Misschien wou iedereen vannacht de planeten op een rijtje zien. Of misschien was er gisteravond iets heel gezelligs tot heel erg laat. Ik heb ze vanuit bed niet gehoord. Deze ochtend is er geen volk in mijn straat. Het is stil zoals het mag. Bij het passeren glipt de kitten van een van mijn buren voor het raam. Ik speel van buiten wat met hem, hij is piepjong en geeft het raam kopjes. Mijn kat zou er iets van vinden als ze er nog was.
In het café gebaar ik goedemorgen naar de twee andere koffiedrinkers. Ik zet me met mijn boek aan de grote ronde tafel waar ik uit het raam de wereld buiten kan zien. Stil brengt de barman mijn koffie, hij kent me. De Overbierman komt even later binnen, hij klopt eens op mijn rug, schuift dan aan tegenover me. De barman brengt hem zijn pint. Er is nog altijd geen enkel woord gevallen.
Ik stuur mijn moeder goedemorgen en verstuur nog een paar berichtjes. Het boek probeer ik te lezen, maar het is een taaie zit, zeker voor de zondag. Gelukkig is het stil. We wenken om de beurt voor een rondje. Ik reken het mijne steeds direct af. De Overbierman wenkt nog eens, met een vragende blik op mij. Ik schud mijn hoofd en trek mijn jas aan. Ik zwaai gedag naar iedereen en loop weer terug naar mijn stille huis. Bij het passeren zit de kitten niet meer in het raam. Een gevaarlijk teken dat de dag toch inmiddels aangevangen is.

