Dingen kunnen


Verhaal door René van DensenBronstig zingen powertools enkele huizen verderop hun productieve paringsliederen terwijl ik weer eens, met een koffie in de hand en pantoffels aan de voeten, over het pleintje voor mijn huis staar. Aan de andere kant van mijn straat zingen politie- en brandweersirenes hun repliek. Het is een kakafonie van menselijk kunnen en ze kunnen er wat van.

Ik ben vandaag niet zo zeker van de dingen die ik denk te kunnen. Dat kan gebeuren. Zo ben ik veel dagen best vaardig in het uit elkaar houden van mijn extreem eenkennige poes en de hondsbrutale, speelse jonge kater van mijn buurman, die haar tegen beter weten in de ganse dag hallo komt zeggen. Rennend, paniek zaaiend bij mijn gillende kat. Vandaag trekt hij zich niets van mij aan, ben ik duidelijk niet imposant. Kunst, met al dat lawaai in de buurt kan ik er moeiteloos nog bij.

Concentreren kan ik me vandaag ook al niet. Ik sluit de deur en strek me uit op het tweepersoonsbankje in mijn woonkamer. De kat springt direct op schoot. Ze herkent wanneer ik het allemaal even iets minder aan kan. Ik spreek tegen haar: “Ik kan het heus wel hoor, poes.” Ze knikt niet maar oogt toch beamend. “Als mensen me nu iets minder lastig vielen met die onpraktisch praktische zaken en ik me gewoon kon richten op de dingen die ik kan, dan zou ik ze misschien nog beter leren kunnen.” Poes knijpt de ogen eens bijeen. Ze spint. Dat betekent dat ik gelijk heb.

Plots zwijgen de powertools en begint een man luid te schreeuwen. Het lokt de sirenes aan. Oorverdovend jagen ze door mijn straat en ik vergeet wat ik ook alweer aan het denken was. Een slok koffie dan maar. En zo weer verder. We doen wat we kunnen, immers.

Pet


Verhaal door René van DensenIk leg een pet voor mij op het trottoir en ga gehurkt zitten. Dan kraak ik mijn knokkels en begin te schrijven. De mensen lopen door, naar hun werk, druk in de weer met prikplankjes voor hun neus. Sommigen praten tegen de prikplankjes, vertikaal op hun hand. Niemand beweert dat wat ik doe geen werken is, maar hun wegkijken spreekt boekdelen.

Al dagen achtereen schrijf ik me hier suf, maar de opbrengsten vallen tegen. Een zeldzame lezer gooit soms net genoeg in mijn pet dat ik ergens een bescheiden broodje kan halen, daar houdt het mee op. Toch zit ik hier flinke werkdagen te schrijven. Sommige mensen stoppen en kijken even toe, mompelen dan dat hun zoontje van acht dit ook kan schrijven en lopen door. Ze lopen opvallend vaak een friettent twee deuren verderop binnen en komen dan met een frietje met mayonaise naar buiten. Ik vraag me af of hun zoontje van acht ook een frietje mayo kan maken.

Een heel blije man komt een euro in mijn pet gooien. Ik knik dankjewel en schrijf verder. Maar zo makkelijk kom ik er niet vanaf. Hij vraagt of ik ook verzoekjes schrijf. Iets van Kluun of zo. Of Joubert Pignon. Of Toon Hermans. Ken ik Toon, vraagt hij. Ik knik maar zeg dat ik alleen mijn eigen verhaaltjes en gedichten kan schrijven. Hij snoeft. Dan pakt hij zijn euro uit mijn pet en stampt verontwaardigd weg. Hij roept tegen voorbijgangers dat ze mij geen geld moeten geven, dat ik een charlatan ben, dat ik mijn beloften niet nakom. Dan loopt ook hij de friettent in.

