Niet akkoord


Verhaal door René van DensenDe woorden die u nu gaat lezen, zijn ongeveer een jaar oud. Toen heb ik dit opgeschreven. Toen Gent, en de wereld, Vos kwijtraakte. Fokking Vos, dedju. Terwijl ik het schrijf, kan ik het nóg niet geloven. Ik verwacht de hele tijd dat het een bizar slechte grap is. Dat hij als een duveltje ergens tevoorschijn springt en roept dat het allemaal voor te lachen was.

Ik kan dit niet nu publiceren. Want hij is niet dood. Hij is niet weg. Het kan niet, het klopt niet. Does not compute. Gent zonder Vos, dat is alsof de Dulle Griet weg is, of het Belfort. Als bizar slechte science fiction. Ik krijg het niet in mijn voorstellingsvermogen gepast. Bij ieder artikel dat een vriend, collega of bewonderaar op dit moment publiceert, met terugblik naar de schalkse, melancholische kwajongen die hij was, denk ik bij mezelf: Weer eentje erin getrapt. Hij is niet dood, mensen ! Hoe meer jullie schrijven, hoe zieker deze grap wordt. Ophouden nu !

Natuurlijk kende ik hem niet persoonlijk. Zoals zovelen had ik hem wel eens gesproken. Ik betwijfel dat het lang genoeg was dat hij zich mij nog herinnerd heeft. Sommige vrienden van mij mailden met hem, of belden hem zelfs. Ik kan me hun verdriet al niet eens voorstellen. Omdat ik het verdomme zélf ook zo erg vind. Voor de wereld, voor de mensen, voor mezelf. Voor een wereld die zelf zo weinig troost en hoop biedt.

Ik was iemand. Niet Iemand, maar wel iemand. Rondom hem was iedereen iemand. Zijn ogen bekeken je zoals een kind naar een volwassene tuurt. Verwonderd, respectvol. Je deed er toe. Uiteraard was hij ook kritisch. Maar de liefde voor de mens, de natuur en de aarde hing om hem heen. Zoals de dranklucht om de andere aanwezigen hing.

Want het was, boven alles, een idioot lieve jongen. Zijn columns kwamen uit een teder en nieuwsgierig jongenshart. Alsof geen enkele klap van het leven écht raak was geweest. Alsof hij alles fris als een kind, en tegelijkertijd melancholisch verlangend naar een tijd die hij nooit gekend heeft, bezag. Zo’n man waarvan je je verwonderd afvraagt hoe hij het tot hier gered heeft. Een anomalie. Een sneeuwbal in de hel. Een man die je daardoor onmiddellijk wil beschermen tegen die wrede wereld. Het rondwandelend kind in onszelf.

Ik zal nooit meer een Zone09 openslaan en die ontroerend dwaze smoel zien. Naast een stukje waar hij uiteraard weer met Rocky op het terras zat. En waar Rocky natuurlijk relativeerde waar Vos zich zo druk om zat te maken. Of waar Vos een flinke dosis romantiek in de starre opvattingen van Rocky bij goot. Rocky, god, ja. Voor hem moet het verschrikkelijk zijn. Voor ons allemaal moet dit verschrikkelijk zijn. We zitten nu even allemáál in ons eentje op het terras. Te wachten tot Vos toch daar in de verte aankomt.

Tegen de dood, daar moest hij verdomme tegen beschermd worden. Zo iemand zou verplicht in de wereld moeten blijven. Iemand die zó onvervangbaar uniek is, mag niet weg. Simpel. In het café dronk ik gisteravond grote hoeveelheden bier op Vos, en brulde dat ik het niet accepteerde. Gewoon: nee. Nee, Vos. Niet akkoord. Jij hebt mijn toestemming niet om dood te zijn. Kom dus maar gewoon terug, verdomme. Kappen met die onzin. Luc De Vos is niet dood. Als we nu allemaal besluiten het niet te accepteren, dan heeft hij geen keus !

