotkerel nu net weer buiten komen staan te roken ? Het schoot al niet op met dat universum, dat hielp ook niet. De andere Goden in zijn straat deden het er zo makkelijk uitzien. Schroefje hier, klikje daar, hoppa, weer een universum af. Maar God zat altijd een tijd aan te prutsen. De sigarenrook prikte in zijn ogen.

“Je moet uitkijken met dat stukje daar,” sprak de buurman gemoedelijk, terwijl hij zijn brandende sigaaruiteinde richting de Melkweg prikte. Er viel wat brandend as in het universum. God besloot dat zo te laten. “Als je dat daar plaatst, heb je binnen de kortste keren allemaal ongedierte op die planeten. En dat evolueert dan en maakt heel je sterrenstelsels kapot. Ik zeg het maar hè,” en hij nam een ongeïnteresseerde trek van de sigaar.

God voelde zijn telefoon in de broekzak trillen. Hij hoefde niet eens te kijken. Natuurlijk was het zijn opdrachtgever. Of dat universum onderhand al klaar was. Hij liep dan ook al een week uit op de planning. Uitstelgedrag. Weken op de bank liggen niksen, deze rotklus voor zich uitschuivend. Wat háátte hij universa scheppen. Het liefst zong hij heel de dag liedjes. Maar ja, daar verdien je als God de kost niet mee. Sómmige Goden, ja, die misschien wel. Maar hij zou waarschijnlijk verhongeren als hij het probeerde. Dus dan maar werelden scheppen en zonnetjes aansteken. Zucht.

“Ik zou dat niet zo in elkaar hebben gezet,” sprak de buurman constructief. “Maar ja, da’s allemaal die nieuwerwetserige heelalbouwerij van tegenwoordig he. Vroeger, toen bouwden we nog zo’n universum gewoon met de handen, met hamer en beitel. Wist je precies wat je deed. Nu is dat allemaal digitaal,” wuifde hij afkeurend de verwoed gezwoegde pogingen van God weg.

De broekzak trilde alwéér. Fuk it, dacht God. Bekijk het verdomme allemaal maar. Hij besloot het universum zo op te slaan en te lanceren. Dan maar niet perfect. Wat is het ergste wat er kon gebeuren ? Misschien zouden de mensen iets makkelijker dik worden, of sneller kaal. Of ze zouden wat meer ruzie schoppen en met bommen en raketten gooien. Och. Hij wou in de hangmat in de achtertuin gaan liggen. In de zon. Weg van die sigarettenrook. Weg van die verschrikkelijke buurman. Rust. Ja, het was af. Gewoon goed zo. Hier moest iedereen het maar mee doen.

Dickpicplaatjes

empty_dvd_coverOngeïnteresseerd, zelfs ronduit blasé, vraagt het kassameisje of ik dickpics bij mijn boodschappen wil. Bij elke vijftien euro krijg je een dickpic. Dat is de nieuwe actie. De dickpics vliegen de winkel uit. Ik schat even in of de meneer achter mij misschien liever mijn dickpics wil hebben. Ik heb voor zevenenveertig euro aan boodschappen. Dat zijn dus drie dickpics. Eerlijk gezegd doet de hele dickpicsactie me niet zoveel. Maar dat heb ik ook met dierentuinplaatjes of voetbalfotootjes. Een mevrouw steekt nieuwsgierig haar nek uit achter de volgendeinderijmeneer. Ik knik vragend naar haar of ze mijn dickpics wil. Ze knikt enthousiast ja.

Buiten staan, achter een hekje, kindjes alle voorbijganggers te smeken om hun dickpics. De kindjes verzamelen de dickpics en ruilen ze onderling. Ze willen allemaal hun dickpicsboekje vol krijgen. Trots tonen ze elkaar hun dickpics. Sommigen hebben zelfs de etnische set dickpics al compleet. Één meisje toont trots haar volle reeks dickpics van BN’ers. Gelukkig staat overal de naam bij, want je zou niet meteen de dickpic herkennen als je het niet weet.

Ik loop ze schuchter voorbij, zonder mijn dickpics. En van de mevrouw achter mij zullen ze ook die dickpics niet krijgen. Ik vermoed dat de mevrouw de dickpics verzamelt voor haar eigen kindjes, of voor neefjes en nichtjes. Hoewel, je weet het nooit. Er zijn ook de nodige volwassenen die dickpics verzamelen. Zelf vind ik er geen fuk aan. Ik overweeg de volgende keer maar weer mijn boodschappen te halen in de winkel waar ze geen dickpics bij de boodschappen geven. Ik hou bovendien mijn hart vast voor de volgende promotieactie. Die wordt vermoedelijk helemaal kut.

Dobber


Verhaal door René van DensenHij zwijgt.
Ik staar naar het water.

Hij zwijgt.
Eigenlijk durf ik niet goed te vragen waarom.
Ik staar naar het water.
Het rimpelt grillig.

Hij zwijgt.
Eigenlijk durf ik niet goed te vragen waarom.
Maar ik heb een sterk vermoeden.
Ik staar naar het water.
Het rimpelt grillig.
Zijn blik vestigt zich strak op zijn dobber.