Een man in stropdas kijkt toe. Hij werpt een schaduw over mijn schrijven wanneer hij mij ongevraagd advies toebromt. De man blijkt bij de NS te werken. Hij ging over de omroepen. De man zegt dat hij het woordje ‘en’ geautomatiseerd heeft. Dus als u hoort: “De trein naar Breda en Rotterdam Centraal en Den Haag Centraal,” dan was hij verantwoordelijk voor het woordje en. De man klinkt erg trots. Hij zegt dat hij de Spoorwegen minstens achtendertig miljoen euro bespaard heeft met de automatisering van het woordje en.
Hij schraapt zijn keel en kijkt me aan. Ik kijk terug. De man zucht even en zegt dat ik misschien ook aan automatiseren moet denken. Dat ik daar enorm kostenbesparend mee kan werken. Als ik bijvoorbeeld alleen het woordje en al automatiseer, zegt de man, zou ik schrikken van de hoeveelheid geld die me dat uitspaart.

Ik geef niet automatisch antwoord.

Schouderophalend loopt de man ook naar de friettent. Even later stapt hij weg met een frikadel speciaal.

De dag zit er weer op. Ik pak mijn pet op en stof hem af. Twee euro veertien cent. Voor elf uur schrijven. Ik heb slechtere dagen.

Als ik weg wil lopen, tikt iemand op mijn schouder. Een gitarist. Lang haar. Hij wil weten wat ik voor mijn pet wil. Hij biedt tien euro.

Ik twijfel. Eventjes. Dan geef ik de gitarist een en, knik hem vriendelijk aan, zet mijn pet op. De zon schijnt nog net als ik huiswaarts slenter.

Dingen doen


Verhaal door René van DensenIk moet dingen doen, zeg ik tegen het spiegelbeeld. Dat krijgt spontaan grijze haren van alle dingen die ik moet doen. Ik slurp koffie en de spiegel slurpt mee. Buiten twijfelt het weer er ook op los.

Mijn kat weet het allemaal wel. Dat ik dingen moet doen, en zij vooral niet. Het fijnst is als ik bij de dingen die ik moet doen, toevallig op de bank lig. Dan kan ik multitasken als kattenbed en Persoon Die Dingen Doet. Dat tweede stoort haar dan veel minder. Zonder zelfwarmend kattenbed bied ik haar niet de ultieme Nietsdoen ervaring. Dat laat ze dan merken. In zekere zin is ze dan, miauwend, ook Dingen Aan Het Doen. Zo houden we elkaar bezig.

Ik til mijn shirt op en controleer mijn borsthaar. Er zijn weer nieuwe grijze en witte bij. De jeugd verlaat mijn lijf. De jeugd waarin je onbezorgd Dingen Doet En Laat. Alles is belangrijk en niets is belangrijk in je jeugd. Plots ben je ouder en heb je grijze en witte borstharen en Moet Je Dingen Doen die je steeds minder belangrijk vindt. Misschien word ik een kat. Langzaam maar mogelijk.

Ik miauw tegen mijn kat. Het klinkt verrassend geloofwaardig. De kat kijkt verschrikt rond. Een andere kat, in een ruimte waar er zojuist nog geen was, dat verstoort ook al haar Nietsdoen. Ik probeer geruststellend te spinnen. Dat gaat nog niet geloofwaardig. De kat kijkt me geschrokken aan, sist, en rent de trap op.
Ik strek mijn benen uit. Dat het spinnen nog niet lukt is niet erg. Ik hoef niet inééns een kat te worden. Rustig aan. Dan hou ik nog wat te Doen over.