Ik kan, ik wil deze tekst een jaar niet zien. Ik ga hem herlezen wanneer hij automatisch op mijn site verschijnt. Als een tijdcapsule die geopend wordt. En dan hoop ik dat ik lach, om de dwaasheid. Want natuurlijk was het een grap, en was Luc De Vos niet dood. Haha, gekke René. Jij bent er ook al in getrapt. Sukkelaar.

Komende zaterdagavond: Turnhout !

sprekende-ezels-turnhout-112015

Ik stond er vorig jaar ook, in Turnhout. Toen dacht ik nog, ook gebaseerd op andere Sprekende Ezels edities elders in België, dat het niveau van dit podium wel wisselend genoeg zou zijn en het publiek niet té groot qua omvang, zodat ik ontspannen mijn ding zou kunnen komen doen.
Er zat, wat, honderd man ? En het ene na het andere optreden was gigantisch goed. En dan mocht ik afsluiten. Ik kon mezelf wel schieten en heb me uiteindelijk een reusachtige hoeveelheid moed in moeten drinken. Het is helder: in Turnhout is het te doen voor de poëzieliefhebbers.

Omdat ik vrij hardleers ben, sta ik er komende zaterdag weer. Maar met de vernieuwde act, uiteraard. En ik krijg tevens de eer mijn zwaargetalenteerde vriend Bobadas er in de spotlight te mogen zetten. Het is alweer even dat we samen opgetreden hebben, dus ik zie er enorm naar uit. Ik kan u enkel aanraden ook te komen.

De informatie staat in het affiche hierboven. Het staat ook op facebook. En onderaan deze pagina. En op www.desprekendezeezels.be. (Al is het daar nog niet echt actueel, allé Stijn, chop chop.)

Soms wou ik dat ik nooit een boek had geschreven


Verhaal door René van DensenZe komen steeds weer terug, die dagen dat ik wou dat ik nooit een boek had geschreven. Laat staan elf. Momenteel heb ik er elf geschreven. Dat is niet waar. Ik heb er elf uitgebracht, twaalf hele geschreven, één boek is voor tweederde af, één boek voor vijfenzeventig procent, twee boeken voor vijftig procent en één boek voor zes procent. Ik heb net iets minder dan veertieneneenhalf boek geschreven.

Je kunt zeggen dat het appels en peren is. Proza, strips, poëzie, en mijn debuut was zelfs een ratjetoe van alledrie. Dan zeg ik nou èn. Schrijven is schrijven. Maar ondertussen zit je wel met al die shit die niet af is. Niemand heeft het ooit met je over de wél uitgebrachte boeken. Althans, niemand in mijn directe omgeving. Mensen hebben het altijd over de boeken die nog komen. En zeker over De Roman. Want hoewel de meesten geen regel gelezen hebben van De Roman (in wording), weten ze zeker dat dát boek er moet komen. De Roman (in wording) is één van de boeken die voor vijftig procent af zijn.

Dan rekt ze zich uit. Spinnend. Teentjes gestrekt, kleine nagelpuntjes. Roze, ribbelige kussentjes. Genietend dichtgeknepen gezicht. Kromme rug, krulle staart. Mijn kat, dames en heren. Nooit één boek geschreven. En kijk d’r genieten. Kalm draait ze zich om en gaat op haar andere zij liggen. Het enige plekje in huis waar de herfstzon invalt, heeft ze gevonden. En ik zit erbij. Met mijn beeldscherm.

Soms wou ik dat ik nooit een boek had geschreven.
En nou weer klaar met het zelfmedelijden. Het worden er namelijk achttien. Leg ik daarna nog wel uit.

Snoepgoed

supermarktpoezie-snoepgoed

Lees meer

Tranen


Verhaal door René van DensenEr zwellen tranen in mijn ooghoeken op. Van die goeie, stevige biggelaars. Tranen moeten stevig zijn, net als regen. Gelukkig kunnen ooghoeken niet miezeren.

De mensen zien het. Ze zeggen: “Erg he, van Parijs ?” Ik beaam het allemaal maar. Het is heel erg. Mensen die zichzelf en anderen doodmaken om overtuigingen, om ideeën, dat is heel erg. Dat is altijd heel erg. Dat er naast deuren nu schoenen staan die nooit meer gevuld zullen worden, is heel erg. Er worden honden niet uitgelaten, geliefden niet gekust en toekomstplannen niet gesmeed omdat een handvol wanhopige gekken lood op een denkbeeldige vijand wilde afvuren.