Hij zwijgt.
Eigenlijk durf ik niet goed te vragen waarom.
Maar ik heb een sterk vermoeden.
Hij heeft het me luid hoorbaar toegezwegen.
Ik staar naar het water.
Het rimpelt grillig.
Zijn blik vestigt zich strak op zijn dobber.
Dat zegt mij ook al niks.

Kaal (2)


Verhaal door René van DensenMeer dan de helft van de kat van mijn huisgenoot is kaal. Kaal met plukken, toch. Strikt genomen kun je zeggen dat zijn huid nog begroeid is, maar alles is dunbehaard gekrabd en -gelikt. De huid schijnt door zijn haar heen. De kat heeft van zichzelf al redelijk forse schouders en een stevige kop, dus dat zijn achterlijf zo goed als kaal is, ziet er extra potsierlijk uit. Katten hebben weinig zelfreflectie, dus hij trekt zich er niks van aan.

Wel trekt hij zich aan dat de huisgenoot al bijna twee weken niet thuisgekomen is. De huisgenoot heeft een ongeluk gehad en herstelt elders. Ik zorg voor zijn kat en de mijne. En dus ligt nu een kaalgelikte kattenkont in mijn zicht. Want het beest mist knuffels van zijn baas. De kat heeft normaal een hekel aan mij. Maar nu even niet. Want er is geen alternatief. Dus dan volsta ik. Katten zijn trouw als honden, dat is weer te merken.

Mijn eigen kat is kwaad. Wil ook aandacht. Dus zodra ik de kale kat van mijn borst pluk en naar het toilet ga, springt mijn eigen kat op mijn schouders en rijdt mee. Ze gaat kalm zichzelf wassen in mijn nek terwijl ik zit te kakken. Bedaard pak ik een boek uit het leesrek. Zelfs als het een snelle kak zou zijn, zit mijn kat duidelijk erg comfortabel.

Buiten de gesloten toiletdeur miauwt de kale kat klaaglijk. De kale klaaglijk miauwende kat krabt en krioelt. Ik kijk mijn eigen kat aan. Ze kijkt me met een onbestemde blik terug aan. Dan lees ik maar wat verder. Misschien is de volgende bladzijde wel spannend.

Kaal


Verhaal door René van DensenAls ik de zeepresten afdroog, zie ik in de spiegel het gezicht van mijn vader, onder een potsierlijke pruik. Het gezicht waar ik aan gewend ben, spoelt met de restjes het putje in. Ik heb evenveel lach- en zorgrimpels als hij en ze zitten op bijna allemaal dezelfde plekken. Een andere levenskoers zorgt dus niet voor andere rimpels. Alleen die grote horizontale bedenkelijke fronsrimpel, die is echt van mezelf.

Voorzichtig voel ik. Geen wondjes dit keer. Wellicht leer ik het ooit eens. Schraapgeluidjes in de hoekjes. Weer niet volledig grondig geschoren. Geeft niet. De baard is er enkel af om over drie weken weer podiumklaar te zijn. Bijsnoeien, daar doe ik niet aan. Talent dat andere mensen beheersen, ik niet. En te lang oogt potsierlijk en jeukt gigantisch.

Gisteren had ik nog een sik om aan te plukken. Ik pluk aan mijn vader’s kin. Gek om het kuiltje nu te zien. Vergeet steeds dat die daar zit. Hij mocht er gisteren niet af. Video opnemen. Als ik mijn dichtersjas aan heb, moet ik een baard hebben. Eigenlijk zou ik een baard in de kast moeten hebben. Voor noodgevallen. Als ik kaal ben, komen er even geen optredens. Het is timing. Allemaal timing.

Mijn kat kijkt toe. Ze herkent me prima zonder baard. Maar snapt geen drol van wat ik doe. Ik kijk in de spiegel. Zou liegen als ik het wel snapte. We doen toch allemaal maar wat. Ik spoel het mesje af. Er zitten roestvlekken op. Ook dat is nu eenmaal zo. Ik draai de kraan dicht en besluit dat het weer genoeg gezichtsverlies is voor vandaag.

Krassen


Verhaal door René van DensenOf ze niet wou wachten tot thuis, stelde ik voorzichtig voor. Want stel dat. Dan zouden we een reden hebben om terug te komen. Naar dit land. Naar dit gevoel. Naar dit moment. Maar nee. Zij wou het meteen weten. Dus ik gaf haar een muntje en nam er zelf ook een. En daar gingen we.

Het laagje kraste simpel weg. Het bood geen merkbaar verzet. Alles was onvermijdelijk. Ik wist al van tevoren dat er op dit lot geen prijs zou zitten. Soms voel je dat. En dan kun je enkel het laagje wegkrassen en je gelijk constateren. Zie. Je. Wel. Kras kras kras, voila. Zoals verwacht. Ze vraagt welke symbolen ik heb. Ik slik een cynische grap in en meld braaf welke plaatjes er op mijn lot staan. Zij zegt die van haar.

