Ver zwelgen


Verhaal door René van DensenOp het eind zijn ze verdwenen. Niemand weet waar ze heen zijn. Maar eerst zit Charles op een bankje. Je schrijft Charles maar spreekt zijn naam uit als Sjarrel. Sjarrel zit wat voor zich uit te staren. Hij zou het liefst verzwolgen worden. Niks ziet hij meer zitten. Ook zichzelf niet. Ondanks het bankje. Sjarrel zit er doorhéén. Hij wil niet meer, hij kan niet meer, en het enige dat hij kan denken is wat er na dit leven gebeurt. Hoe je lijf verteerd wordt en weer onderdeel uitmaakt van alle andere leven. Dat zou hij nu wel willen. Zo zit Sjarrel te zwelgen over verzwolgen worden.

Een vrouw gaat naast Sjarrel zitten. Ze kijkt zijdelings naar hem. Hij merkt er vrijwel niks van. Sjarrel zwelgt intens. Wanneer de vrouw spreekt, breekt ze dan ook zijn concentratie. “Wat heb jij mooi haar,” zegt ze. Sjarrel’s schouders worden flauwtjes opgehaald. “Echt hoor, je hebt heel mooi haar,” houdt ze aan. Sjarrel reageert niet. “Zou ik jouw haar mogen aanraken ?” vraagt de vrouw. Weer flauwen de schouders. Ze strekt haar hand uit en streelt Sjarrel’s haar.

Aanvankelijk vindt hij het enorm irritant. Zit je daar te zwelgen. Komt iemand je strelen. Dan sluit hij zijn ogen. Zacht begint hij te spinnen. Dan luider. De hele bank trilt ervan. Sjarrel spint en spint. En plots trilt de grond mee. En alles gaat ineens hard. Het bankje en de twee zitters storten in een gat. Maar Sjarrel merkt niks. De vrouw streelt door. Sjarrel spint. En de aarde verzwelgt hem.

Krouwt of klauwt of weetikhet


Verhaal door René van DensenDe collega praat met volle mond en zijn woorden schieten kruimels over de tafel. Het is een vurig betoog. Dus wordt er ook fors wat afgekruimeld. Hoe slim ik ben dat ik in deze tijd mijn verhaaltjes op internet schrijf. Dat heeft de toekomst, kruimelt hij. Ik moet in de klauwt, zegt hij. De klauwt heeft de toekomst. Tussen de medeklinkers door zie ik zijn lunch in brokken rond zijn mond tuimelen. Een tikje bedremmeld kijk ik naar mijn nagels. Ze zijn vies. Ik doe weer eens werk waar je nagels vies van worden. Van alle werk worden mijn nagels vies. Behalve als ik schrijf. Dan zijn mijn nagels schoon. Geen idee hoe dat komt. Een kruimel spat op mijn nagel en ik kijk weg, naar de muur.

De kracht zit hem in de krouwt, spettert de collega. Ik moet de krouwt mobileren. Werken met maaikroowpeejmunts. De collega praat niet alsof hij weet waar hij het over heeft. Ooit wist ik dit allemaal wel. Het trok me echter nooit aan. Geld verdienen. Sowieso niet echt. Anders waren mijn nagels nu niet vies. En geld verdienen aan stomme korte verhaaltjes die ik op internet zet, lijkt me ook niks. Dan blijf ik thuis, de hele dag. Maak ik niks meer mee. En ben ik snel uitverteld. Zwarte nagels horen er wel bij, kortom. Ik zou me de vinketering vervelen als ik alleen maar schreef. Maar dat zeg ik niet. Mijn collega droomt het namelijk al helemaal voor zich. Dat ik vanaf een klauwt, gesteund door de krouwt, de godganse dag maaikroowpeejmunts binnenhark of weetikhet.

