Gratis voorwoord (2)


Verhaal door René van DensenHet eerste wat ik deed, was het trots op café gaan vertellen. Aan iedereen die het maar wou horen. Nee, dat is niet helemaal waar. Eerste dat ik deed was mijn broek ophijsen. Want de uitgever had me gebeld toen ik net van de wc kwam. Ja, ik vind wel dat we eerlijk tegen elkaar moeten blijven. Zo ging het. Maar daarná, linea recta naar het café om het nieuws te delen.

Ongeloof he, dat allereerst. Een heleboel jaja, het zal wel. Drink je pint en zwijg, stoefer. Natuurlijk hebben ze jou daarvoor gebeld. Wie anders. Wacht, meen je dat nu ? Tja en wat kon ik laten zien aan hen. Een nummer. Dat me gebeld had. Een cijferreeks. Zegt zo lekker veel. Ik twijfelde nog even. Zal ik het nummer quasi nonchalant terugbellen en het gesprek op speaker zetten ? Maar het was erg rumoerig op café. Voetbal. Belangrijke match. Dat komt niet echt professioneel over.

Eigenlijk komt het sowieso niet professioneel over dat ik eerst mijn broek moest ophijsen en daarna me laveloos gezopen heb in een café. Als allereerste reactie op dat telefoontje. Nu ik die eerste alinea’s lees schaam ik me direct. Wat doe je, René. Dat schrijf je toch niet. Denk je dat de grote voorwoordschrijvers van weleer zoiets er zomaar uitflapten ? Je rammelt er weer zonder filter maar uit hoe het gegaan is, zonder erover na te denken.

Ja, in feite is het wel jammer. Dit boek verdient beter dan dergelijke bullshit. Nu heb ik spijt als haren op mijn hoofd van hoe ik dit voorwoord begonnen ben. Sta ik daar, pintjes te hakken in de kroeg, half naast het urinoir te zeiken, druppels op mijn schoenen, meelallend met een willekeurig muzieknummer dat uit de elektronische jukebox jammert. Omringd door mensen die in feite al onder de indruk waren geweest als ik het voorwoord voor een jaarverslag had mogen schrijven. Laat staan voor een boek als dit. Het is een spijtige start, maar we zijn wel vertrokken en we gaan het hiermee moeten doen.

Ik denk nu ook aan mijn moeder. Ze is zo trots op alles wat haar oudste zoon doet. Dus ook dit boek gaat ze kopen. Dat weet ik nu al zeker. Of ze het gaat lezen weet ik niet. Minstens het voorwoord. Want dat heeft haar lieve zoon geschreven he. En dat kan hij zo goed. Het komt vervolgens in de kast. Tussen de andere boeken. Ik weet eigenlijk niet goed of ze zelf ook boeken koopt. En leest. Ze heeft alles waar ik in sta. Op een rijtje. Dat wel. En dan nu ook dit boek. Waarin ik me op de eerste pagina’s strontlazarus zuip en op een wc-vloer plas. Ik denk niet dat de bridge-club het te lezen zal krijgen. Maar misschien lacht ze er heel even, stilletjes om. Dat haar oudste zo’n maf voorwoord schreef bij notabene zo’n goed boek. Dat kan ook alleen hij he.

Ja, daarom doe ik het dus. Voor mijn moeder. Voor alle moeders. Ze zijn trots op ons. Dat weet ik zeker. De moeder van de auteur van dit boek is ook trots. Su. Per. Trots. Op zo’n gigantisch goed boek. Op zo’n mooie uitgave. En vooruit, zelfs op dat voorwoord. Al had dat voor haar wellicht niet gehoeven. Zo’n dom stuk over in je broek plassen middenin een smerige kroeg met plakkerige vloer. Bah bah. Heeft die schrijver van dat voorwoord wellicht geen moeder ? Schaamt die zich niet ? Nee, die schaamt zich niet. Die is trots. En schrijft dit voorwoord onverstoord verder. Soms moet je gewoon, woord voor woord, die afgrond in waar je op afschrijft.

Maar vooral, mensen, wat een eer. Wat. Een. Eer. Dat ik bij een boek als dit het voorwoord mocht schrijven. Daar word je even stil van. Ik heb er écht geen woorden voor.

Gratis voorwoord (1)


Verhaal door René van DensenZo af en toe kan ik dat niet laten, door een boekwinkel dwalen en de kaften strelen. Ik stel me daarbij voor dat een camera mij volgt. Met messcherpe focus op mijn vingers, de miniemste huidlijntjes en oneffenheden cinematisch in beeld, de winkel onscherp in een pastelkleurige achtergrond. Al die veelkleurige kaften versmolten met elkaar in bonte vlekken.