Zin


Verhaal door René van DensenOok vanavond heb ik weer eens een schrijver te logeren, die bevriend is, een bevriende schrijver zogezegd of zogeschreven, zoals er de laatste maanden wel meer in mijn logeerbed verbleven hebben, waarbij mij altijd een beetje de twijfel bekruipt of ze hun schrijvende vriend komen bezoeken of de mooie en interessante stad waar hij woont waar toevallig iemand met een relatief goede inborst hen wel een gratis slaapplek verstrekt, maar dat zou te toevallig zijn aangezien de bevriende schrijvers van zeer verschillende karakters en stijlen zijn, zoals de ene schrijvende vriend die ik laatst op bezoek had die alles wat er gezegd en gedaan werd, in een zakboekje noteerde, en een andere vriend die heel vaak vind dat ik veel te veel woorden gebruik als ik iets wil zeggen, dat mijn zinnen vaak ook te lang worden, waar ik zelf niet zo veel van merk maar misschien verklaart het waarom ik relatief weinig lezers heb, en dat soort gesprekken en overpeinzingen leiden er dan weer toe dat ik uiteindelijk over schrijven ga schrijven, een fout die veel schrijvers maken en die ik zelf ook verfoei maar als je zoveel met schrijven bezig bent in je hoofd hou je weinig anders om over te schrijven dus dan schrijf je over schrijven en niet over niet-schrijven, dat schrijf ik je op een briefje, al probeer ik best nog wel eens in de gesprekken met bezoekende schrijvers het gesprek over een andere boeg te gooien, maar ook zij zijn de ganse dag met schrijven bezig natuurlijk, dus die boegen niet zelden doodleuk het gesprek weer terug, waarop ik hen meestal dan maar bier aanbiedt om hen te doen zwijgen, want al dat spreken over schrijven, daar wordt een mens ook niet gelukkiger van, meen ik toch, en dat spreek ik heel af en toe ook wel eens uit, mogelijk zelfs vanavond, tegen de schrijver die komt logeren, waar ik nog ooit eens briefwisselingen mee schreef over een keer dat ik bij zijn editie van De Sprekende Ezels zou gaan optreden als dichter, in zijn stad, en nu is hij in mijn stad, om hier bij De Sprekende Ezels te gaan optreden, en hij zal waarschijnlijk verwachten dat ik wel mee ga, maar eigenlijk zie ik hem nooit bij mijn optredens dus ik twijfel nog enorm, en om de twijfel weg te nemen kijk ik of andere vrienden van me misschien mee willen, vrienden die niet de ganse avond over schrijven gaan praten, maar met wat rondvragen blijken bijna al mijn vrienden schrijvers te zijn, wat wellicht ook verklaart waarom ik zoveel schrijvers te logeren krijg, en ik moet dus mijn vriend, de schrijver, teleurstellen zodra hij aan mijn poort staat en vraagt of ik mee ga.
Ik zeg dat ik geen zin heb.

Fostia


Verhaal door René van DensenIk kus mijn vriendin. Ze zegt “sst,” want ze zit helemaal in de film die we kijken. Ik kijk de film mee en zeg: “O, dit is die Duitse film, Fostia.” Boos kijkt ze me aan en zegt: “Nee, dit is die Amerikaanse film Fostia.” Ik twijfel even welke Fostia we aan het kijken zijn. Dan bedenk ik me dat we in bed liggen. Nooit, nooit kijken we films in bed. “Oh nee he,” tetter ik boven het geluid van één van de twee Fostia’s heen. “Wat is er ?” vraagt mijn vriendin. “We zitten in een droom,” mompel ik. “Echt ??” vraagt mijn vriendin. Ik knik en sta op. Met een haastig aangetrokken broek en T-shirt loop ik het huis uit.

Op de stoep roep ik tegen passanten dat we in een droom zitten. De mensen lopen met een boog om me heen. Ze vinden me raar, sommigen zelfs gevaarlijk. Het kan me niet schelen, zolang ze maar weten dat we in een droom zitten, potdorie. Om de hoek loop ik mijn vriend Robbbert tegen het lijf. Robbbert is kunstenaar. Hij kijkt me wazig aan en vraagt wat er is. Ik zeg dat we in een droom zitten, “O, interessant,” zegt Robbbert. “Kom, vertel me er alles over. Maar eerst heb ik een vriendendienst van je nodig.”
Robbbert is een goede vriend die eigenlijk nooit iets al te onredelijks vraagt. Vaak vind ik het eigenlijk best grappig. “Voor jou alles, Robbbert,” zeg ik. “Maar we zitten wel in een droom, dus pas op.” Robbbert zegt dat hij zal oppassen. Onderweg naar zijn atelier vraag ik of hij de Fostia heeft gezien. “Ja,” zegt Robbbert. “Gewéldige Franse film was dat.”

