Kaftloos

Ja, jij wel.

De woorden klinken bijna als een verwijt. Het onderwerp is dronken worden en controle verliezen. “Ja, jij wel,” had hij geantwoord na zijn biecht dat hij het niet kan. Dat hij het te eng vindt. Meteen probeer ik terug te denken of ik hem wel eens dronken heb gezien. Fors aangeschoten, dat wel. Maar echt laveloos, dat niet.

Alvast zeker niet het punt dat mensen tegen je praten alsof je een kind bent, en je kalm ergens heen begeleiden waar je niet heen wil. Naar buiten. Of naar huis. Of het punt dat je verbaasd ziet dat tafeltjes tegen je opbotsen en dan achterover vallen. Of omhoog, dat doen ze ook nog wel eens. Meestal nemen ze dan wat grond mee. De wereld wordt heel gek met een borrel op.
Lees meer

Het mag niet van de cijfers

Wanneer hij dreigend naar me toe buigt, kijk ik hem recht aan. Ik zie een enorme leegte. Maar ook een overweldigende honger. Ze zijn me nu al uren aan het verhoren, hij en zijn maat. Wat ik misdaan heb, geen idee, maar daar zit ik dan, bij de cijfers. Specifieker: bij een agressieve acht en zijn wat mildere maatje zeven. Wat waarschijnlijk een spel is. Good count, bad count.
Lees meer

Glanzende oren

Als ik iets sneller had doorgelopen. Want de vorige miste ik slechts op enkele minuten. Had ik kunnen halen. En de sprinter, waar mijn collega naartoe rende, had zijn bestemming misschien ook nog bereikt. Maar ik had er gewoon geen zin in, in dat gehaaste. De trein van zeven uur was immers ook prima. Muziekje op de oortjes, boekje op schoot en lekker op het perron wachten, met schuine blikken om de andere perronbewoners te observeren. Het was een lange week geweest, dat half uurtje maakte nu ook niks meer uit.
Lees meer

Typisch

Alsof het bestaat, een typische ochtend, zo typisch gedroeg deze zich. Natuurlijk werd cliché na cliché afgevinkt. Half net-wel-net-niet verslapen. In ondergoed, met één sok aan en een klotsende mok koffie, door het huis hoppen. Een minimum van één kat die halverwege de trap plots stilstaat, de trede over de lengte blokkeert en mij, al struikelend, verwachtingsvol en half bedelend aankijkt om wat aandacht. Het viel me nog reuze mee dat ik geen lekke band had.
Lees meer

Nog tien jaar aan vast

Even twijfelde ik of ik het wel moest doen, maar je doet het uiteindelijk toch wel. Dus dat werd vroeg opstaan en door de kou naar het stadhuis. Want ik moest mijn identiteit verlengen. Blauwbekkend liep ik het overheidsgebouw binnen, waar de verwarming lustig erop los brandde. Een prikkerdeprik later had ik een briefje met een lettertje en een nummertje en moest ik wachten.
Lees meer