Namaak


Verhaal door René van DensenWanneer de Opperpater teveel lawaai maakt, fluit zijn vogeltje. Letterlijk. De Opperpater heeft een vogeltje. In een kooitje. Het vogeltje stoot fluitgeluit uit als een bepaald aantal decibel overstegen wordt. Het vogeltje is namaak. Het is gekocht omdat de benedenburen klaagden over het lawaai. De Opperpater is zelf al niet de stilste man ter wereld. Sommige van zijn gasten zijn nog lawaaieriger. Het vogeltje is er dus om gelazer met de buren te voorkomen.

“Kijk, knikker,” zegt de Opperpater, en hij pakt een object van zijn kast. Het lijkt een heel stijve kat. Ik vraag verbaasd of hij een opgezette kat heeft. “Ja,” glundert de Opperpater, “zeker, knikker. Superhandig. Het eet niks, het schijt en piest niet, loopt niet weg.” Ik vraag wat er dan leuk aan is. “Je kunt hem wél fijn aaien, knikker,” demonstreert de Opperpater. Zijn hand strijkt ruw over het beestje. Aai, aai, aai, aai, aai.

Ik vind de kat er gek uit zien. Is hij echt opgezet, informeer ik. “Nee natuurlijk niet, knikker,” lacht de Opperpater. Hij tilt de kat op. De onderkant is een grijze, vlakke plaat. “Dit is gewoon made in China. Gekregen.” De Opperpater lacht. Hij wijst op de planten in zijn vensterbank. Ook namaak. “Dat water in de vaas, gewoon een plastic laagje, meer niet. Superhandig. Geen omkijken naar.” Ik voel me heel ouderwets. Met mijn levende poes, vissen, vogeltjes en planten. Voorzichtig proef ik mijn bier, maar dat blijkt echt te zijn.

Eersteklas


Verhaal door René van DensenIk zwaai wat vaag met mijn mobiel. Natuurlijk heb ik netjes per SMS betaald, maar niet alle buschauffeurs hebben zin om dat te controleren. De chauffeur knikt en lacht. Wanneer hij me ziet worstelen met mijn valies, roept hij, als geschrokken van zijn onhoffelijkheid, dat hij de tweede deur wel even opent. Ik vind dit nu al een fantastische chauffeur. Vind die in Nederland nog maar.

Een kleine kilometer verder roept hij de bus in “Jongeman, moest jij lijn 9 hebben ?” Een jongen schrikt wakker uit zijn verzonken gedachten. “Dan kun je best nu naar voren komen,” roept de chauffeur. De jongen haast zich niet. “Stap hier uit en ga zo snel mogelijk naar de halte om de hoek, want hier komt hij al aan. Om de hoek. En snél !” De jongen stapt uit en slentert naar de straathoek. Dan ziet hij lijn 9 voor zich langs passeren en rent er verschrikt achteraan. De chauffeur lacht: “Ik heb het nochtans twee maal gezegd.” Als het stoplicht op groen springt en ook wij de hoek om kunnen, staat de jongen niet bij de halte.

Collegiaal zit de man met de kleurrijke stropdas te kletsen met een openbaarvervoerscollega. Ik wacht. Hij wenkt, dat dit geen klant is en hij me best wil helpen. De collega blijft doodleuk staan terwijl ik mijn kaartje vraag. Hij vraagt hoe het kan dat ze nog op Windows XP werken. “Ahja, dat marcheert nog wel,” zegt de man wiens stropdas vol met NMBS-logo’s staat, “maar de security wordt niet meer gepatched. Maar ja, we zijn toch al verantwoordelijk geweest voor het grootste datalek in de mensengeschiedenis, dus dat we pas in 2015 van XP afstappen…” Ik grinnik wat, hij grijnst: “Voor de liefhebbers: de volledige gegevens van álle abonnementhouders stonden open en bloot online. Zes maanden.” Ik pfoe wat. Het is in zulke gesprekken zaak eerst te reageren en dan pas na te denken. Bij het nadenken besef ik me dat dat inderdaad een enorm datalek is. Maar we lachen, want het is altijd wat met de wereld.

In de trein loopt een oude vrouw vertwijfeld de coupé in. Ze kijkt op haar kaartje, dan naar de ruime, luxueuze stoelen. “Pardon meneer,” vraagt ze aan me, “is dit tweede klasse ?” Ik snap haar verwarring. Deze ochtend is álles eersteklas.

Zombies


Verhaal door René van DensenOntegenzeglijk heb ik wel leuker gedroomd. Het huis krioelt ervan en ik kan me nergens veilig terugtrekken. Geen deur stopt ze. Doorheen het hele huis ben ik op vlucht voor zombies. Ze klauwen en grommen. Het is rete-irritant. Ik roep naar de zombies dat ze me even met rust moeten laten. Dat ik moe van ze word. Of ze niet even zichzelf kunnen vermaken of zo. Er staat bier in de koelkast, roep ik. Geen reactie.