Ik schraap mijn keel en mompel iets van jaja en dat het mooie tijden zijn. Dat levert een nog enthousiaster spervuur aan kruimels op. Ik ben het nu praktisch verplicht, geloof ik, dat ik voor de krouwt ga werken. Hopende dat de collega erover ophoudt, pulk ik wat aan het nagelzwart. Verbaasd trek ik het onder mijn nagel uit. Het is een lange zwarte kleverige zooi. Ik trek het verder uit. De smurrie is nu al twintig centimeter lang. Ik trek en trek aan het zwart. Net of al het zwart dat ik in mijn leven onder mijn nagels heb gehad, een reünie houdt. Het zwart heeft een grote sociale cohesie. De kleverige draad wordt langer en langer. Overmoedig proberen de kruimels gaten in de smurrie te slaan, maar ze blijven machteloos hangen. Er komt geen einde aan het zwart. Mijn collega valt stil. Of zijn brood is op. Of weetikhet.

Heenreis


Verhaal door René van DensenDe bus hobbelt over de weg. Meter voor meter vraag ik me af of dit wel zo’n strak plan was. Ja, het heet inderdaad vakantiegeld. Maar dat je het krijgt, betekent niet dat je het daaraan moet uitgeven. Veel mensen doen dat helemaal niet. En zeker niet als ze zo weinig gekregen hebben als ik. Mijn overgemaakte vakantiegeld werd berekend over één gewerkte dag. Het betaalt net de busreis naar het kleine Belgische plaatsje. De heenreis. Hoe ik terugkom, weet ik nog niet. Wat ik er ga doen, weet ik nog niet. Ik heb verstandigere plannen in mijn kop gehad. Niet veel, maar ze wáren er wel.

Misschien kom ik wel helemaal niet terug. Bekijken ze het allemaal maar, in dat Nederland. Op zich vind ik dat niet zo’n erg idee. Alleen ga ik mijn kat wel missen. Die heb ik vanaf mini. Niet dat ze nu erg groot is. Maar minder mini dan toen ze mini was. En ze is Belgisch. En ze blijft dwars door alle ellende tegen me aankruipen. Nee, als ik wegga en niet terugkom, moet zij meegaan. En ze is nu niet mee. Dat helemaal niet terugkomen, dat gaat hem dus niet worden. Ik brom wat en kijk uit het raam.

Het is veel te warm voor een vakantie. En morgen moet ik ook gewoon weer allerlei dingen. Dagjestrips zijn geen vakanties. Slappe hap. Voor durfniks. Op en neer, terrasje doen en weer naar huis. Ik vind deze vakantie nu al verschrikkelijk. Impulsief druk ik op de knop. De bus remt scherp. Ik drukte net voor de volgende halte. Demonstratief zwaaien de deuren open en ik stap uit. Ik was pas twee haltes onderweg, dus de terugreis is nog prima te lopen. Wat gaat mijn kat blij zijn om me te zien. Zeker vijf minuten weggeweest. Je maakt wat mee, als dappere wereldreiziger.

Statiegeld


Verhaal door René van DensenAch ja, het is zover he ? Opa had het beloofd. Dat klopt. Goed. Waar vertelt opa dit keer eens over ? Ach, ik weet het al: ik ga jullie vertellen over statiegeld. Ja, jullie hebben nu nog geen idee wat dat is, maar dat zal opa jullie eens fijntjes uitleggen. Ga er maar eens goed voor zitten.

Eens zien. Gisteren had ik verteld wat geld was he ? Okee. Wel, statiegeld was, hoewel je dat zou denken met die naam, geen geld. Statiegeld, dat betaalde je zelf, en kreeg je later terug. Nee, nog even geen vingers, eerst opa even. Je had in die tijd wel eens dat je drinken kocht in flessen. Ja, toen moesten we alles nog verpakken. Er is zó veel veranderd, man man. Maar ik dwaal af. Flessen, wat dat zijn, pfoei… Eh… Flessen, dat zijn zo van die… dingen. Waar je iets in kan doen. Ja eh, zoek maar een fotootje op ervan, dan snap je het wel. Dit zijn van die dingen zoals die olielamp. Met die geest. Ja. Je moet even weten wat het is en waar het voor diende. Dan snap je veel dingen van vroeger ineens beter.

