Kluizenaar


Verhaal door René van DensenMijn vrienden vragen steeds vaker, althans, wanneer ze me weer eens zien, waarom ik zo weinig meer in de kroegen en op de feesten te vinden ben. Ik verkluizenaar. En dat bevalt me prima. Het bespaart allereerst bakken vol geld, het zorgt ervoor dat mijn onopvoedbare kat en ik een steeds betere band krijgen, je leert er je echte vrienden door kennen en de rust, mensen, de rust. Man, man. Echt hoor.

Een nadeel is dat je er natuurlijk wel een beetje asociaal van wordt. In de meest letterlijke zin van het woord – al heb ik ook dagen achtereen dat ik mezelf moet dwíngen om ergens die dag eens een broek aan te trekken. Gelukkig heb ik een huisgenoot, die af en toe binnenvalt. Dan gaat hij me dingen vertellen, en daarna zet hij de teevee aan. Die heb ik ook altijd uit, als ik alleen thuis ben. Sommige mensen zouden hier gek van worden, van die stilte. Ik ook. Maar echte stilte bestaat niet. Op het moment dat ik dit schrijf, zijn er, van luidst naar stilst, de volgende geluiden te horen:

  1. Een auto start en rijdt weg. Het is een wat oudere auto, dat kun je horen aan de astmatisiche motor. Sommige auto’s zou ik zo dolgraag een reusachtige inhaler geven, maar ja, dat zal wel enorm in het zicht hangen tijdens het rijden;
  2. Twee mensen praten. Het is maar kort, maar ze hebben goede zin. Mensen met goede zin kunnen moeilijk stil zijn, meestal. Vaak zoeken ze dan óf iemand anders met goede zin, óf iemand met juist slechte zin. In het laatste geval moet die persoon minimaal tot neutraal worden opgevrolijkt;
  3. Een vliegtuig bromt door de lucht. Het zit vermoedelijk vol met vakantiegangers die buiten het hoogseizoen om naar een toeristische hotspot vliegen. Voor de rust. Om écht te genieten;
  4. Een hond blaft. Honden horen meer dan mensen. De hond heeft wellicht iets gehoord dat ik niet gehoord heb. Het lijkt me verschrikkelijk om hond te zijn;
  5. Mijn klok tikt. Geen idee hoe laat het eigenlijk is. Ik sta op, doe vanalles, vooral om mezelf bezig proberen te houden en niet gek te worden. De klok tikt daar allemaal dwars doorheen. Ook heb ik echt nul benul hoe lang geleden ik de batterij vervangen heb. Hij zou dus zomaar een tijdstip in het verleden kunnen aangeven. Een soort getikt tijdreizen. Wel leuk om naar te luisteren en je af te vragen of het ritme nog klopt;
  6. Het toetsenbord van mijn laptop. Ik ratel heel snel. Laatst zei een vriend dat ik schrijf zoals mensen in films schrijven, als ze schrijver of journalist zijn. Hij zat te wachten tot ik met een ‘ping’ mijn laptop van rechts naar links zou schuiven. De ‘ping’ bleef uit. Ik tik inderdaad best luidruchtig. Nu begin ik zelfs te twijfelen of mijn getik niet boven alle geluiden uitkomt. Misschien moet het getik van mijn toetsenbord op 1 gezet worden. Daar ga ik even rustig over nadenken;
  7. Mijn kat is zichzelf spinnend aan het wassen. Ze ligt naast mijn voeten. Daardoor hoor ik haar amper. Vooral haar smaksmaksmak hoor je zo af en toe. Dan spint ze ook luidruchtiger, even. En dan weer lange uithalen met haar tong. Acrobatisch allerlei ledematen in de lucht stekend. Ogen dicht. Plots is ze klaar, vindt ze. Tevreden steekt ze haar neus in haar staart. Dan wordt alles ineens helemaal stil.