Al snel zit ik op zolder. De zombies duwen tegen het luik. Ik heb geen idee wiens zolder dit moet voorstellen, want zelf heb ik geen zolder. Daardoor besef ik me dat dit misschien niet echt is. Dat maakt de stomme zombies nóg irritanter. Ik stamp op het luik en zeg dat de zombies een baan moeten gaan zoeken. Of een goede hobby. Dat ik hen toch ook niet thuis lastig kom vallen. De zombies luisteren niet. Het luik houdt het niet lang meer.

Ik stap van het luik af en loop naar een raam. Even sluit ik de ogen. Dan vliegt er een reusachtige, meergekleurde draak voor het raam. Hij heeft een toverstafje. Knipogend zwaait hij ermee terwijl de zombies door het luik bovenkomen. En weg zijn ze. De draak zwaait en vliegt weg. Ik vind dat de draak gelijk heeft met zijn actie. Iedereen weet immers dat zombies niet bestaan.

Lek


Verhaal door René van DensenIk moet u vooraf waarschuwen. Er zit een groot veiligheidslek in dit verhaal. Terwijl u leest, bij elk woord, loopt u een groter en groter risico (en groter en groter) dat het lek overspringt naar u. Wat kan dat voor gevolgen hebben, zou iemand die hier nog niet direct van geschrokken is, zich afvragen. En dat is nog best een goede vraag ook. Dat geef ik dan eerlijk toe. Ja, je kunt beter afdoende geïnformeerd zijn, immers. Ongeïnformeerde angst is een gevaarlijk goedje.

Eerlijk gezegd is het lek nog vrij nieuw, dus de gevolgen zijn nog niet volledig in beeld. Één persoon die dit verhaal las, die liep gewoon helemaal leeg. Was niet meer te houden. Bleef maar praten. Alles kwam eruit. Alle familiegeheimen, telefoonnummers, verleden PINcodes, ware schoenmaat, kortom, alles wat u eigenlijk niet wou weten. Het leeglopen heeft uiteindelijk vijf volle dagen geduurd en daarna was er niets meer over van de persoon in kwestie.

Nu is dat niet gegarandeerd. Sommige mensen die dit verhaal hebben gelezen, hebben als enige schade dat ze merken dat bij de derde alinea eigenlijk nog steeds niets verteld is. Dat als dat risico op een lek per woord zou toenemen, ze nu toch onderhand wel aardig de sjaak zijn. Toch stopt men niet met lezen. Met name één specifiek type mensen moet echt per se het verhaal tot het einde uitlezen. Die willen namelijk, koste wat kost, één ding weten.

Rocky


Verhaal door René van Densen“Hij doet niks hoor,” zegt de man zo goeiig mogelijk. De kleine hond gromt. Met een soort van hortend blaffen. “Dat is gewoon angst,” zegt de man. “Wij hebben dat beestje nu, hoe lang, lieverd ? Een maand, ongeveer. Ja, een maand. En je weet niet hoe die behandeld is geweest op zijn vroeger adres hè. Maar die heeft schrik van alles en iedereen, dus het zal niet goed zijn geweest.”

Hij schenkt zijn bier zijn glas in terwijl de hond de leiband rond zijn benen wikkelt. En blijft grommen naar me. “Rocky, kom op, nu is het genoeg,” zegt de man. Hij duwt de hond naar mij toe, waarop die nog harder schrikt, begint te kefgrommen en onmiddellijk weer achter zijn benen vlucht. “Je mag dat niet forceren he, dat weet ik eigenlijk ook wel.”

Hij vraagt aan de bediening of ze iets suikervrij hebben. Koffie, is het antwoord. Of water. Daar kunnen ze eventueel een citroen in doen. En, na nog één keer nadenken: ijsthee. “Doe dan maar een cola,” zegt de man. Hij keert zich weer naar mij. “Mijn lief heeft diabetes,” wijst hij naar zijn vriendin aan tafel. “Ik vind dat zo zielig voor haar, want ze mag niets meer. Bij alles wat we eten of drinken zit zij er droef bij, van, dat mag ik allemaal niet meer. Maar ja, op den duur mag je niks meer. Dus cola voor jou, hè schat.”

Nog altijd gromblaft de hond. “Rocky, kom op, het is al goed. Die doet echt niks hoor. Een grotere kans dat jij hem iets aandoet dan hij jou. Maar pas op, ik zeg niet dat je het zou doen he, maar zou je hem iets aandoen, dan heb je met mij te maken. Dan ga ik ook niet zachtzinnig zijn. Dan gooi ik je op het spoor, mannetje. Dan sla ik je kop in. Nee, en nogmaals, ik zeg niet dat je het zou doen he, maar dat moet je niet doen hoor.”

