
En weer stopt er eentje. Kijkt. Voor zijn gevoel kijken ze allemaal zomaar zijn woonkamer in. Het werkt enorm op zijn zenuwen. Knorrig rolt hij een sjekkie om op zijn balkonnetje te gaan roken. Als die eikel dan nog staat te koekeloeren, neemt hij zich voor, dan schreeuw ik hem weg. Met zijn gekijk. Ga ergens anders kijken, vent. Rot op. Ik wóón hier, ja. Zijn vloeitje scheurt. Inwendig vloekt hij. De koekeloerdert is alweer doorgefietst, maar toch. Allemaal zijn schuld. Agressief pulkt hij een nieuw vloeitje uit het pakje. Dan maar rollen op het balkon.
Kijk, daar komen er weer twee. Moeder en kind. En ja hoor. Stoppen en kijken. “Lees eens een boek !” roept hij kwaad vanaf het balkon. De moeder schrikt. Het kind ook. Snel fietsen ze door. Hij zit er maar mooi mee, de man op een hoog. Nergens om gevraagd. Maar toch uitgevoerd. Nu zit hij ermee, met die kleurige afbeelding op zijn zijmuur. Op iedereens zijmuur. Maar hij is de enige die het ding wanstaltig vindt. En dus is het des te erger wanneer iedereen die passeert, kijkt. Kijkt naar dat wangedrocht op zijn muur. Op de muur van Een hoog. Hij vond het beter toen het nog grijs en vuil was. Beter dan dit verschrikkelijke ‘kunstwerk’. Boos kauwt hij op het einde van zijn sjekkie.
Weer iemand die stopt. “Rot toch op !” gilt hij. “Nog nooit een muurschildering gezien soms ?” De gestopte man lacht. Iemand anders komt nieuwsgierig aanlopen. “Sodemieter allemaal op, stelletje cultuurbarbaren ! Dit is toch geen kúnst !” slaat zijn stem over van woede. Een meute begint zich te vormen. Woedend gooit hij balkonplanten in hun richting, maar zijn armen zijn oud en ze komen niet ver genoeg. De mensen lachen en applaudiseren. Moedeloos vlucht hij naar binnen. Maar de mensen zien hem nog altijd. Reusachtig geportretteerd in de muurschildering. Én door zijn woonkamerraam op een hoog. Tot overmaat van ramp landt er een vlindertje op de kleurige schildering. Ook de natuur is door en door verrot, zie je maar weer.
Dit ZKV verscheen in
“Prozacstad 2: Het houdt niet op”
Tien jaar na het eerste deel van Prozacstad, dat niet speciaal supergoed verkocht en geen rimpels veroorzaakte, vond René van Densen het ineens nodig om een vervolg te publiceren, en er zelfs twee keer zoveel verhalen in te steken. Niemand vroeg daarom, het kwam er toch. Nieuwe avonturen met de Opperpater en andere kleurrijke karakters in het stadje Prozacstad dat eerder een way of life is (alhoewel) dan een fysieke plaats.