Alleen dát beeld al. Eindelijk al dat kleurgeweld verzacht, onschadelijk gemaakt. Wie ooit een burn-out heeft gehad, weet hoe luid de visuele schreeuwen kunnen zijn. Als je geen filter meer hebt. En alles rechtstreeks op je netvlies, in je kop belandt. Vormgevers mogen zich daar best wat meer bewust van zijn. Boekverkopers trouwens ook. Wat is er mis met de boeken op kleur ordenen ? Het boek dat we zoeken, vinden, lukt toch zelden of nooit. Bijna altijd moet je alsnog even schuchter een medewerker benaderen met je storende en ongetwijfeld domme vraag.

Maar terug naar die vingertoppen en die kaften. Natuurlijk van de liggende boeken, op die vierkante tafels. Want deze boeken verdienen extra aandacht. Ze zijn op het moment extra geliefd. Deze boeken zijn populair. Ze zijn in TV-programma’s besproken, als er nog TV-programma’s bestaan die boeken bespreken. Als er nog TV-programma’s bestaan. Dan zijn deze boeken aan bod gekomen. Ik weet dat niet want ik kijk enkel kattenfilmpjes op Youtube. Maar mijn vingertoppen zijn zich ervan bewust. Dat ze in hooggeplaatst gezelschap zijn. Deze boeken, daar kun je mee thuiskomen.

Deze kaften zijn ook waarschijnlijk al duizend keer gestreeld. Door mensen die in neuzen peuteren of die net de luier van hun kind hebben verschoond of die de deurklink van een viruskliniek hebben vastgepakt. Maar daar denk ik niet aan, interesseert me ook niet. Dood gaan we toch een keer. Nee, mijn aandacht gaat naar deze kaften. Intens laat ik de ribbels van mijn vingerafdruk de structuur verkennen. Gouden letters blief ik trouwens niet. Een zeer kunstmatig gevoel, als versmolten stickers. Als ik het op tijd zie, streel ik die kaft niet.

En dan stoppen mijn vingers en stopt de camera. Want. Dit is het. Was dit het echt ? Ja, ja dit is het. Dit is dit boek. Je voelt een schok, ongeloof, in mijn verstarde vingerkootjes. Want waow. Dat dit boek hier ligt. Tussen al die andere boeken. En dat die andere boeken zich van niets bewust zijn. Het ligt hier. Gewoon. Alsof het gewoon is. Dat het hier ligt. Dit, dit, dit boek. Zo’n moment dat je even om je heen kijkt, want dit boek kan toch niet in zomaar een boekwinkel liggen ? Een boek als dit, dat hoor je smekend te moeten bestellen, en dan maandenlang dagelijks met de winkel bellen of hij al binnen is. Misschien komende woensdag, meneer. Maar nee. Het ligt hier echt, gewoon, zomaar. Ik kan het pákken. Openen. Inzien. Kópen. Het voelt als iets dat illegaal zou moeten zijn.

Stiekem en voorzichtig openen mijn vingers het boek. Niet te ver. Voorzichtig met de rug. Niet beschadigen. Wie weet wordt er iemand gigantisch boos. Teder sla ik de bladzijde om. En daar is het hoor. Het voorwoord. Dit voorwoord. Het juiste voorwoord voor dit boek. Dat bent u vast met me eens. Een boek als dit, verdient zo’n voorwoord. Het is maar goed dat de uitgever het heeft toegevoegd. Ja, dit voorwoord, dit is het. De kers op de taart. Dit voorwoord maakt het boek echt af.

Even later sta ik bij de kassa. Boek in mijn handen geklemd, als een schat, ook al is het nog niet voor mij. Ik kan haast niet wachten om het voorwoord nóg een keer te lezen.

Carnaval kraken is: zowel gang als paard benoemen


Verhaal door René van DensenJamaar hey, nog eventjes iets over dat paard dus he. Dat edele dier dat in die plompverloren gang stond. Dat blijkt ineens een jambische hexameter te zijn. En dat gang vol paard is een jambische heptameter. Ik snap er geen fuk van maar de Twitters zeiden zoiets. Google zegt dat jambisch vooral iets met kort en lang is. Gefundenes Fressen voor de lettergreepfetisjist.

Voor Plato stond het kwaadaardig paard symbool voor de lust. Daar lust echter menig paard haver noch gortigheid van. Gentse veulens draafden wel op een gang vol wit paard af. Ze gingen daar méér dan enkel een wit voetje halen. Maar de flikken kenden hen allang van haver tot gort. Ze hadden zich beter dartel aan carnaval gewaagd. Je weet wel, dat gewoel, dat je beleeft op je gevoel.

Voor Wittgenstein was een paard als woord eerst een simpel ding. Je wist wat het was, het stond als een paard boven water. Later bracht hij alles meer in contextuele gang. Je hangt dat paard vol met talloze betekenissen. Als een gang vol behang, je koninkrijk te rijk aan paard. Zelfs al kijk je in zijn bek, ken je zijn waarde nog niet. Sta je daar steeds weer, keer op keer, met je mond vol tanden.

