Er zit kroet in mijn ogen. Mijn huis is leeg op wat koffie en suiker na. Mijn baard is het stadium van hippe stoppels ver voorbij. Ik ben zelf het soort mens waar ik van afvraag hoe die zo kunnen leven. Maar de kroet, die is het ergste. Door de warmte wil het mijn ogen niet uit. Met waterige, kleverige ogen zit ik aan mijn bureau. Met koffie. Me af te vragen hoe mijn leven nog ooit op z’n pootjes terecht moet komen. Ik zou mijn gezicht kunnen wassen. En mezelf dan meteen kunnen scheren. En als ik toch bezig ben, meteen een hele douche. De mogelijkheden zijn eindeloos. De eindeloosheid beangstigt me. Ik besluit te blijven zitten met kroet in mijn ogen.
Het lijkt verdorie steeds erger te worden. Mijn ogen koeken traag maar gestaag dicht. Ik wrijf het aanvankelijk nog eruit, maar na een tijdje stop ik ook daar mee. Men dient soms achterover te leunen en de boel te laten gebeuren zoals het wil gebeuren. Weerstand is zinloos. Het kroet wil blijkbaar groeien. Onwillekeurig vraag ik me af of het zich ook ontwikkelt, of alleen groeit. Stel dat het intelligente kroet wordt. Of, nog mooier, een hele kroetbiotoop. Dat er leven in ontstaat dat zich in rap tempo evolueert. Terwijl ik hier lig. Zoiets wrijf je al zeker je ogen niet uit. Dat mogen de mensen niet van me verwachten. Als je zelf zonodig een bloeiende en ontwikkelende cultuur wilt uitroeien, moet je dat vooral doen. Maar ga het mij niet verplichten.
De kroetcultuur spreidt zich al snel uit over mijn gezicht. De ogen zijn potdicht. Achter het kroet zie ik van de buitenwereld enkel nog wat vaag licht en enkele schaduwen. Ik vraag me af of de kroetcultuur en ik een symbiotische samenleving voor elkaar zouden kunnen krijgen. Dan begint plots de kroet enorm hard te groeien. Echt, in een razend tempo. En het krioelt van het leven. Voor ik het weet ben ik helemaal bedekt. Ik stik. Het is te laat, ik kan er niks meer tegen doen. Ondertussen is de kroet bezig oorlog met zichzelf te voeren. Steeds vervaarlijker ontploffende wapens ontploffen op het kroet, en op mijn huid. Van mij trekt het zich niets meer aan.