In zijn studio wijst hij me op een gebouwde kooi. De kooi is klein, één bij één, met een stoeltje erin. Hij zegt dat hij bezig is met een kunstwerk waar steeds een vriend een dag lang met bijna niks in de kooi gaat zitten. En dan komen mensen kijken. “Het mag ook een uur zijn, het is in ieder geval niet lang,” haast hij zich te zeggen. Maar mij is het prima, ik wil best eens proberen of ik een hele dag zou kunnen.
Ik vraag wat er wel en niet de kooi mee in mag. “Geen eten, dat krijg je,” zegt Robbbert. “En bijna geen spullen, gewoon een beetje kleren. Je moet je eigenlijk weer een beetje voelen alsof je in het wild aan het overleven bent, dus geen telefoon, geen portemonnee, geen sleutels, geen gereedschappen, geen schoenen.”
“Ik vind het een raar kunstwerk Robbbert,” zeg ik tegen Robbbert. Robbbert knikt. “Ik ook eigenlijk wel een beetje,” zegt hij weifelend.

We gaan eerst naar een ander kunstwerk dat nog in de maak is kijken, in een ander deel van het atelier. Daar zijn heel veel kunstenaars druk dingen aan het maken. Ze zien er allemaal hongerig uit. Tegen elke kunstenaar zeg ik dat we in een droom zitten. Ze lachen en kloppen op mijn schouder, gaan dan hoofdschuddend verder. Robbbert prutst wat aan zijn nieuwe kunstwerk, een soort papier maché kubus. Het duurt mij erg lang. Ik zeg dat ik wel moet gaan straks. Robbbert zegt, “oh, dat is goed, dan gaan we naar de kooi.”
Een vriend die onlangs kwam logeren en verhalen schrijft, komt toevallig net door het atelier gelopen. Gehaast begroet hij ons, hij moet een lezing geven. “Even,” zegt hij. Hij hoort dat we naar Robbbert’s atelier gaan en zegt dat hij dan zo ook wel even langs komt. “Gezellig,” zegt hij, “dan drinken we een biertje of zo.” Robbbert kijkt bedenkelijk: en zijn kunstwerk dan ? Ik ben het er ook niet mee eens, alles voor de kunst. Terwijl de vriend zich haast lopen we daarom stevig door.

Ik werp ferm al mijn bezittingen af en doe mijn schoenen uit. Ik ga de kooi in, klaar om het kunstwerk serieus te nemen. Een dag in een kooi van één bij één kan echter wel koud worden, denk ik. Ik vraag of ik de slaapzak uit de hoek van het atelier mee mag pakken. Robbbert twijfelt maar zegt, “als je dat wilt, moet je het doen. Ik zou het niet doen,” zegt Robbbert,” maar het is nu eventjes jouw kunstwerk, dus doe maar.” Ik besluit de slaapzak mee te nemen en sla hem in de kleine kooi om me heen.
Dan zie ik dat ik het fout heb begrepen. Ik begrijp eigenlijk alles altijd fout. Aan de kooi grenst een grotere kooi. Ik zal daar wel moeten zijn, denk ik, en laat de slaapzak achter. Er liggen grote brokken piepschuim als apenrotsen verspreid. Ik verstop me even achter één rots om rustig rond te kijken. Voor hetzelfde geld heeft Robbbert bedacht dat dit wel een heel leuk kunstwerk is als hij mij en een tijger samen in een kooi stopt. Je weet het nooit helemaal met Robbbert.

Middenin de kooi zit een oudere vrouw. Ze kijkt verward rond.

Ik uit een rare oerschreeuw en verstop me direct weer. Haar ogen schieten rond maar ze ziet mij niet. Dan klinkt er uit de andere hoek ook een gil, en een jongere vrouw, zonder schoenen, springt tevoorschijn. Ze danst als een wilde aap rond de bange vrouw, de echter blij kirt. “Oh, wat goed,” roept de vrouw uit. Ik snap de bedoeling even helemaal niet meer, dus kijk ik wat rond.
Er is al bezoek rond de kooi aan het kijken. Robbbert kijkt, temidden van het publiek, geconcentreerd naar de voorstelling. Hij heeft zijn handen gekruist. Iemand verliest zijn flyer van de voorstelling in de wind en die waait de kooi in. Het ding wappert naast de twee vrouwen, de een nog steeds zwaaiend en huppelend rond de kirrende vrouw. Ik snaai de flyer uit de lucht en lees even.