Loewak


Verhaal door René van DensenBij de uitgang van het station van zijn stad is mijn goede vriend Joubert Pignon nog blij om me te zien. Zijn warrige blonde haar piekt glunderig in alle windrichtingen. We schudden warme handen. Bijna 24 uur later is het eigenlijk meer lastig dat ik er nog ben. Ik vertrek ook spoedig, zo ben ik wel. Joubert is te lief en te beleefd om te zeggen dat hij liever had dat ik op zou rotten. Om de tijd te doden vertel ik over de Loewak. De loewak is een soort boomkat in India. Ik weet dit omdat mijn huisgenoot in Prozacstad dit op TV keek en ik was er toevallig bij. De kat produceert koffie. Op een bijzondere manier. Hij eet koffiebonen maar verteert enkel de vrucht. Omdat de loewak enkel de lekkerste vruchten opeet, bevat zijn poep de beste geselecteerde bonen. De koffie is heel duur want er moeten telkens bonen uit kattepoep geplukt worden. En ook nog gewassen, hoop ik.

Joubert kijkt me geheimzinnig aan en vraagt me waarom ik over de loewak begin. Een heel wantrouwige blik in zijn ogen. Ik haal mijn schouders op en zeg dat ik het grappig vond toen ik het op teevee zag. Hij blijft me wantrouwig aankijken. Hij vraagt me of ik Timothy Carlton junior ken. Ik zeg nee. Joubert staat op en sluit de gordijnen aan de voorzijde van zijn woning. Daarna die aan de achterzijde. Hij kijkt zijn gang in en sluit de deur. Ik moet koste wat kost, wat hij me nu gaat vertellen, stilhouden, zegt hij. Ik kijk onwennig om me heen. Joubert Pignon is normaal gezien een redelijk open, joviale jongen die weinig te verbergen lijkt te hebben. Hij draait zijn stoel om en kijkt me heel intens aan. Mijn nekharen jeuken. Ik zeg dat het grapje lang genoeg heeft geduurd en dat hij nu wel weer normaal kan doen. Maar hij blijft staren.

“Mijn echte naam is Sjoerd Oortjens,” zegt hij duidelijk en langzaam. Ik lach. Hij kijkt uiterst serieus. Ik stop met lachen. Hij herhaalt: “Ik heet in het echt Sjoerd Oortjens.” Ik vraag hoezo hij dan Joubert Pignon heet. “De loewak gaf me die naam,” zegt hij op dezelfde toon. Ik durf niet te grinniken en zeg dat de loewak toch enkel koffie produceert. “De loewak geeft iedereen die creatief werk gaat doen, een andere naam,” zegt Joubert/Sjoerd. “Hij eet je echte naam en poept je nieuwe naam uit. Zo heet Timothy Carlton junior tegenwoordig Benedict Cumberbatch. Die namen kiezen we niet zelf. Die krijgen we.” Hij blijft me strak aankijken en zegt: “Maar dat wist jij al.” Ik kijk ongemakkelijk naar de gordijnen en vraag me af waarom ik dat al wist. “Wie was jij vóór de loewak ?” schreeuwt hij me toe.” Ik sta van mijn stoel op en zeg dat ik maar eens ga. Hij grijpt mijn arm vast en dringt aan. Ik trek mezelf los en vlucht de deur uit. “De loewak kent al onze geheimen !” schreeuwt hij me na terwijl ik zwetend de straat uitren.

Soundtrack: He knows my name / Ryan Adams

Midzomernacht haat


Verhaal door René van DensenDe benauwde zomernacht kruipt in mijn kop als een gekmakende koorts. Ik onderdruk de neiging om mijn haren af te scheren en schreeuwend in huis rond te rennen. Overal zijn mensen en muggen. Op straat kletsen twee vrouwen met elkaar. Elke klank kerft een brandende snee in mijn humeur. Ze moeten blijkbaar per se voor mijn woning praten. Ik ben gemaakt voor de herfst en de winter. Mijn huid glanst van het zweet. Voor de zeventiende keer dit uur zet ik mijn ventilator aan. En dan weer uit. En de vrouwen maar praten. Beesten fladderen door mijn kamer. Het zijn er maar een paar, maar in mijn kop is het een zwermende plaag. Een mug die zo dom was in mijn zicht op de muur te landen, sla ik dankbaar dood. Ik ben meestal een dierenvriend, maar nu even niet.