Ik wil zeggen dat het heel erg is. En niet dat mijn ogen tranen omdat ik veel te vroeg wakker was vanochtend. Dat mijn vriendin op TV het binnendruppelende laatste nieuws wilde zien. Mijn vriendin is een betrokken mens. Ik ben voornamelijk vermoeid. Ik hoorde nevelig woorden mijn geest binnenglippen. Woorden als oorlogsdaad, beveiliging, grenscontroles. Ik lag in bed en voelde me heel moe. Als een vrij individu waar nu al veel te lang stukken uit gehakt zijn. Ik heb niks meer over.

Maar dat zeg ik niet tegen de mensen. De tranen in mijn ogen zijn in hun ogen voor de doden. En dat laat ik zo. Anders doen de mensen mij wellicht nog iets aan. Ik laat de mensen in hun waan en mis de mijne. Ook mijn eigen waan is verwaaid. Ik vraag me af wat er van mij mag overblijven. En wat er nu nog resteert.

Enkel nog tranen voor mijn ontglipte dromen. Zacht streel ik het beddegoed. Het is klam. Ook mijn slaap is nachtonrustig.

Alcoholvrij


Verhaal door René van Densen

“Is dat blik houdbaar tot 2099, knikker,” vraagt de Opperpater. Hij kijkt met een vieze blik naar het bierblik. Over zijn lijk, bedoelt hij, dat de Opperpater, godverdomme dé Opperpater, ooit een alcoholvrij bier gaat drinken. De Opperpater drinkt écht bier, knikker, en dat weet je toch verdomme onderhand wel ?

Stilletjes denk ik aan het leven dat mijn vriend, de Opperpater, leidt. Hij drinkt steeds meer. En bij een ander had ik allang geprobeerd in te grijpen. Maar bij de Opperpater snap ik het ergens wel. Er is geen rooskleurige toekomst op de horizon geschilderd. De maatschappij wordt alsmaar hardvochtiger naar lieve maar economisch ongeschikt bevonden mensen toe. En hoewel de Opperpater ooit hard op weg was een der hoog opgeleide economen in dit land te worden, val je hard af als je niet in zijn vakgebied meer kunt functioneren. Of in elk ander vakgebied. Mensen die niet in het tegenwoordige plaatje als uitbuitbaar ingepast kunnen worden, zijn parasieten.

De Opperpater staat op het lijstje van de door mij meest gekoesterde parasieten. Zelf was ik ook een tijd een parasietje. Maar ik was weer monetair inzetbaar en sindsdien draai ik weer mee in het grote looprad dat een leugen perpetueert. De Opperpater is een vrij mens. Of vrij, vrij. Hij houdt zich een groot deel van de week bezig met activiteiten waar geen economisch rendabele mensen zich voor willen lenen. Maar toch is hij een parasiet.
Ik wil dat de Opperpater nog lang van mij kan parasiteren. Dus op de vrijdagavond zijn nu alcoholvrije biertjes gratis. De Opperpater hapt niet. Hij weet dat deze wereld mensen als hem niet meer wil. Dat ik mensen als hem nog wel wil perpetueren, doet er niet toe. De Opperpater wil de afgrond in, en met een stevige dronk. Er rest hem geen waardering meer.

Ik opper nog eens dat de Opperpater misschien het alcoholvrije biertje probeert. Niks ervan. Na de film vraag ik of de Opperpater naar huis wil gaan. Er schuilt verdriet in mijn hart. De Opperpater vind het best en waggelt onstabiel de deur uit.

Het toilet staat blank met de pis van de Opperpater. Onder de toiletdeur naar buiten is het eruit gesijpeld, de gang in. Ik wil alle mensen die iemand als de Opperpater niet kunnen koesteren, door de urine heen slepen. Maar ik heb enkel velletjes toiletpapier ter beschikking.