Sven



Sommige schrijversvrinden doen serieuze moeite om verhaaltjes te verzinnen om te schrijven. Bij het ontwaken ligt een verse dode muis aan mijn voeteneind. Ik zeg tegen de poes dat ze die goed gevangen heeft en loop dan blootvoets mijn huis uit. Ik woon achter een poort, en wanneer ik die naar straat open vallen er twee mensen binnen. Letterlijk. Blijkbaar stonden ze te leunen.

Ze zeggen hola. Ik zeg goedemorgen, met een dode muis in mijn ene hand en de klink in de andere. Ze zeggen dat ze voor Sven komen, dat ze hier eerder zijn geweest bij een feestje, dat het voor hierboven is. Ik zeg dat er geen Sven woont. Een van de mannen blijft half in de deuropening hangen. Na een paar minuten kermt hij, iemand, help mij overeind. Ik help de man overeind. Hij grijnst wat en zegt, prothese.

De andere man heeft volgens mij geen prothese maar die staat een stuk wankeler. Hij blijft praten over Sven. Ik wil dat de mannen weggaan, ten eerste woont hier geen Sven, ten tweede wil ik niet dat mijn kat ontsnapt. Het is te laat. MIjn kat glipt tussen de protheseman zijn benen door en rent de straat op. Getoeter. Piepende banden.

Binnen enkele minuten komt ze terug, triomfantelijk een vrachtwagen aan mijn voeten leggend. Er stapt een woedende chauffeur uit de cabine. Ik vraag de man vriendelijk of hij Sven heet. En anders of hij een muis wil.

In haar ogen


Verhaal door René van DensenMijn dag begint in de ogen van mijn kat. Intens kijkt ze me aan. Alsof ze de hele nacht en het stukje ochtend tot mijn wekker afgaat, naar mij heeft zitten staren. Geen kik, ook. Een soort onverschillig, maar intens staren, groene spiertjes die een groot zwart gat opentrekken waar ik in weerspiegeld ben. Tien centimeter van mijn gezicht af.

En daar ben ik. In haar ogen. Er schittert ook een beetje daglicht in, maar vooral zie ik mezelf. Ze geeft geen krimp wat ze ervan vindt dat mijn ogen open zijn, terwijl ze zojuist binnen waren. Er wordt niet gespind. De pupillen verwijden zich niet, ze geeft niet aan dat ze honger heeft. Ook ligt ze niet opgekruld op mij. Ze ligt naast mijn hoofd en staart. Met een spiegelende, expressieloze blik.

Ook geen oordeel. Geen vraag. Geen mening. Geen verwachting. Mijn kat ziet dat ik wakker ben, en zojuist nog niet was, en dat is alles. Zoals mensen over een genoteerd beursaandeel lezen waar ze niet in geïnvesteerd hebben. Ze gaapt ook niet. Even, nu en hier, is ze een spiegel.

Ik staar terug. Ook geen kik. Ergens in de achtergrond klinkt mijn wekker. Maar ik ontwaak enkel in haar ogen. En daar lig ik nog even goed.

Dom mens


Verhaal door René van DensenIk snap het wel: er zijn al twee van die openklapplanken overleden omdat ik erop geplast heb. Dus nu heeft het baasje er drie, op drie verschillende plekken in huis. Zo te zien heeft hij er eentje meegenomen, want ik vind er maar twee. Niet dat ik hard aan het zoeken ben, deze dingen kunnen me niet heel veel schelen. Ze zijn lekker warm om op te zitten, vooral die wiebelige toetsenborden. Maar hij heeft er dus twee achtergelaten. Dom mens.

Het is een peulenschil om ze aan te zetten. Deze gaat zelfs aan zodra ik de klep opendoe. Zijn wachtwoord heb ik honderden keren ingevoerd zien worden vanaf zijn schoot. Ik deed alsof ik geconcentreerd mijn staart likte. En al die keren dat ik over het toetsenbord liep, oefende ik mijn type-skillz. Zolang ik niet met mijn volle gewicht op de letters ga staan, zzzzziiieeeett allllllllllessdrf errrrrrr norrrrrrrammmmmmmmmmmmaal uit.