Ook mijn kat lijdt. Ze miauwt klagerig. Eigenlijk is het meer een piep: miauwen heeft ze nooit echt onder de knie gekregen. Maar klagerig is het wel. De temperaturen schommelen en ze kan niet zomaar even haar jas aan- of uitdoen. Enkele dagen geleden had ze nog een kleine vlooienplaag. De beten in combinatie met de gifdruppels die ze in haar nek gekregen heeft, doen spasmen golven door haar vacht. Ze kijkt me aan met een blik alsof de verwarming wel uit mag. Ik kan er niet veel aan doen. We hebben het te ondergaan, er zit niks anders op. Gefrustreerd hakt ze naar een van de fladderende beesten, maar puf om er echt op te jagen ontbreekt haar.

De mensen schreeuwen door de nacht terwijl ze naar andere plekken rijden. Brommergeluiden en rinkelende fietsbellen. Een autoalarm in mijn straat maakt een soort fluitgeluid. Ik moet in feite blij zijn dat de luide alarmen afgeschaft zijn. Katten vechten. Mijn kat rent grommend naar het raam. Fietsbellen. Fladderende beesten. Zweet parelt. Stemmen snijden. Ventilator aan. Ventilator uit. Het alarm fluit. Ik wacht, mijn haar in een gefrustreerde staart geknoopt, tot de nacht afkoelt en de stemmen slapen. Pijnlijke bult op mijn arm: één mug heeft toch nog gewonnen. Die pak ik nog wel terug, vertel ik tegen de poes, en zet de ventilator weer aan.

Kroetcultuur

Verhaal door René van DensenEr zit kroet in mijn ogen. Mijn huis is leeg op wat koffie en suiker na. Mijn baard is het stadium van hippe stoppels ver voorbij. Ik ben zelf het soort mens waar ik van afvraag hoe die zo kunnen leven. Maar de kroet, die is het ergste. Door de warmte wil het mijn ogen niet uit. Met waterige, kleverige ogen zit ik aan mijn bureau. Met koffie. Me af te vragen hoe mijn leven nog ooit op z’n pootjes terecht moet komen. Ik zou mijn gezicht kunnen wassen. En mezelf dan meteen kunnen scheren. En als ik toch bezig ben, meteen een hele douche. De mogelijkheden zijn eindeloos. De eindeloosheid beangstigt me. Ik besluit te blijven zitten met kroet in mijn ogen.

Het lijkt verdorie steeds erger te worden. Mijn ogen koeken traag maar gestaag dicht. Ik wrijf het aanvankelijk nog eruit, maar na een tijdje stop ik ook daar mee. Men dient soms achterover te leunen en de boel te laten gebeuren zoals het wil gebeuren. Weerstand is zinloos. Het kroet wil blijkbaar groeien. Onwillekeurig vraag ik me af of het zich ook ontwikkelt, of alleen groeit. Stel dat het intelligente kroet wordt. Of, nog mooier, een hele kroetbiotoop. Dat er leven in ontstaat dat zich in rap tempo evolueert. Terwijl ik hier lig. Zoiets wrijf je al zeker je ogen niet uit. Dat mogen de mensen niet van me verwachten. Als je zelf zonodig een bloeiende en ontwikkelende cultuur wilt uitroeien, moet je dat vooral doen. Maar ga het mij niet verplichten.

De kroetcultuur spreidt zich al snel uit over mijn gezicht. De ogen zijn potdicht. Achter het kroet zie ik van de buitenwereld enkel nog wat vaag licht en enkele schaduwen. Ik vraag me af of de kroetcultuur en ik een symbiotische samenleving voor elkaar zouden kunnen krijgen. Dan begint plots de kroet enorm hard te groeien. Echt, in een razend tempo. En het krioelt van het leven. Voor ik het weet ben ik helemaal bedekt. Ik stik. Het is te laat, ik kan er niks meer tegen doen. Ondertussen is de kroet bezig oorlog met zichzelf te voeren. Steeds vervaarlijker ontploffende wapens ontploffen op het kroet, en op mijn huid. Van mij trekt het zich niets meer aan.