Er staat op de flyer dat de voorstelling als een droom aanvoelt. En rondom het oergevoel draait, dat het publiek als het ware moet krijgen. Ik denk, “oke,” en werp me vol in het spel. De jonge vrouw en ik gooien poep naar elkaar en gillen wat af. De oudere vrouw klapt in haar handen en loopt de kooi uit, waarna een man met een stropdas de kooi in mag. Wij apen lustig voort.
Zo lustig zelfs dat ik op een bepaald moment verbaasd kijk naar het rotsblok waar ik achter zat. Mensen hebben het rotsblok omgekeerd en zijn die als tafel aan het gebruiken. Er staat drank, er zijn drukke gesprekken over de betekenis van het kunstwerk, de gestegen olieprijzen en de nieuwe Pokémons bezig, en niemand let meer op mijn apengedrag. Robbert staat nu naar de mensen aan tafel te kijken. Buiten de kooi komt mijn schrijvende vriend staan, maar die is iets aan het teksten op zijn telefoon en kijkt niet op.

Ik besluit dat ik genoeg gekunstwerkt heb als het toch niemand interesseert. Stil trek ik mijn schoenen weer aan en doe ik mijn andere spullen in mijn broek. Ik laat het geroezemoes achter en loop het atelier uit. Even kijk ik om. Niemand volgt. De hele straat is leeg. Uit het atelier klinkt lawaai alsof er al honderden mensen bijeen zitten. Ze hebben het supergezellig.

Ik slenter naar huis door stille wijken en loop het huis van mijn vriendin terug binnen. Teder kus ik haar schouder. “Net op tijd,” zegt ze. Ze had besloten toch die andere Fostia maar te gaan kijken, het Japanse origineel dus, en de film begon net. “Mooi,” zeg ik. “Zolang je zometeen maar niet vergeet op te staan.” Dat vindt ze acceptabel.

El Cappo


Verhaal door René van DensenMijn vriendin kijkt geamuseerd naar haar prikplankje. “Ik weet nooit waar ze wonen,” begint ze.
Ik vraag wie er waar wonen.
“Ja nou, die mensen op Facebook,” vervolgt ze.
Die wonen allemaal bij elkaar in één reusachtig studentenhuis, vertel ik. Ze lacht wat schamper en vervolgt.

“Maar deze man hier dus he, die heeft nu dus een selfie van zichzelf op de bank. En altijd met een cappuccino. Dus nu met zijn vrouw en kinderen, ‘het is Cappuccino Time ! Bam.’ En dat zegt hij dus elke keer.”
Elke keer ? Vraag ik verbaasd.
“Ja, kijk, hier is hij bij het zwembad, Cappuccino Time, Bam. Bij de garage met zijn auto, Cappuccino Time, Bam. Net uit bed, Cappuccino Bam.”
Ik grinnik wat. Spelt hij cappuccino wel juist, vraag ik.
Ooit had ik een lief die er een hekel aan had als mensen cappuccino fout spelden. Dus sindsdien let ik automatisch overal op of cappuccino goed gespeld is.
“Twee cees, twee pees,” zegt mijn lief. Ik knik goedkeurend.
Ik besluit dat de man vanaf nu El Cappo heet.
“Maar ook steeds dat Bam ! erbij,” vervolgt ze onverstoorbaar. “Waarom doet hij dat ?”
Ik zeg dat hij het waarschijnlijk expresso schrijft. Ze lult er over heen.
“Hier ook, Kerst, Cappuccino Time, Bam. En honderdachtendertig mensen vinden dit leuk. Waarom vinden mensen dit leuk ?”
Ik zeg dat het geruststellend is. Om de tijd te weten. Blijkbaar is het Cappuccino Time. Ik zie al voor me dat wanneer de man een belangrijke verjaardag viert, aankomt met een speciaal boek, getiteld Cappuccino Time, met al die selfies ingebonden.