Zo was er flessenpost, in veel verhalen. En vervuiling. Dat kon toen nog gewoon, vervuiling. Men deed er wel af en toe een klein beetje iets tegen, maar eigenlijk niet echt. We wisten de gevolgen wel maar dachten dat het allemaal niet écht zou gebeuren. Ja, wat waren wij dom, he. Maar goed. Statiegeld, dat was zo’n dingetje, daarmee probeerden we vervuiling ook een beetje tegen te gaan. Dan kocht je drinken, en voor de verpakking betaalde je geld, en als je de verpakking daarna leeg terugbracht, kreeg je dat geld terug. Het werkte heel goed, zoals je je kunt voorstellen, als je gisteren goed opgelet hebt. Geld was belangrijk voor de mensen. En zo was er minder vervuiling. Uiteindelijk schaften we het systeen na een paar decennia af, want in die tijd stopten we met alles wat goed werkte. Dat van die privatiseringen had ik ook al veteld he ? Okee. Ik wist het even niet zeker meer.

Dat statiegeld was dus helemaal geen echt geld, nee. Dat was een soort borg. Maar opa had in die tijd heel veel vrienden die dachten dat dat wél geld was. Die kwamen dan langs en brachten hun drinken mee. En dan lieten ze de verpakkingen achter. Opa had toen heel weinig geld en de vrienden dachten dat het heel genereus van hen was. ‘Mag je inleveren,’ zeiden ze dan royaal. En dan stond opa’s kast heel snel vol met vanalles. Je moet weten, kindjes, dat niet elke verpakking zomaar overal ingeleverd kon worden. De ene supermarkt accepteerde de flessen van de andere niet, en omgekeerd. Dus opa mocht dan altijd met al die flessen de veelvoud aan supermarkten af om uit te zoeken waar hij de boel kon inleveren. Toen het statiegeld afgeschaft werd, was opa dan ook heel blij. Toen namen alle gasten van opa weer gewoon beschaamd hun eigen verpakkingen mee naar huis. Of gooiden ze weg. Niks geen ‘mag je inleveren’ meer. Opa heeft een bescheiden flesje champagne gedronken, de dag dat statiegeld afgeschaft werd. Nou, weten jullie dat ook weer. En morgen vertel ik jullie over copyright. Dat was ook een dingetje hoor, poeh poeh.

Boodschappen


Verhaal door René van DensenIk moet vandaag de boodschappen doen. Vanwege mijn luie natuur moeten er heel veel boodschappen gedaan worden. Mijn nieuwe woning staat op een mooie locatie met veel natuur en nul supermarkten in de buurt. Mijn bezoekjes aan de supermarkt hebben steeds grotere intervallen. En de lading boodschappen die ik meesleep wordt steeds groter.

Ik ben blij dat ik geen vriendin heb. Mijn denkbeeldige vriendin zou waarschijnlijk eisen dat er vaker boodschappen gedaan werd. En vaker de afwas gedaan werd. En dat de rotzooi van de probleempoes en de logeerhond opgeruimd werd. En dat de was vaker gedaan werd. En dat er vaker stofgezogen werd. In dit huis bevinden zich vier stofzuigers. Één is van mij. Ik heb hem sinds ik hier woon pas één keer aan gehad.

Ik kijk naar de wolken die zorgen dat het vandaag iets minder heet is dan gisteren. Ik vraag de wolken of zij niet even de boodschappen voor me kunnen doen. Dan geef ik ze wel het geld mee. De wolken denken er even over na en zeggen dan dat ze niet kunnen. Ze zijn aan het werk. Ze moeten nog de hele dag drijven. Ik heb medelijden met de wolken. Ik heb vrij vandaag. Ik drink een biertje in de zon. Dit is het laatste blikje in huis. Ik ga maar eens naar de supermarkt.

