De tijd door


Verhaal door René van DensenVroeger, als kind, zelfs als tiener, ja, toen nog wel. Inmiddels vraag ik me dat echter niet meer af. We weten nu zelf hoe het is, hoe de mensen zijn, hoe de mensheid zich tijdens een pandemie gedraagt. Dus dat zal ongeveer wel hetzelfde zijn geweest tijdens een tulpenbollenwinter, polioplaag of pakwegjarige oorlog.

Om maar te zeggen, dagelijkse beslommernissen, verveling, horkerigheid, maar ook verdwaalde vrolijkheidjes, spelletjes in de lentezon. Discussies dat men vroeger nog wél wist wat fatsoen was of zich wél aan de regels hield of dat alles nooit meer hetzelfde. Samen, met wijdopen ogen naar een sterrenhemel, je afvragen hoe hierna de wereld eruit gaat zien. En hoe het dag-in-dag-uitleven langzaam het besef van de situatie overneemt. Want er moet immers ook dit, en dat. Smeten ze afval op straat ? Deed de jeugd stiekem aan feestjes ? Spraken de ouwe lullen er schande van ?

Vrienden die zijn gaan samenwonen, vrienden die trouwen, een gezin stichten. Vrienden die boekjes uitbrengen. Vreemden die ook boekjes uitbrengen. Vreemden die vrienden worden. De kattebak moet verschoond, de baard moet geschoren. En er komt weer een generatie die zich af zal vragen hoe het voor ons was, om in angst in een pandemie te leven. Voordat het virus eindelijk verdreven was. Hoe we in eenzaamheid in onze woningen wegkwijnden, in angst, met maskers over straat schuifelden, tientallen meters van elkaar af. Nou, dat valt tegen, toekomstige generaties. Er zijn botte horken die geen masker willen dragen, geen afstand houden, en iedereen komt maar wat de tijd door. Of iedereen zich netjes aan de regels houdt, durf ik te betwijfelen. Maar met wat uitzonderingen wordt het ook niet al te bont. Ja, een honderdtal jongeren hier, een duizendtal daar. En hopelijk loopt dat niet uit de hand, maar zoveel kun je er ook weer niet aan doen. Je kunt ervoor, of er tegen zijn, en dat uitspreken of voor je houden. Dat zijn zo ongeveer je opties wel.

En je werkt wat, als dat kan. Vanuit huis, als dat kan. Of je probeert op uitkering te overleven, als dat lukt. We zijn heel blij dat het internet bestaat en dat er een boel series te bekijken zijn. Series vol bizarre realiteit. Of escapistische series die commentaar op de werkelijkheid geven. Het zijn gouden tijden om binnen te zitten. Sommige mensen, ook ik, hebben het geld dat we nu niet op café kunnen uitgeven – god, wat mis ik even lekker op café gaan met wat mensen die je niet per se wou spreken maar die er wel zijn – uitgegeven aan mondmaskers met ontwerpjes erop. In mijn geval, eigen ontwerpjes. Je moet je ergens mee amuseren.

Dat is het vooral, toekomstige lezer. We moeten de tijd door. We wachten maar wat. We kunnen niet veel meer dan dat. Vanavond zijn we aan het wachten in zonneschijn, deze eerdere middag nog in natte sneeuw. Ongenadig banaal leven we maar wat. Met je pandemie. Er wordt eens een maatregel besloten, dan weer een versoepeling beloofd (die natuurlijk alsnog niet blijkt te kunnen doorgaan, de cijfers zijn nog steeds niet goed). Ergens daar buiten waart het virus. Maar je doet er niets aan, ook het leven moet je door. Wij, de mensen die nog weten van ervóór, wachten tot het eindelijk erná is. En we leven ondertussen maar wat. Spannender is het bestaan momenteel echt niet.

Misschien als we wisten hoe lang dit nog duurde. Dat zou schelen. Maar dat weten jullie dan weer wél. Wij nog niet. Maar heb geduld, straks weten wij het ook.

Die dag, dus

Verhaal door René van DensenZo’n ochtend die je afschrijft. Die je gelaten ondergaat want alles maakt je kwaad. Zo’n ochtend dat je denkt, restart en retry after lunch. Zo’n ochtend dat je je beter had verslapen. Zo’n start van de dag dat je enkel botte mensen en technologische ellende op je pad vindt. Zo’n ochtend die in je weg loopt. Zo’n morgen die je liever gisteren had. Zo’n eerste halve dag die je liever van je afschreef in een koddig kort verhaaltje waar andere mensen om moeten lachen uit herkenning. Zo’n morgen dat je je lief niet wil aanspreken omdat je weet dat je iets lelijks of verkeerds gaat zeggen en dan zijn de rapen nog gaarder. Of de peren rijper. Zo’n ochtend dat het verschil tussen die twee uitdrukkingen je geen aubergine meer kan schelen.

Dat je passief-agressieve berichten naar vrienden stuurt. Om stiekem om een knuffel te vragen. Zo’n ochtend dat je denkt, als God deze ook geschapen heeft mocht hij op zich nog eens terug naar zijn blueprint. Dat er niets ècht groot mis gaat maar alles samen toch wel. Dat duizend kleine missingen maken dat je boem, ho, zegt. Dat je je afvraagt of leven de moeite nog is. Dat je je insignificant voelt, zo’n afrondcijfer van de natuurkundelessen vroeger. Die ene annotatie die niemand wil opzoeken want we snappen het wel. Die ochtend.

En je wil boos zijn op iemand maar eigenlijk deed niemand lelijk genoeg. Gewoon nèt lelijk genoeg. Net die halve seconde teveel in je weg. Net die halve nare blik. Net dat wachtwoord dat je wel maar blijkbaar toch niet wist. Net die ene zonreflex op dat raam in je ogen. Net al die andere politici tegen je, na zoveel jaren. Dat je die collega niet verstond maar je het niet redt met schaapachtig lachen. Net die ene flard muziek die je niet aanstond. Je weet welke dag ik bedoel; Die dag, dus. Ja: die dag, dus.