Het zijn zonnige plaatjes die mensen vrolijk maken. Andere mensen. Niet mij. Zeker niet nu. Daar staan we, buiten de winkel, allebei te krassen. Zoals verwacht is mijn lot prijsloos. Het hare ook. Ik haal mijn schouders op en grap dat we tenminste geluk hebben in de liefde.

Eigenlijk is dit het moment dat alles al voorbij is. Kon ik het maar onder een kraslaagje bewaren. Ik zou het nooit meer wegkrassen. Gewoon daar houden. Weten dat het is zoals het is. En gewoon voorzichtig opbergen. Stil verfrommel ik het kraslot en gooi het in de vuilnisbak.

Niet akkoord


Verhaal door René van DensenDe woorden die u nu gaat lezen, zijn ongeveer een jaar oud. Toen heb ik dit opgeschreven. Toen Gent, en de wereld, Vos kwijtraakte. Fokking Vos, dedju. Terwijl ik het schrijf, kan ik het nóg niet geloven. Ik verwacht de hele tijd dat het een bizar slechte grap is. Dat hij als een duveltje ergens tevoorschijn springt en roept dat het allemaal voor te lachen was.

Ik kan dit niet nu publiceren. Want hij is niet dood. Hij is niet weg. Het kan niet, het klopt niet. Does not compute. Gent zonder Vos, dat is alsof de Dulle Griet weg is, of het Belfort. Als bizar slechte science fiction. Ik krijg het niet in mijn voorstellingsvermogen gepast. Bij ieder artikel dat een vriend, collega of bewonderaar op dit moment publiceert, met terugblik naar de schalkse, melancholische kwajongen die hij was, denk ik bij mezelf: Weer eentje erin getrapt. Hij is niet dood, mensen ! Hoe meer jullie schrijven, hoe zieker deze grap wordt. Ophouden nu !

Natuurlijk kende ik hem niet persoonlijk. Zoals zovelen had ik hem wel eens gesproken. Ik betwijfel dat het lang genoeg was dat hij zich mij nog herinnerd heeft. Sommige vrienden van mij mailden met hem, of belden hem zelfs. Ik kan me hun verdriet al niet eens voorstellen. Omdat ik het verdomme zélf ook zo erg vind. Voor de wereld, voor de mensen, voor mezelf. Voor een wereld die zelf zo weinig troost en hoop biedt.

Ik was iemand. Niet Iemand, maar wel iemand. Rondom hem was iedereen iemand. Zijn ogen bekeken je zoals een kind naar een volwassene tuurt. Verwonderd, respectvol. Je deed er toe. Uiteraard was hij ook kritisch. Maar de liefde voor de mens, de natuur en de aarde hing om hem heen. Zoals de dranklucht om de andere aanwezigen hing.

Want het was, boven alles, een idioot lieve jongen. Zijn columns kwamen uit een teder en nieuwsgierig jongenshart. Alsof geen enkele klap van het leven écht raak was geweest. Alsof hij alles fris als een kind, en tegelijkertijd melancholisch verlangend naar een tijd die hij nooit gekend heeft, bezag. Zo’n man waarvan je je verwonderd afvraagt hoe hij het tot hier gered heeft. Een anomalie. Een sneeuwbal in de hel. Een man die je daardoor onmiddellijk wil beschermen tegen die wrede wereld. Het rondwandelend kind in onszelf.

Ik zal nooit meer een Zone09 openslaan en die ontroerend dwaze smoel zien. Naast een stukje waar hij uiteraard weer met Rocky op het terras zat. En waar Rocky natuurlijk relativeerde waar Vos zich zo druk om zat te maken. Of waar Vos een flinke dosis romantiek in de starre opvattingen van Rocky bij goot. Rocky, god, ja. Voor hem moet het verschrikkelijk zijn. Voor ons allemaal moet dit verschrikkelijk zijn. We zitten nu even allemáál in ons eentje op het terras. Te wachten tot Vos toch daar in de verte aankomt.

Tegen de dood, daar moest hij verdomme tegen beschermd worden. Zo iemand zou verplicht in de wereld moeten blijven. Iemand die zó onvervangbaar uniek is, mag niet weg. Simpel. In het café dronk ik gisteravond grote hoeveelheden bier op Vos, en brulde dat ik het niet accepteerde. Gewoon: nee. Nee, Vos. Niet akkoord. Jij hebt mijn toestemming niet om dood te zijn. Kom dus maar gewoon terug, verdomme. Kappen met die onzin. Luc De Vos is niet dood. Als we nu allemaal besluiten het niet te accepteren, dan heeft hij geen keus !

Ik kan, ik wil deze tekst een jaar niet zien. Ik ga hem herlezen wanneer hij automatisch op mijn site verschijnt. Als een tijdcapsule die geopend wordt. En dan hoop ik dat ik lach, om de dwaasheid. Want natuurlijk was het een grap, en was Luc De Vos niet dood. Haha, gekke René. Jij bent er ook al in getrapt. Sukkelaar.