Oorspronkelijk geschreven op 3 augustus 2013, de logeerhond-saga dreigde verloren te gaan in de Facebook archieven

Gaus


Verhaal door René van DensenOmdat er mensen hebben gevraagd om meer verhalen over de logeerhond, houd ik de logeerhond strak in de gaten. Als de logeerhond iets doet dat het navertellen waard is, zal het mij niet ontgaan. De logeerhond ligt in zijn mand en smelt in de zon. Heel langzaam. Het is niet bepaald spannend. Ik vraag de logeerhond of hij nog iets spannends gaat doen. Loom kwispelt de logeerhondstaart éénmaal. Dan smelt de logeerhond verder.

Ik rook een elektronische sigaret. Iemand heeft mij de elektronische sigaret gegeven. De elektronische sigaret smaakt best vies. Maar hij is nog niet op. Heb ik dat. De logeerhond gaapt.

Buiten hoor ik sirenes en zie ik een ambulance en een politiewagen voorbij snellen. Maar ja, om verhalen over ambulances en politiewagens hebben de mensen niet gevraagd. De mensen willen verhalen over de logeerhond. Ik geef de logeerhond een por. Hij kreunt zachtjes. Ik geef hem een schop in zijn zij. Mijn voet komt klem te zitten in smeltende logeerhondbrij.

Langzaam zink ik weg in de smeltende logeerhondbrij. De logeerhondbrij is van een comfortabel warme temperatuur. Al snel zit ik tot mijn buik in de logeerhondbrij. Ik kan niet bewegen en zink maar door. Even vraag ik me af of dit Martin Gaus ook wel eens overkomen is. Net voordat ik met mijn hoofd kopje onder ga in de smeltende logeerhondbrij, durf ik daar ernstig aan te twijfelen.

Oorspronkelijk geschreven op 2 augustus 2013, de logeerhond-saga dreigde verloren te gaan in de Facebook archieven

Veelvoud


Verhaal door René van DensenVanwege de logeerhond sta ik vroeg op. De logeerhond blijkt namelijk niet naar de kattebak te gaan. Dat is een tegenvaller waar ik geen rekening mee hield toen ik beloofde op de logeerhond te letten. De kat kijkt me raar aan want normaal slaap ik nu nog. Ze blijft op bed liggen. Ik zie een zonsopgang in de zomer. Normaal overkomt me dat alleen net voor het slapen gaan.

Een groepje jonge kerels staat bijeen in het midden van een grasveld. Ik heb geen idee wat ze daar doen. Ik heb nog geen koffie op dus ik sjok over de straatstenen. De jongen met de irritantste stem roept tegen de rest dat sommige mensen op dit tijdstip hun hond uitlaten. De logeerhond rent meters voor me uit. Ik mis mijn bed. Gelukkig past de kat daar op.

Als ik elke dag zo vroeg op ga staan, kan ik niet meer zo laat opblijven als ik normaal opblijf. Ik voel me bij thuiskomst geconfronteerd met een veelvoud aan ochtend. Zelfs een wandelronde later is de ochtend pas net begonnen. De kat confisqueert de bovenverdieping en wil niets meer van mij of de hond weten. Ze slaapt lekker in de zon. Ik heb net even gekeken. Van pure ellende ga ik dvd’s kijken op de bank. De logeerhond staart me aan vanuit zijn mand. Hij kwispelt onophoudelijk.

Ik besluit de dvd’s die ik kijk, weg te geven. In het gemene ochtendlicht zijn de films niet heel erg goed. Misschien geef ik ze aan een dakloze. Of aan een buitenlander. Alle films hebben Nederlandse ondertiteling. De kwispelende logheerhondstaart klapt op het laminaat. Klap, klap, klap. Het klinkt alsof de logeerhond applaudiseert voor de slechte films. Ik kan niet wachten tot de logeerhond weg is.

