preloader

Kaftloos

Rocky

“Hij doet niks hoor,” zegt de man zo goeiig mogelijk. De kleine hond gromt. Met een soort van hortend blaffen. “Dat is gewoon angst,” zegt de man. “Wij hebben dat beestje nu, hoe lang, lieverd ? Een maand, ongeveer. Ja, een maand. En je weet niet hoe die behandeld is geweest op zijn vroeger adres hè. Maar die heeft schrik van alles en iedereen, dus het zal niet goed zijn geweest.”
Lees meer

Barst

Ik weet niet eens wat er gebeurd is, maar ik zit alles weer te lijmen. Schijnbaar is het poëzie-evenement van dit weekend (inclusief vanavond) in gevaar. Lees ik vóór ik kan vertrekken. Mensen in onmin. Altijd goed. Maar daarnaast nog is mijn bril verbogen en bekrast. Ik ben mijn hoed kwijt. Mijn fietshandschoenen zijn er maar half: links, om precies te zijn. Kortom: het is duidelijk weer vrijdag.
Lees meer

De Tilburgse Dood

Hij was veel schrieler dan ik verwacht had. Een beetje sukkelig. Zijn pij zat ook niet goed. En die zeis… Duidelijk nooit goed onderhouden. Roest, inkepingen. Waarschijnlijk zo bot als wat. Je vraagt je bij zo’n aanblik toch direct af wie hem heeft opgeleid. En of een dagje extra training niet wat rijpere vruchten had afgeworpen. Maar goed: hij was er nu eenmaal, en hier moesten we het mee doen.
Lees meer

Tussen twee regels

Hij is tussen twee regels blijven steken, mijn romanpersonage. Een geschreven regel en een ongeschreven regel. En nu reikt hij weifelend naar het rolletje toiletpapier. Het is nog maar een dun rolletje en de dag ervoor kenmerkte zich met afwisseling van koffie en bier. Een dieet dat zich zojuist danig heeft laten gelden. Het papier gaat niet voldoende zijn, vreest hij. Hij kijkt rond in het toilet maar dit blijkt ook de laatste rol. Met een zucht doet hij zijn best met wat hij voorhanden heeft. Lees meer

Adoptievis

Ik loop met een vis door de stad. Het is een adoptievis. Iemand met een lekke vijver waar een reiger alle vis al uit gevangen had, trof de vis aan bij het legen. Heel de horrorwinter overleefd. De vis is dik. Een taaie rakker, kortom. De adoptievis overleeft misschien zelfs de vijver in mijn tuin dus nog wel.
Vanaf een terrasje roepen wat bekenden mijn naam. Ik zwaai en roep dat ik niet kan stoppen, dat ik een vis achterop mijn fiets heb. De terrasmensen kennen me en niets verbaast ze meer. Ik loop door.
Het verbaast me dat ik middenin de spitsdrukte de vis relatief veilig kan vervoeren. De stoep ligt schots en scheef dus het water klotst vervaarlijk. De vis lijkt zich om niks te bekommeren.
Ik zie de Grote Literaire Gast van mijn stad over straat lopen. Ik ken hem niet maar herken hem direct. Hij ziet mij maar met een halve blik. Nog geen half oog voor de gele emmer met klotsend water op mijn bagagedrager. Hij loopt het meest voor de hand liggende schrijverscafé binnen terwijl ik doorklots. Schrijvers die nieuwsgierig zijn, het is een uitstervende soort.