Rechts onderaan dit verhaaltje hoor ik plotseling allemaal knaaggeluiden. Eerst denk ik nog dat er een muis in mijn website is geslopen, maar dan zie ik dat er een reusachtige wesp mijn woorden opvreet. Ik zwaai een zwaai tussen achteloosheid en agressief, want ik weet wel beter dan wespen te boos te maken. Hij gaat echter onverstoord door met mijn tekst kanen. Zeg, hou daar eens mee op, roep ik tegen de websitewesp. Op veilige afstand, want we zijn pas bij de eerste alinea.
“Laat mij eens rustig knagen, meneer,” sputtert de wesp ineens terug. Ik vraag verbaasd maar retorisch of hij kan praten. Ik vraag weliswaar naar de bekende weg, want hij sprak zojuist, ik was er zelf bij, maar met elk woord dat ik hier schrijf zit hij verder van me af, en die angel ziet er bij nader inzien toch vervaarlijk uit. Hij zoemt instemmend, op een toon die een beetje bevestigt dat dat een stomme vraag was. “U kan zelf horen dat ik kan spreken, dus dat is wel een beetje vragen naar de bekende weg, meneer. Het is niet erg, want hoe langer u dit verhaal maakt, hoe meer materiaal ik eraf kan knabbelen.” Ik ben wel blij met de win-win situatie voor mijzelf en de websitewesp.
Maar toch moet ik vragen waarom hij aan mijn website zit te kauwen. “Ook wij wespen gaan met onze tijd mee, meneer. Niemand schrijft meer op papier, dus is het steeds lastiger om materiaal te vinden om onze nesten van te bouwen. Dus we moeten wel op de digitale toer, dat begrijpt u toch zelf ook.” 01 1
Ik beaam dat papier steeds meer aan het verdwijnen is, maar di1 0101101
“Met de globale oorlogsellende is er een teko1011 011101 101 1 0
en zoek dan nog maar voldoende materi1011101 010 011001 00 1
elektrisch verwarmt tenminste n01011 0100101000 10 11 01
“Nochtans is de echte grap 110 010 0 1
Ik kan daar weinig tegeni101110 10
vraag of de websitewesp n0110 1
“Dankuwel meneer ma0110 01 0
voldoende aan 001010 1
Toch bedankt.” 011 1