Voor het paard zelf is het ook allemaal niet evident. De paardengangen kent-ie nog wel, stap, draf of galop. Maar een gangenpaard stapt meertaks in telgang of in tölt. En paarden kunnen indoor stappen in een riding hall. Met een slakkengang of een rotgang, het dak kan eraf. Een paard geeft dus bedaard binnen en buiten volop vaart. Daar hoef je geen heel gangenstelsel voor aan te leggen.

Ondertussen blijkt dat lied er niet één uit een dozijn. Aan een half woord had de schrijver alvast niet voldoende. Ritmisch schakelt hij steeds op en neer, van twaalf naar veertien. En die schrijftradities blijken zelfs stiekem eeuwenoud. Menig mens zou nog voor minder de tel plots verliezen. Je gaat straks nog spontaan veertienlettergrepig schrijven. En dan heb ik nog niets over buurvrouw Jansen gezegd.

Boos

BOOS / Ik haalde diep adem / En telde nog tot tien / Maar zelfs als je boos bent / Ben je niet om aan te zien

Waaiheid

WAAIHEID / De klok en de barometer / maakten een kind / het mormel stonk / een uur in de wind

TO DO: DE WAS

Het erna verzuchtte: ik wou dat ik voor was
Dan kon ik met de eer gaan strijken
Maar eer het nu een nawee was
Had wat was allang het nakijken.

Bruggetjes


Verhaal door René van Densen
“Op de scooter.”
“Ja, met de scooter.”
“Heel dat eind op de scooter.”
“Ja, tot in Rotterdam, vier uur doorrijden.”
“Je bent gek.”
“Ja dat was koud, ik zweer het je. Tegen de wind over de Willemsbrug. Ik stond koffie te drinken in een tankstation, te rillen van de kou, echt niet gezond, maar ik ben wel keiblij dat ik het gedaan heb.”
“Je bent echt gek zo laat ’s avonds.”
“Ja maar het is mijn broer, weet je.”
“En hoe was dat gekomen dan ?”
“Ja gewoon, daar lag een plaat. En hij aan het lopen met zo’n pan met vet waar hij de hele dag frietjes in had gebakken.”
“Ja dat interesseert me dus helemaal niet. Maar hoezo de Willemsbrug dan ?”
“Ja daar moet ik toch over naar Rotterdam gek.”
“Niet.”
“Jawel dude.”
“Echt niet. Je moet over de Erasmusbrug.”
“Nee man ik zweer je, over de Willemsbrug.”
“Hier. Zo ziet de Erasmusbrug eruit. Het is deze.”
“Ja hallo wie reed er hier nou met de scooter ?”
“Maar goed. Hij liep dus met een pan.”
“Ja, met vet, en met nog zo’n vat met water in zijn klauwen, en dan over zo’n plaat-”
“Dat moet echt de Erasmusbrug zijn geweest jonguh.”
“Nee ik zweer het je, het was-”
“Nja goed whatever dus ja, zo’n plaat.”
“Ja en hij glijdt dus uit, en natuurlijk niet voorover-”
“Oh shit, dus al dat kokend spul-”
“Ja zo over hem heen. Wel niet in zijn gezicht.”
“Daar heeft hij dan toch nog veel geluk mee gehad in feite.”
“Ja man, nu is hij enkel overal verbrand waar je het niet ziet.”
“Echt kei mazzel. Maar goed, waarom kwam niemand hem helpen dan ?”
“Ja hij was daar alleen, hij was aan het afsluiten.”
“En dan belt hij niet 112 of zo.”
“Nee, hij belde zijn baas, zo van, ejo, ik lig hier weet je, kom effe helpen.”
“Hij is echt gek.”
“Ja dat is mijn broer he, super loyaal.”
“Dat is echt niet over de Willemsbrug geweest, maar goed.”
“Nee dat was de Erasmusbrug niet, gek, echt niet.”
“Goed maar was hij dan buiten bewustzijn toen de ambulance kwam ?”
“Nee hij zag alles nog, echt supervet, zo van -”
“Ja dat wou ik ook zeggen, dat lijkt me echt supervet dat je zo in die ambulance meegaat en alles ziet, zo zjoef wiewoewiewoe.”
“Dat had hij dus ook jo, zo van waah keivet. Heel de weg erheen trippen.”
“Maar had hij dan veel pijn of zo ?”
“Nee hij was na een halve dag al met rolstoel door het ziekenhuis aan het stunten en overal grappen aan het maken op elke afdeling, wheelies en al.”
“Het is ook echt jouw broer he.”
“Eej zo zou je zelf ook zijn, ik ken jou.”
“Dat is waar. Maar dat van die brug snap ik echt niet hoor.”
“Are you okay my love ?”
“Yes. Shhh. I’m enjoying my favourite show.”
“What’s that ?”
“Other people on the train.”