Afspraken


Verhaal door René van DensenHardop spreek ik met de poes af dat ze zich gedraagt. Ik spreek met mezelf af dat ik wakker ben. Ik spreek een heleboel af en nog zonder koffie. Ik zit aan mijn schrijfbureau en de poes gaat naast mijn laptop liggen. Het irriteert me, ook al doet ze het nog zo lief. De achterdeur is open en nu kan ze nog in de tuin rondrennen. Het is net zoiets als de hele nacht: ze had het volledige huis als speelruimte, gaat ze ergens in mijn directe buurt slapen. Mijn poes is enorm clingy. Ze komt ermee weg omdat het zo’n schatje is, en omdat ik af en toe per ongeluk op haar ga staan. En dan klinkt er zo’n paniekerige miauwschreeuw. Het klinkt gemener dan het is: meestal sta ik op haar omdat ze achter mijn voeten is gaan zitten terwijl ik naar de vijver sta te kijken. En dan doe ik een stap achteruit, en hoppa.

Hardop spreek ik met de koffie af dat die wérkt zometeen. Ik mag even echt niks vergeten. Vind ik zelf. Ik kan niet omkeren. Het is een reis. Misschien is het mijn laatste reis. Ik heb tranen in de ogen, maar dat is waarschijnlijk vanwege het vroege tijdstip. Ik voel me niet emotioneel. En toch. Misschien zou ik het moeten zijn. Het voelt als, minstens voorlopig, mijn laatste reis. Hierna is er geen meer in de planning. Ik weet niet meer hoe het verder moet. Niet wat betreft inkomen, niet wat betreft gekke uitwisselingen, niet wat betreft in mijn favoriete stad zijn. Na deze reis volgt het grote onbekende.

Hardop spreek ik met de bus bij voorbaat af dat hij rijdt. Natuurlijk rijdt hij, maar helemaal óm. Er staan allemaal kleurrijke pleziermachines in de weg. Die hebben de komende tijd voorrang. Het is zomer en tijd voor het volkse zwier- en zwaaifeest. Ik kan niet anders dan het verschrikkelijk vinden. Net als het vroege tijdstip, de koffie, deze laatste reis en het feit dat de poes naast mijn laptop gaat liggen. Ik zeg dat de poes van de tuin moet genieten. NU. ze kijkt me dom aan en likt haar vacht. Daar heb ik dan ook weer niks tegenin te brengen.

Stom van me


Verhaal door René van DensenVrolijk lachend werpt ze. Telkens weer een stukje. Ze pulkt het af van haar broodje en gooit het. Naar de gulzig schrokkende duif naast hun tafeltje. De vrouw wordt blij van de schranzende vogel. Ze pulkt nog wat. De duif gooit met zijn snavel het brood in de lucht, in een poging het te scheuren. Het stuitert naast zijn voeten en onmiddellijk slaat de snavel weer toe. Het is een geoefende stadsduif. De vrouw kan nog net het kirren laten, maar ze oogt alsof ze zou willen kirren. Er komt nog een duif toegelopen op het voedselstrooien. Dat spoort de vrouw alleen maar aan tot nog meer broodgooien.

Haar man kijkt zwijgend toe. Hij kauwt op zijn broodje. Met een onverstoorbare gelaatsuitdrukking. Hier zit een man. Geen zin en tijd om vrolijk met kostbaar eten te strooien. Hij eet. Als een echte vent. Niks voor de vogels. Elke hap zal hij zelf doorslikken. Het is verdorie geen speelgoed. Kindjes in Afrika. Hij kauwt strak. Ik weet niet of het broodje smaakt. Aan zijn gezicht is geen plezier af te lezen. En de kruimelstrooiende vrouw is ook geen goede referentie. Misschien is het brood heel erg vies. Zo’n stadsduif is ook geen kritische consument. Die schranzen alles. De vrouw gooit, de duiven pikken en de man kauwt.