Oorspronkelijk geschreven op 1 augustus 2013, de logeerhond-saga dreigde verloren te gaan in de Facebook archieven

Logeerhond


Verhaal door René van DensenHet is de tijd van het jaar dat veel mensen dingen ondernemen waarbij huisdieren niet handig zijn. Zo loop ik een logeerhond op. Mijn kat is het niet met de komst van de logeerhond eens en verstopt zich in de boekenkast. Ik bel met een vriend die ik lang niet meer gesproken heb.

De eigenaar van de logeerhond kent me ook op Facebook. Ik leg mijn idee aan de telefoonvriend voor om de logeerhondeigenaar te bestoken met verzonnen berichtjes van gevaarlijke situaties waar ik de logeerhond in plaats. Dat ik de logeerhond in het bos uitlaat tijdens onweer. Of dat ik de logeerhond opfok om met een pitbull vier deuren verderop te gaan vechten.

Mijn vriend zegt dat dat niet aardig van mij is. Ook de daaropvolgende ideeën kunnen rekenen op zijn afkeuring. Zelfs de heteluchtballonvaart met de logeerhond roept geen enthousiasme op. Het bezoekje aan een chocoladefabriek levert zelfs een misnoegd snoeven aan de andere kant van de lijn op. De reacties van mijn telefoonvriend zijn funest voor mijn inspiratie, want al snel heb ik geen ideeën meer.

Mijn vriend zegt dat ik volwassen moet worden. Ik kijk een tikkeltje beteuterd naar mijn schoot. Op mijn schoot ligt mijn dichtbundel. Ik heb de dichtbundel teruggekregen van een medewerkster van een fatsoenlijke boekenwinkel. De medewerkster vond het toch niet haar ding. Ik heb de medewerkster haar geld teruggegeven. Nu heb ik geen geld voor brood.

Mijn vriend zegt dat mijn problemen niets voorstellen. Hij ligt zelf met een gebroken voet op de bank. Ik heb geen gebroken voet. De logeerhond kauwt op een van mijn gedichten. Het is een gedicht over een dode kat. Vanuit de boekenkast kijkt mijn boze poes het tafereel aan. Dan strekt ze zich uit. Er vallen een paar boeken op de logeerhond.

Oorspronkelijk geschreven op 31 juli 2013, de logeerhond-saga dreigde verloren te gaan in de Facebook archieven

De goedheid van de mensen


Verhaal door René van DensenDe strip van mijn pijnstillers klinkt als een plastic melkkuipje. Mijn kat is op veel dingen geconditioneerd. Melkkuipjes mag ze normaal gezien uitlikken, dus komt ze toegesneld. Oh. Het zijn pilletjes. Toch even ruiken. Nee, geen koffiemelk. Dan huppelt ze weer springerig de tuin in. Ik heb nog nooit een kat met rugpijn gezien, bedenk ik me. Misschien had ik beter in de gaten moeten houden hoe die dat flikken. Ik zit in de grote leren schrijversstoel en kan me amper bewegen. Als ik wil schrijven, moet ik voorover leunen en strak in die houding blijven zitten. Dan lukt het. Daar wacht ik nog even mee. Ik moet iets te vertellen hebben. De steken in mijn rug leiden af. Geduldig wacht ik tot de pijnstillers werken.

