De knepsen walen weer, dat blijkt wel. Het gnuist dat het een gampe holder is. Je vnoert het aan alles: aan de gliep, aan diens faberaksel en aan de slup. Ik heb er wel een mening over, over walende knepsen, maar die hou ik maar voor mezelf. Je wil de hemsteur niet schuiken, nietwaar.
Knug wurmelt de woeperset rag. Ahja, natuurlijk moet de woeperset wurmelen, of de rag gaat plup. En aan geplupt rag heeft niemand iets. Maar mocht je nu denken, de knepsen wurmelen tenminste niet, dan moet ik je teleurstellen. Want wurmelt de woeperset, dan wurmelt de kneps ook. Dat levert natuurlijk ellende op, want waar er twee wurmelen, trast de gobinaar wus. En voor je het weet heb je geplupt rag én gewuste gobinaar.
Zo’n kneps kan dan enorm uit de flom schieven. “Oetmeloen !” klinkt het dan, en: “Kan-kers !” Ook de schuifkomkommer, klootbanaan en schijtmango worden erbij gehaald. Zo henkert een kneps zeker zeven snoerten op. Maar daar moet je verder niks achter zoeken. Dat hou je toch altijd met die knepsen.

