Een kwartier lang vouwen

Verhaal door René van DensenIk nam een diepe slok van mijn halfliterblik bier en een trek van mijn sigaret terwijl onder scherp schijnend lantaarnlicht Bukowski me vertelde van een grote poëet die in een fles piste. Aan de overkant van de straat zag ik een man lopen. Ik maakte geen oogcontact, want het was een andere man. Je wist nooit.

Binnenin de wasserette klonk gepiep. De droger was klaar. Met een zucht gooide ik mijn sigaret op straat, liep naar binnen, parkeerde mijn blik bier op een wasautomaat en gooide mijn droge was op de vouwplank. Ondergoed, sokken, handdoeken, beddegoed. Het was weer zondag. Plots overviel de roep der natuur me en met al het bier dat ik deze zondag al gedronken had, was de roep luid en urgent. Mijn benen kruisen zou niet meer helpen, dus liet ik mijn boek, bier, en gedroogd wasgoed voor wat het was en spoedde me de donkere straat op. De nabijgelegen cafés zouden geen soelaas brengen aangezien de urgentie te groot was en in een natte broek had ik geen zin. Aan de overkant waar zojuist nog de man gelopen had, deed ik mijn behoefte achter een geparkeerde auto. Want ik ben opgevoed met de gedachte dat in je broek pissen toch wel vrij ernstig is, en dus koste wat kost voorkomen dient te worden.

Vanuit mijn ooghoek zag ik een wagen met strepen passeren van links naar rechts en ik dacht, fuck. Een snelle inspectie vanuit mijn net niet schaduwrijke plekje leerde me, jawel, dat was een politiewagen. Ik leegde mijn blaas terwijl ik ze rustig door zag rijden en dacht, als ze maar niet. Zo kalm en nonchalant mogelijk ritste ik weer dicht en liep terug de wasserette in. Nog voor ik mijn beddegoed kon vouwen zag ik koplampen buiten het raam stoppen en dacht, shit, zul je altijd zien, dit.

Twee agenten liepen de wassalon binnen. Duidelijke air van zie ons nu eens. Stopten bij mij, als enige klandizie in de verder verlaten wasserette. Kuchten. Ik draaide me om en staarde ze kalm aan.

“Zagen wij u niet zojuist aan de overkant van de straat ?” Retorische vragen zijn altijd aan mij verspild. Ondanks dat ik een uiterst herkenbaar hawaiian shirt droeg dat ze onmogelijk gemist konden hebben, wilden ze blijkbaar toch bevestiging. Ik antwoordde kalm dat ik mijn was aan het vouwen was en geen idee had waar ze het over hadden. “Maar meneer, we hebben u duidelijk aan de overkant van de straat uw behoefte zien doen.” Is dat zo, antwoordde ik ? Meteen besefte ik me dat de zware bierlucht van mijn zondagsbezigheden met dat antwoord ook hun kant op was gedreven.

“Heeft u soms gedronken, meneer ?” Ik antwoordde maar van ja, want daarover liegen was zinloos. Is het tegen de wet om een pintje te drinken bij de was, stelde ik de wedervraag. De agenten – een mooi Belgisch compromisgezelschap van één vrouw en één jonge kerel die duidelijk nog niet lang in zijn functie was – keken elkaar een kort moment onzeker aan, onvoorbereid op deze vraag. “Neen, maar in de straat urineren is een ernstig vergrijp in deze stad, bent u zich daarvan bewust ?” Ik antwoordde kalm dat ik me daarvan bewust was, en of ik deze vraag als een beschuldiging diende op te vatten.

De agenten poogden hun onzekerheid te verbergen en drongen aan: “Dat was u dan niet, aan de overkant van de straat zojuist, die daar stond te urineren ?” Ze wezen. Uit de schaduw van de auto trok mijn urine enkele dunne streepjes over het asfalt. Ik vroeg met de kalmte en laksheid van een netjes aangeschoten aspirant schrijver hoe zeker ze waren van hun zaak dat ik dat zogenaamd geweest zou zijn. Hun houding verslechterde, want het weerwoord, gecombineerd met mijn nederlands accent, hadden ze toch niet verwacht. Ze leren ze daar ook niets, op die politieschool he. Nog voor ik kon aandringen dat zonder concreet bewijs dat ik al dan niet aan de overkant geurineerd zou hebben, maakte de duidelijk ervarenere agente de zaak kort met een waarschuwing. Ik haalde mijn schouders op en herhaalde van niets te weten. In mijn hoofd waren al hele teksten paraat, tot en met informeren wat het Nederlands Consulaat zou vinden van het zonder bewijsmateriaal in beschuldiging stellen van hun burgers. Maar de agenten maakten zich haastig uit de voeten en kropen terug hun auto in. Ik besloot nog een sigaret en de rest van mijn bier te nuttigen.

Terwijl ik buiten stond zag ik de strepen van onder de auto al de helft van de straat bereikt hebben. Bukowski vertelde me nog even over de grote poëet die nu in een natte goot gevallen was, maar het interesseerde me niet zo. In de verte repeteerde een bandje. Enkel de drums klonken nog helder over de wind. De drums klonken onindrukwekkend. Een prachtige jonge vrouw met wild krullend ros haar liep de wasserette in met billen die door haar jeans heen schreeuwden.

Ik schoot mijn opgebrandde sigaret richting de natte strepen en een auto reed over beiden heen. Toen ging ik naar binnen en vouwde de rest van mijn was op. Ik was al een kwartier aan het vouwen, met al die nonsens die zich af had gespeeld. Ik verliet de wasserette en de twee schreeuwende billen en wandelde voort.

Een jongeman passeerde me aan de overkant van de straat zonder oogcontact te maken. Uit mijn ooghoek zag ik ‘m met een boog rond de pisvlek lopen en omkijken naar mij. Maar hij had geen oogcontact durven maken. Groot gelijk had hij. Ik was immers een andere man, je wist nooit.