Mijn vriendin begint grapjes mee te maken. Maar ineens luister ik niet meer. Ik wil nu dat boek. Ik wil het boek Cappuccino Time, selfies met Cappucino. Bam, op mijn koffietafel. Van El Cappo.
En ik heb zin in koffie om kwart over elf ’s avonds.

Pen


Verhaal door René van DensenIk heb een bevriende schrijver te logeren. Hij is meer dan een vriend, ik beschouw hem als een broer. Bijna. Hij mij iets minder, maar hij vindt het oke dat ik dat vind. Dat scheelt enorm.

Hij schrijft alles op wat er gebeurt. Ik moet geheim houden dat hij met een dagboek bezig is dat gepubliceerd gaat worden. Ik beloof niets. Niet voor niets type ik nu deze woorden. U weet er alvast van. Bofkont dat u bent.

De bevriende schrijfbroer heeft prachtige fictie geschreven, maar voor zijn dagboek wordt serieus geld neergeteld. Mensen willen geen verzinsels meer. Er is een president in America die daar langzaam het monopolie op heeft. Binnenkort wordt zijn patentaanvraag op fictie goedgekeurd. Mensen willen waarheid, zelfs verzonnen. Van bijna naakte mensen op een eiland. Of van mensen samen in een huis. Dat willen de mensen. Geen verhalen meer.

Hij schrijft heel veel wat ik zeg, op. Ik zeg iets, hij schrijft. Ik zeg nog iets, hij schrijft iets dat veel langer is dan wat ik zei. Ik raak aan de praat met een Brit en vertel hem van mijn optreden vanavond. De Brit wil er wel heen. Ik zeg dat ik hem wel instructies geef naar de locatie en voel mijn zakken. Ik heb geen pen.

Ik vraag mijn vriend om zijn pen en schrijf de instructies op. Mijn vriend kijkt beteuterd. Ontmand. Hij kan nu niets schrijven. Hij moet alles onthouden tot hij weer kan schrijven. Ik zet tergend langzaam alle woorden op het bierviltje en maak de richtingaanwijzingen zo gedetailleerd mogelijk. Het bierviltje heeft vrij veel ruimte.

Mompelend gaat mijn vriend een biertje bestellen.

Onscherp


Verhaal door René van DensenIk heb de laatste tijd een nieuw talent ontwikkeld. Een manier om serieuzer genomen te worden door de mensen. Ik ben eerst heel onscherp in beeld als je me ziet, en word langzaam scherper terwijl ik met een strak gezicht naar je toe draai. Op het scherpst kijk ik je pas rechtstreeks aan. Het werkt wel.

Edoch is het even oefenen, kan ik je zeggen. Je hebt het niet zomaar te pakken, dat onscherp zijn. Het concept heb ik niet van mezelf, dat heb ik van die superserieuze internetfilmpjes. Waarin meisjes in hoofddoeken of kindjes het ook doen, vanuit onscherp beeld met strak gezicht het hoofd naar je toe draaien. Ze zeggen niets. Dat hoeft niet. Wat ze zouden willen zeggen, zou stom klinken als ze het hardop zouden uitspreken. Hun taak is simpel: onscherp, strak gezicht, aankijken. Om toch iets te zeggen, verschijnt er dan tekst naast of onder hun hoofd.

Dat van die tekst, dat wil nog niet helemaal lukken. Ja hallo, ik was al best trots op dat onscherpe. Probeer jij maar eens te blurren. Toe dan. Hup hup. Nee he ? Valt niet mee he ? Dus. Met je kritiek.
Maar die tekst lukt dus nog niet. Er komt nooit helemaal uit wat ik wil. Nu is het nog een beetje lukraak, wat er naast mijn hoofd verschijnt. Zoals ‘Vergiet nachtkastje abstractievermogen’ of ‘Baksteen fondue appelbediening’. Ja ik weet ook niet wat die dingen betekenen. Niets, denk ik.