Grrrrrrwoef woef grrrrrwoef. “Dat is echt van die vroegere ervaring geweest. Die zal heus wel geslagen zijn. Net als mijn vriendin,” hij wijst nog eens, “ook in haar vorige relatie. Dat heelt niet hè. Dat blijf je dan met je mee dragen.” Wanneer hij een slok van zijn bier neemt, is het ’t eerste moment dat hij zwijgt. Enkel de hond is nog te horen.

Barst


Verhaal door René van DensenIk weet niet eens wat er gebeurd is, maar ik zit alles weer te lijmen. Schijnbaar is het poëzie-evenement van dit weekend (inclusief vanavond) in gevaar. Lees ik vóór ik kan vertrekken. Mensen in onmin. Altijd goed. Maar daarnaast nog is mijn bril verbogen en bekrast. Ik ben mijn hoed kwijt. Mijn fietshandschoenen zijn er maar half: links, om precies te zijn. Kortom: het is duidelijk weer vrijdag.

Er zit een barst in mijn bestaan. Er zit altijd een barst in mijn bestaan. Iets dat niet klopt. En als alles even klopt, dan drink ik tot het niet meer klopt. Tot ik in een situatie als deze wakker word en er dingen gelijmd moeten worden. Barsten gefixed. Want dat moeten ze. Altijd. Zo is het leven.

Ik zou soms tegen het leven willen tegenwerpen dat ik maar een groot kind ben. Dat ik liever een lolly had en een aai over de bol. En iemand die op me let als ik idioot doe. Maar dat alles heb ik niet. Ik heb een barst in mijn bril. En ik ben mijn hoed en één fietshandschoen kwijt. En ik reis misschien wel puur voor mijn eigen lol naar Gent, als dat stomme festival niet doorgaat. Dat is eigenlijk het enige mooie bij dit opstaan. Want de poëziefestivals mogen van mij allemaal barsten.

Filmvertoning

Verhaal door René van DensenIk sta voor de kast en vraag me af wat ik meeneem. Morgenavond draag ik een gedicht voor. Ééntje. Het is een gedicht als inleiding op een film die vertoond wordt. Het is mijn tiende filmgedicht. Toch word ik nog elke keer zenuwachtig.

De film is wel heel mooi. Het begint met een oude vrouw die een poëziecursus gaat volgen. Maar dan duikt er een dood meisje op. Plots komen er hordes reusachtige monsters en die stampen haar dorpje plat. Alle gebouwen gaan eraan. De monsters blazen vuur en schieten bliksems. Vanalles ontploft en mensen duikelen door de lucht. Ze roepen Aaaaaaaaaaah. Boem, knal, flits, Aaaaaaaaah.

Dan duiken er plots zes Chinese dichters op. Iedereen dacht dat deze dichters dood waren, maar ze leven nog. Het zijn de Poet Rangers. Ze pakken hun pen en papier en fluks schrijven ze gedichten. Hierdoor worden ze levensgroot. Ze vechten met de monsters. Dan duikt er een enorm monster op dat zeker tien keer zo groot is als de andere monsters. De dichters lijken aanvankelijk snel verslagen. Maar een pep talk later hervatten ze zich. Ze springen op elkaars schouders en vormen zo één Superdichter. De Superdichter zwaait met een enorme, en nogal fallische vulpen. Na een bittere strijd legt het monster het af. De dichters doen een vreugdedans. Ze hebben de dag gered. De dorpelingen zijn veilig. Aan het eind zeggen de dichters tegen de dorpelingen dat ze trouwens ook wat bundeltjes te koop meegenomen hebben. De dorpelingen zeggen dat ze geen geld hebben, maar de volgende keer kopen ze zeker een bundeltje.