Ik kijk toe en wou dat er een verhaal in zat. Net dan komt er een man aan. Hij heeft een briefje in zijn hand. Daar staat enkel op ‘KFC’ en daaronder ‘Markt’. Ik wijs hem de weg naar de markt. Terwijl hij wegloopt, besef ik me dat ik niet gevraagd heb wat er voor belangrijks aan de KFC was, dat hij er zo dringend heen moet. Stom van me. Daar zat dus wel een verhaal in. In plaats daarvan sta ik hier. Met enkel een man, een vrouw, en twee duiven.

Hoempapavogel


Verhaal door René van DensenEen beest waarvan ik blij ben dat die niet bestaat, is de hoempapavogel. Met die ene zin weet ik al bijna zeker dat u, lezer, het met me eens bent. Maar voor de mensen thuis met te weinig voorstellingsvermogen, beeld u een vogeltje in dat carnavaleske schuiftrompetmuziek fluit. ’s Ochtends vroeg, bij het eerste gloren, vanuit de boom voor uw raam, keihard: Hele grote bloemkolen ! Of wanneer u in uw tuin in de zon even bij wil komen van de noeste arbeid, wetende dat de pensioensleeftijd toch nog altijd een eindje vóór u uit ligt, vanuit de struiken: Mien, waar is mijn feestneus….

Maar wie weet, is er wel een hoempapavogel geweest. Er bestaan wel gekkere beestjes. Dat die bijvoorbeeld in vroeg’re tijden al andere dieren de stuipen op het lijf joeg door plots Ja dat is mooi, mooi, mooi man, te schetteren. Dat van pure schrik hele diersoorten uitstierven. Tot men die lawaaipapagaai beu werd en de klauwen ineen sloeg om het beestje uit de dierenriem te knikkeren. Een echte ster word je toch nooit, met hoempapa. Daar moet je toch wel een zoetgevooisd nachtegaaltje voor zijn. In wélk tijdperk deze schetterlijster rondfladderde, dat laat ik graag aan uw verbeelding over. Wellicht joeg hij hordes dinosauriërs over de vlaktes van Gondwana en Pangaea. Met zijn Weet je wat ik wel zou willen zijn.

Of misschien was het in de ijstijd, of ten tijde van het zinken van Atlantis. Schetterde zijn geschaltrompet over het strijdveld van Napoleon. Gooide het allerlaatste exemplaar, vanuit een kooitje, nog tijdens het zinken van de Titanic even De gròzzie van mèn buurvrouw in de mix, met als gevolg het massaal overboord springen van passagiers. Het meest waarschijnlijk, echter, blijft toch wel dat hij niet bestaan heeft. Een fijn gegeven. Toch mooi in elkaar gezet, die realiteit. Je zou het eens per jaar moeten vieren. Gewoon, een paar dagen lang. Al die hoempapaherrie op loeivolume draaien. Omdat de hoempapavogel niet bestaat. Zo, ik hoop dat ik u een stukje meer inzicht in de cultuur van de carnavalsprovincies heb gegeven.

Wamoetje

Verhaal door René van DensenHebt u dat wel eens, dat u ’s ochtends pas negentien minuten op bent ? Zo’n blik geef ik de poes wanneer die moeiijk komt doen. De poes wil iets. Ik kijk morsig terug. Mijn blik zegt: wacht nog maar even, poes. Over korte tijd ben ik beter aanspreekbaar. De poes trekt zich er niets van aan. Miauw, zegt ze. Ik kijk nog wat morsiger want inmiddels is het nog steeds pas twintig minuten. Ik kan beter niet aan rumoer blootgesteld worden. De poes schat mij veel veerkrachtiger in en miauwt indringend.

Wamoetje, brom ik naar de poes. Miauw, zegt de poes. Ik trek een gezicht alsof dat geen antwoord is. Maar de poes snapt de regels van intermenselijke communicatie niet zo goed. Ze trekt een kop alsof het ongelooflijk is dat ik nog niet weet wat zij wamoetje. Zij weet wat ze wamoetje, waarom begrijp ik niet direct wat zij wamoetje ? Miauw, idioot ! Ze draait wat rond mijn benen.

