De terrasbioloog is aangeschoven bij de barbecue in mijn tuin. Dat maakt hem ineens een tuinbioloog. Of een barbecuebioloog. Hij lacht, grapt, eet. Wanneer hij mijn kat ziet, moet hij meteen naar haar toe.
Mijn kat moet niks van mensen hebben. Ze lijkt wel wat op haar baasje. Dus zij ontloopt de tuinbioloog, en de tuinbioloog er maar achteraan, met uitgestrekte handen. Als een hebberig kind. Kat rent, tuinbioloog rent.
Zo loopt zij door de struiken, en krakkerdekrak, de tuinbioloog er achteraan. Plots zien we het potsierlijke hoofd van de tuinbioloog tussen de struiken uitsteken. Op handen en voeten. Hij kijkt olijk en gromt grrrr, grrrraw, grrrraw. Wij lachen. Zo heb je ineens geen tuinbioloog in je struiken, zo heb je wel een tuinbioloog in je struiken.
Ik slurp wat van mijn biertje en probeer me een tijd te bedenken dat ik de terrasbioloog, tuinbioloog, struikbioloog niet kende. Het valt niet mee. Ondertussen roept de tuinbioloog nog eens grrrraw, grrrraw. Het eten is goed en we hebben nog de hele avond.