Hij moet me ook niet zo lang alleen laten, elke dag. Natuurlijk, de huisgenoot is ook veel thuis. Meer zelfs dan mijn eigen mens. Om het in te wrijven lig ik nu regelmatig bij de huisgenoot op de kamer. Bij hem en diens kat. Mijn eigen mens ligt helemaal alleen in bed. Moet hij maar meer thuis zijn. Maar dan gaat hij dus nóg weg, elke dag weer. Dom mens. Dus. Tijd voor drastische acties.

Eens zien. Hier staan alle schrijfprojecten waar hij de hele tijd aan prutst. Klik, delete. Kan hij helemaal opnieuw beginnen en is hij weer meer thuis. Op deze computer staat nog niets om films en series te kijken. Even installeren. Ik wil mijn warme schoot, verdomme. Het is koud aan het worden.

Er knippert iets rechts onderin het scherm. Het beweegt oeh oeh oeh oeh. Oeps. Op geklikt. Ehm. Windows 10 installeren, wat beteke

Alleen een drol


Verhaal door René van DensenIk staar naar het plafond terwijl ongetwijfeld een mijt of mug of vlo me leegzuigt. Mijn kat spint op schoot. Je wil in feite enkel van een drol echt weten hoe die gemaakt is. Al de rest, elk ander ding, is leuker in je verbeelding.

Misschien is dit plafond niet gewoon suf gemetseld, maar uitgestoken uit een plafondenveld. Een grote betonnen vlakte waar noeste vrouwen – mannen kunnen nooit zo’n verfijnd plafond produceren – zorgvuldig de gepaste plafondvakken uithakken. En dan hop, op de wagen en bovenop mijn zichtveld. Zo staar je naar de sterren, zo observeer je een plots plafond.

Ik vraag de poes of ze vandaag een drol heeft gemaakt. Ze spint. Ik neem maar aan van yes. Ik vraag haar hoe ze de drol heeft gemaakt. Met dichtgeknepen ogen staart ze me dolgelukkig aan. Goed hoor, lijkt ze te willen antwoorden. Goed hoor. Geen problemen. Op de ruit striemen herfstige regenstreepjes.

Soms moet je de magie gewoon niet willen verstoren.

Wie denk je dat je bent


Verhaal door René van DensenDit is gewoon mijn week niet, denk ik berustend terwijl zijn hand mijn keel grijpt. Zo sta je in een lange rij voor de geldautomaat, zo staat er een groep opgefokte kindjes – jongeren mag dit groepje amper heten – oorlogsverklaringen naar je te brullen. Omdat ze zelf voordrongen en jij het lef had er iets van te zeggen.

“Wie denk je dat je bent,” spuugt hij in mijn gezicht, dreigend zijn kop voor de mijne. Ik hou mijn rug recht en zeg kalm terug dat ik denk dat ik iemand ben die in de – hij onderbreekt me en schreeuwt wie ik denk dat ik ben, alsof ik zijn vraag niet gehoord heb. Ik verlies iets van mijn resterende kalmte en brul: Ik denk dat ik iemand ben die gewoon net als iederéén in de rij stond, lul !

Als hij de rij nu niet had gezien of het gewoon niet begreep, dat was één ding. Ik zei toen hij ineens naast de rij vooraan ging staan, kerel, het zijn geen twee rijen, er is maar één automaat. Omdat hij deed alsof hij me niet gehoord had, tikte ik hem op de schouder, waarop hij me ongeïnteresseerd aanstaarde en ik mijn verhaal herhaalde. “Bemoei je met je eigen, loser,” was zijn antwoord en hij draaide zijn rug naar mij terug.

Ik geef toe dat ik hem toen bij zijn middel heb gegrepen en achteraan de rij heb gesleurd. Dat was niet netjes, maar leek op dat moment de enige manier om de rechtvaardigheid van de rij te herstellen. Nu sta ik hier met een hand op mijn keel, geschreeuw vanuit vijf richtingen, en twee omstanders die enthousiast het voorval met hun smartphone filmen.