Om niet teveel voor schut te staan, oefen ik in de fietsenstalling. Ik blur me daar suf en probeer mijn teksten te verfijnen. En zo kom ik langzaam in beeld, met naast mijn kop de woorden ‘Tandenmond stil achter’. Een vrouw die net haar bakfiets uit het rek haalt, kijkt mij aan. In haar bakfiets zit een pop die net zo groot is als een echt mensenkind. In een kinderzitje. Bijna verlies ik mijn concentratie door die crash test dummy in de bakfiets. De vrouw kijkt me vurig woedend aan. “Doe niet zo vaag,” bijt ze me sissend toe.

Praaivassie


Verhaal door René van DensenDe zaal zit vol. Voor pakweg de helft met jonge, intelligent geklede jongmensen. Pakweg de andere helft zijn mensen die uitstralen vroeger rebels geweest te zijn. Die helft kijkt ongeduldig op hun rolexen. En strijken eens door hun creatieve, ogenschijnlijk massaal bij dezelfde kapper verworven haardos. Ik heb gaten in mijn jas en luister wat muziek op mijn oortjes. In de momenten tussen liedjes hoor ik vaag Guns n’ Roses en Bon Jovi.

Mijn voornaamste motief om naar lezingen te gaan is om me dom te kunnen voelen. Het publiek maakt dit mij met hun gesprekken niet makkelijk. Sommige mensen zwijgen, gelukkig, en prikken op hun belplankjes. Regelmatig zwaait iemand die nog een plek zoekt, in mijn richting. Vaak weet ik zeker dat ik de persoon niet ken en blijkt het inderdaad jegens een achterbuur.

Ik trek verveeld aan een gat in mijn jas. Wanneer begint het nou ? Het is een hele avond over praaivassie. Praaivassie is blijkbaar of heel leuk of heel interessant, want de zaal is ruimgevuld. Eindelijk dimmen de lichten. Een man naast mij verstuurt een bericht dat ik per ongeluk heb gelezen dat hij met iemand anders best hierna wel wil afspreken maar dat het steeds moeilijker uit te leggen is thuis. De jongen in de rij voor mij verzekert zijn baas per sms dat hij hard aan de slag is en dat de deadline gehaald gaat worden.

De sprekers beginnen met het gekscherend ontmaskeren van enkele aanwezigen, over hun voorkeuren of verleden. Kunst: je moest je met naam registreren voor dit evenement. Maar het amuseert de mensen enorm. Dan volgen er allerlei toespraken en debatten. Een filosofische jonge vrouw begint aan een heel lang verhaal over de verschillende filosofische definities van filosofische opvattingen van het filosofische begrip vrijheid. Ik weet meteen weer waarom ik gestopt ben met filosofie te studeren.

Omdat ik wat weg begin te soezen, pulk ik nog wat aan de gaten. Zacht kraakt de stof. Harder als ik harder pulk. Ik kan al snel mijn hele hand in één zak steken. Een andere buurman kijkt op zijn prikplankje naar video’s van een vrouw en kinderen die spelen. En een andere man. Hij vertrekt geen spier, kijkt strak naar het schermpje. Op het podium onthult een hacker wat hij allemaal van het aanwezige publiek heeft opgepikt via hun prikplankjes en klapdoosjes. Ik steek mijn arm dieper in mijn jas. Als ik nog wat verder aan de stof trek…

Langzaam, zo onopgemerkt mogelijk, steek ik mijn arm tot mijn schouder in de voering. Dan mijn hoofd en andere schouder. Steeds dieper kruip ik in de jas. De zolen van mijn schoenen trekken het gat nog iets groter achter me, maar dat deert niet. Ik zit diep in de jas. Helemaal opgerold. Ik doe mijn oortjes in. Muziek harder. Ik kijk of ik nog dieper kan kruipen. Dat kan. Sterker, er komt geen eind aan. Ik kan doorkruipen en doorkruipen. Alles wordt steeds donkerder.

In de verte hoor ik mijn kat zacht en ongerust miauwen. Ik kan niet wachten om uit de jas te komen. Honderduit zal ik haar vertellen over mijn belevenissen in de jas. In mijn praaivassiejassie.