Ik probeer me bevoorrecht te voelen. Ik héb werk. De krant, radio en teevee zeggen me dat lang niet iedereen zoveel geluk heeft. Ik ben weer zelfstandig aan het participeren in onze maatschappij. Op mijn sterke schouders rust het lot van de zwakkeren. Gelukkig niet op mijn rug, denk ik. Met forse steken voel ik de goedheid van de mensen waar ik aan bijdraag. Voorzichtig ademen, dan gaat het wel. Een blik op de klok. Joepie, nog vijf uur en dan mag ik weer participeren. Stom dat ik al bijna drie uur wakker ben door die rug, maar ja, dan heb je tenminste wel een christelijk tijdstip dat je opstaat. Zo heb je nog eens wat aan de dag. De morgenstond heeft, naar het schijnt, goud in de mond. En meer van dat moois dat je jezelf dan maar voorhoudt.

Als ik niet ga, vertel ik mezelf, is het weer gedaan met mijn zelfstandige deelname aan de samenleving. Dan dupeer ik de medemens. Met mijn nood aan eten en een dak boven mijn kop. En erger nog, dan krijg je weer al dat wantrouwen van de goedheid van de mensen op je dak. Een werkende mens die crepeert, die is een actieve en gewaardeerde deelnemer aan de wereld. Als die mens ook nog eens een fors deel van zijn inkomen spendeert, nog beter. Daar worden we allemaal sterker van. Ik schaam me voor mijn geweeklaag. Misschien dat ik nog best een dag doorkom met deze rug. Gewoon nog een pijnstiller extra. En een paar meenemen naar het werk. Doorbijten. Je bent een vént. Bij het geknisper van de pillenstrook komt mijn kat wederom aangesneld. Wij zijn allebei netjes geconditioneerd.

De economie en ik


Verhaal door René van DensenNeuriënd loopt de economie over straat. Ik zwaai naar hem. Hij zwaait enthousiast terug. We kennen elkaar wel. Niet dat we heel veel met elkaar te maken hebben; laat ons elkaar goede kennissen noemen. De economie en ik zijn zwaai-kennissen.

Ooit vertelde een collega van vroeger mij dat hij een hoi-kennis had. Elke dag kwam hij dezelfde man tegen, onderweg naar het werk. De andere man waarschijnlijk ook, maar dat wist mijn collega dus niet zeker. En dan zeiden ze even hoi. De collega had geen idee of de man kinderen of kopzorgen had. Wat zijn lievelingskleur of zelfs zijn naam was. Waar de man woonde. Hij wist maar één ding: komen we elkaar tegen, dan zeggen we hoi. En dat deed hij. En de andere man ook. Misschien zijn ze ooit meer dan hoi-kennissen geworden. De economie en ik kennen elkaar wel beter dan dat. We zwaaien de zwaai van ons kent ons.

Ik steek de straat over en vraag hem hoe het gaat. Goed hoor, zegt hij monter. Het ging even wat minder, maar ik ben er weer helemaal bovenop. Goed man, zeg ik. Hij knikt en zegt dat alles goed komt. Hij heeft een plan, zegt hij. Oh, vraag ik ? Ja, zegt hij glunderend: mijn nieuwe plan gaat uit van dat mensen heel veel dingen willen kopen. Dat willen ze al decennia, dus dat is een goede aanname. Weet je dat wel heel zeker, vraag ik. Ja hoor ! roept de economie enthousiast. Er zit veel leven in de economie. Toch meer dan de vorige keer dat ik mijn zwaai-kennis tegenkwam.

Wat nou, opper ik voorzichtig, als de mensen niet zo graag meer heel veel dingen willen kopen. Heb je daar ook rekening mee gehouden ? Nou… nee, zegt de economie. Maar waarom zouden ze niét graag heel veel dingen willen kopen ?? Iedereen wil toch kopen, kopen, kopen ? Gekkie, zegt hij, en geeft mij een speels stompje tegen mijn schouder. Maar stel he, zeg ik nogmaals. Beeld het je eens in, wat blijft er dan nog van je plan over ? De economie valt even stil en denkt na. Dan trekt hij wit weg. Voor mijn ogen stort de economie op straat in. Zul je zien dat het nou weer mijn schuld is.