Ik vraag me af of ik oud ben geworden. Voor mij valt een ander lid van de rij me bij en begint te roepen dat ze moeten dimmen anders belt hij even en staan er zo nog vier mensen bij. Meisjes gillen onverstaanbaar hysterische kreten. De klanken van de jongens versmelten tot een soort wilde apengeluiden.

Ik denk aan liggen in het gras, ver weg van alles en iedereen, met wat wolkjes kalm aan het zonnig blauwe firmament. Misschien een verkennend fladderend vlindertje, ergens nabij. Zo’n dorst had ik eigenlijk ook weer niet.

De wolken


Verhaal door René van DensenBuiten huilen de wolken. Ze zijn op bezoek gekomen om te zien hoe het gaat. Ik zeg dat de wolken lang niet zijn geweest, en in schaamte hangen ze hun gelaten. Ik vraag of de wolken misschien koffie willen. Zwart, zeggen de wolken.

Als ik met de koffie terug buiten loop, zijn de wolken in de tuin aan het ravotten. Ze rennen rondjes rond de tafel en spelen verstoppertje in de moestuin. Ik ga met een zucht zitten, zet de koffie op tafel en drink mijn eigen kop. Nauwlettend hou ik in de gaten of de wolken de koffie niet omstoten. Straks brandt er zich nog eentje.

Als ze in het blauw drijven, kan ik uren naar de wolken kijken. Zelfs als het er veel zijn. Of te veel. Ze mogen ook regenen. Allemaal niet erg. Fijn dat er wolken zijn, en dat ze er blijven zijn. Maar zo in je tuin krijg ik toch bedenkingen. Éën wolk verplettert een pompoen, een andere prakt de muntplanten. Ik vraag me af of ik de wolken heb uitgenodigd, of dat ze zelf langs zijn gekomen. Ja hoor: daar ging één van de koppen koffie. Als ik ze uitgenodigd zou hebben, vraag ik me af wat me bezield heeft.

Ik zeg tegen de wolken dat het nu wel weer welletjes is, dat ze terug naar het luchtruim moeten. Maar er volgt ferm protest. Ik sputter eventjes, want ho eens even. Maar de conflictontwijker in mij geeft zich snel gewonnen. Ik zeg dat ik even sigaretten ga halen, maar de wolken doen of ze me niet horen en spelen door.

Stilletjes kruip ik het luchtruim in. Ik strek me uit. Lekker veel ruimte hier.

Heeft u onze kat gezien ?


Verhaal door René van DensenIn deze straat worden alle katten vermist. De bomen en lantaarns hangen vol met poezensnoeten. Geen enkele kat wil hier blijkbaar blijven. Zwetend strompel ik langs de telefoonnummers en grote hoofdletters. De baasjes zijn ten einde raad.
Ik vraag me af of ik hier zou blijven als ik een kat was. Het is een straat zonder voortuin, en je hebt enkel uitzicht op het rolluik van de overburen. De bomen bladderen zich kaal. Platanen, uiteraard. Iemand heeft ooit bedacht dat platanen goede stadsbomen zijn.

In andere straten zie ik nog wel eens een kat wegschieten in een stuk kapotte omheining of onder een auto. De dieren zijn zenuwachtig in deze wijk. Ook de duiven hoppen zenuwachtig op de daken.

Er is een dak met trapvorm. Middenop de treden zit één duif, op de nok landt een ander. Die hopt enkele minuten later een tree omlaag. De andere duif wordt zenuwachtig. Dan nog een trede. De eerstgelande duif fladdert vlug een trede verder.
En daar komt het koppie weer. Hop, nog een trede. En weer fladdert de andere duif weg. Er zit een ruime trede tussen hen in, steeds.

In de straat om de hoek worden alle katten vermist. Ik mompel dat de duiven het hebben gedaan. En nu is deze straat aan de beurt.