Pats

Verhaal door René van Densen“Dank je.”
“Mooi weertje toch nog vandaag.”
“Zet de schakelaar nog eens om !”
“Zeker mooi weertje vandaag ja.”
“We kunnen het slechter hebben.”
“Ja, pats, op dit stopcontact vliegt hij er ook uit dus.”
“Hoe is het met jouw maat ?”
“Goed, hij maakt het goed. Veel zuipen he.”
“Probeer het nog eens !”
“Hij was toen toch ook in die sloot beland ?”
“Ja, dat was een mooi verhaal inderdaad.”
“En pats, alweer. Het zit echt in de stekker.”
“Was hij bijna verzopen in die sloot, de gek.”
“Ja en die sloot is zo ondiep als wat, dat is het idiote.”
“Zet de schakelaar nog eens om !”
“En de volgende dag weer ’s ochtends vroeg in het café, je weet wel welke ik bedoel.”
“Ja, ik ken die plek wel. Tja, die jongen verandert niet zomaar.”
“Godver… het zit écht in die stekker. Kut, kut, kut.”
“Daar hadden ze trouwens pas geleëe nog stront aan de knikker.”
“Oh ? Wat dan ?”
“Ja, ik moet straks toch echt de terrasverwarming aan kunnen zetten.”
“Ja, op een week tijd: eerst betrapt dat ze te lang open zijn…”
“Ah, dat doen ze wel eens ja. Hier ook trouwens.”
“Geef die schroevendraaier eens !”
“… en later ook een keer dat er binnen gerookt was.”
“Ja, dat zijn leuke boetes tegenwoordig.”
“Gedoe altijd met die dingen. Waarschijnlijk kortsluiting binnenin de stekker.”
“Ze mogen dat hier ook wel eens controleren, trouwens.”
“Je moet echt van goede huize komen om in die sloot te kunnen verzuipen.”
“Ja zie je wel, helemaal losgetrokken.”
“Ontzettend veel geluk gehad, tot dusver, in dit café.”
“Wel nog een geluk dat hij aan dié kant van de weg belandde.”
“Dan zeg je dat één keer, of duizend keer…”
“Want als ze hier een keer ’s avonds binnen zouden lopen, oei oei.”
“De andere kant op, dat was wat erger geweest.”
“Altijd aan de stekker lostrekken !”
“Dan denken ze geen twee keer na, hoor.”
“Dan was hij een eind naar beneden geflikkerd en keihard terecht gekomen.”
“Doen ze het toch he, aan de draad trekken.”
“Meteen een boete.”
“Dat had hij echt niet overleefd.”
“Dan krijg je dit, dus.”
“Pats.”
“Pats.”
“Pats.”

Duizendeneen toepassingen van de kat


Verhaal door René van DensenHoe je het ook wendt of keert, zo’n kat gaat echt lang mee. Ze is ook breed inzetbaar. Of je nu de afwas schoonborstelt, de tuin aanveegt of je rug eens goed wil inzepen, ze is overal voor geschikt. Keertje goed uitwringen en klaar. Droog- en schoonlikken doet ze daarna zelf wel. Maar de toepassingen stoppen daar zeker nog niet. Staat de tafel of de piano een beetje scheef ? Steek gewoon de staart eronder en presto. Zo heeft zo’n kat duizendeneen toepassingen.

Toegegeven, het aangekoekt vuil van mijn fiets krijgt ze wat moeilijker uit haar vacht. Ze is al een halve dag aan het likken en nog is het niet schoon. Ik geef de schuld aan al dat wegonderhoud overal. Dat asfalt koekt snel aan, en je moet flink kracht zetten om de boel weer blinkend en roestvrij te maken. Maar niet getreurd, een half uurtje in de wastrommel en daarna even in de zon aan de lijn hangen en ze zal wel goed als nieuw zijn.

Ondertussen is het wachten natuurlijk wél irritant. Serieus, hoe moet ik mijn schoenen nu glimmend oppoetsen voor mijn gesprek vanmiddag ? En de dakgoot, daar kan ik ook beter een professional voor bellen. Het kost klauwen vol geld als zo’n kat het even niet doet. Ik hoop dat ik vanavond wel met haar kan stofzuigen. Zo wordt het natuurlijk niks met die voorjaarsschoonmaak. Overal rollen kattenharen.

De Tilburgse Dood


Verhaal door René van DensenHij was veel schrieler dan ik verwacht had. Een beetje sukkelig. Zijn pij zat ook niet goed. En die zeis… Duidelijk nooit goed onderhouden. Roest, inkepingen. Waarschijnlijk zo bot als wat. Je vraagt je bij zo’n aanblik toch direct af wie hem heeft opgeleid. En of een dagje extra training niet wat rijpere vruchten had afgeworpen. Maar goed: hij was er nu eenmaal, en hier moesten we het mee doen.

“Kom op,” sprak hij in plat lokaal dialect terwijl hij aan de arm van de ouwe man sjorde. “Dènk ’t toch nie,” bromde de man opstandig. Hij wenkte de barvrouwe om nog een versnapering. De Tilburgse Dood stond er een beetje ongemakkelijk bij. “Kom nou,” probeerde hij het nog eens, met nog zwakkere overtuiging. “Rot op,” duwde de man hem knorrig terzijde. Wankelend deed de Dood enkele onhandige stappen achteruit. Hij struikelde bijna over een tafeltje.

Terwijl de oude man kalm zijn jonge jenever dronk, ging de Tilburgse Dood beteuterd naast hem zitten. Hij keek naar het glas van de man. Onwillekeurig likte zijn tong over zijn lippen. Een zucht. “Ah toe,” pleitte hij zacht. “Kom nou mee. Eventjes maar.”