Ik hul mij in veelzeggende stilte. Een bubbel van rust vormt zich en strekt steeds verder uit. Mijn kat deinst er van weg. Ze vertrouwt de stilte niet. Zo te zien miauwt ze paniekerig, maar ik hoor haar niet. Alles valt stil. Ik hoor geen vogels, behoeftige katten of rinkelende telefoons meer. Duister en zwijgend omhelst de leegte me. Ik geniet. In feite zou ik nu dit moment moeten vieren. Ik blaas op een toeter, maar er komt geen geluid meer uit. Potver, denk ik. Sommig geluid is nog wel oké. Ik vraag me af of ik de stilte kan omkeren, of dat alles voorgoed stil zal zijn. Ik vraag aan de zichtbaar maar in stilte miauwende kat: wamoetje. Maar de klank komt niet meer over mijn lippen. Alles is kwijt.

Dorst


Verhaal door René van DensenEen man laat zijn dorst uit. Het is een bijzonder gezicht. Man, dorst. Je ziet het niet elke dag. Samen met zijn dorst slentert hij over de straten. Overal moet de dorst aan snuffelen. De dorst kijkt erg hongerig. De man kijkt slapjes. Misschien laat hij nu al voor de zoveelste keer zijn dorst uit vandaag. Het zou natuurlijk goed kunnen. Zo’n dorst behoeft wel veel aandacht uiteraard.

Ik vraag of ik de dorst mag aaien. Dat is niet verstandig, antwoordt de man. De dorst is niet tam. Hij gromt naar me. Op zich ben ik dol op dorst, maar ze moeten wel een beetje lief voor me zijn. Dus houd ik afstand. Geen dorst voor mij, vandaag. De man wacht, met een doodse blik in zijn ogen, tot de dorst gekalmeerd is. Ik krijg niet de impressie dat hij blij is met zijn dorst. De dorst zal hem wel een beetje aangedaan zijn. Waarschijnlijk is de dorst van zijn vrouw. Of van zijn kroost. En is hij nu met de zorg voor de dorst opgezadeld. Zelf zat hij duidelijk liever zonder dorst.

Plots ontglipt de dorst de man. De dorst snelt er vandoor. De man kijkt zijn dorst na. Hij beweegt niet. Heel, heel langzaam trekken zijn mondhoeken lichtjes omhoog. Hij is verlost.

Boodschappen


Verhaal door René van DensenIk moet vandaag de boodschappen doen. Vanwege mijn luie natuur moeten er heel veel boodschappen gedaan worden. Mijn nieuwe woning staat op een mooie locatie met veel natuur en nul supermarkten in de buurt. Mijn bezoekjes aan de supermarkt hebben steeds grotere intervallen. En de lading boodschappen die ik meesleep wordt steeds groter.

Ik ben blij dat ik geen vriendin heb. Mijn denkbeeldige vriendin zou waarschijnlijk eisen dat er vaker boodschappen gedaan werd. En vaker de afwas gedaan werd. En dat de rotzooi van de probleempoes en de logeerhond opgeruimd werd. En dat de was vaker gedaan werd. En dat er vaker stofgezogen werd. In dit huis bevinden zich vier stofzuigers. Één is van mij. Ik heb hem sinds ik hier woon pas één keer aan gehad.

Ik kijk naar de wolken die zorgen dat het vandaag iets minder heet is dan gisteren. Ik vraag de wolken of zij niet even de boodschappen voor me kunnen doen. Dan geef ik ze wel het geld mee. De wolken denken er even over na en zeggen dan dat ze niet kunnen. Ze zijn aan het werk. Ze moeten nog de hele dag drijven. Ik heb medelijden met de wolken. Ik heb vrij vandaag. Ik drink een biertje in de zon. Dit is het laatste blikje in huis. Ik ga maar eens naar de supermarkt.

Oorspronkelijk geschreven op 3 augustus 2013, de logeerhond-saga dreigde verloren te gaan in de Facebook archieven