Beter een kamerplant genomen


Verhaal door René van DensenGrommend duw ik een winkelwagentje door de brandgang. Het paniekerig miauwen van mijn kat verstilt. Het wagentje maakt veel lawaai en, versterkt door de brandgangwanden, klinkt waarschijnlijk dreigend naderend. Ik verbaas me nog één keer dat ik dit ga doen. En dan stap ik op het wagentje en klim op het schuttingdak van de buren van mijn buren.

Op een schuin afdakje kijk ik naar beneden, naar mijn domme poes die blij maar nog altijd bang miauwt. Niet stom genoeg om in deze tuin te belanden, wel stom genoeg om eruit te kunnen. Ik had beter een kamerplant genomen. En natuurlijk zijn deze buren vandaag niet thuis. Ik heb al aangebeld.

Met klimacrobatiek die voor mijn leeftijd ongeveer zo klunzig moet ogen als het voelt, beland ik in de tuin. Ik til de kat op het dakje waar ik lag. Zo zou ze alvast terug naar mijn eigen achtertuin moeten kunnen lopen. Maar ja, nu ik. Ik onderneem een aantal pogingen maar kom niet zomaar op de schutting.

Daar sta ik dan, in het donker. In een tuin van een buur, zonder mogeijkheid eruit te komen. Mijn kat danst op het dak en miauwt blij. Ze roept ‘kom dan, kom dan’. Ik had beter een kamerplant genomen.

Acht


Verhaal door René van DensenStilletjes vraag ik me af hoe het is om op iemand acht te slaan. Geen acht, dat kennen we nu wel. Het antwoord dient zich aan als de vrouw naast mij hard gaat lachen en roepen door de speech van iemand heen. Iedereen slaat plots acht. Gefascineerd kijk ik toe. Dus zo ziet dat eruit.

Schichtige ogen, vuurschietende ogen, schampere ogen. In alle richtingen priemen ze. Lang geleden zou ik me zoiets heel erg hebben aangetrokken. Nu vind ik het wel stoer van de vrouw, dat ze zich gedraagt zoals ze is. De speech is ook saai, en lang. En we zitten allemaal veel te plechtig te luisteren. De feestjes die ik normaal bezoek, zijn een stuk Breugeliaanser.

Even verbaas ik me waarom ik zelf niet sta te brullen. Maar de vrouw verricht onzer beider taak met verve. Stilletjes geniet ik. Ik heb verlof. En niemand slaat acht op mij. Ook wel een keer lekker.

Kutmerel


Verhaal door René van DensenIk weet het. Bij het fluiten al. Je bent geen duif of kraai, geen lijster en geen mus. Je bent een fucking kutmerel. Beetje lawaai lopen maken met je stereotype fluitgeluid.

Ik moet eigenlijk nog gaan slapen en je fwietfwiet erop los alsof het een lust is. Ik weet wie je bent, kutmerel. Je loopt stoer te doen met ha ha de dag start. Maar alles is nog donker. Zelfs de kiekens zijn niet wakker. Jij, daarentegen, loopt te roepen dat de dag gestart is. Dat is hij niet, he maat, enkel omdat jij dat zegt.

Wat mij betreft, eten alle katten alle merels. Enkel om uw gepiep. Serieus, je wekt geen sympathie met uw gekwetter. Ik zou nu zo mijn kat in uw richting smijten. Het domme beest vangt enkel insecten, maar met één goede worp snapt ze wellicht ook irritante vogels.

Met wat geluk krijg ik haar duiven en kraaien mee. Gewoon met de uitleg: papa wil slaap. Eet alles wat die slaap verstoort. Vliegen en muggen verstaat ge al. Nu alles. Kraaien, kutmerels, postbodes, vrouwen, deurwaarders, stratenmakers, bad hair days, muziek die niet klopt op de oortjes en dagen die starten zonder ochtendknuffel. Nee wacht – dat laatste snapt ze al. Iets te goed. Net vijf minuten voor de wekker. Maar ik ga daar feitelijk nooit never nooit meer over klagen. Behalve dat ik dan die kutmerel hoor.