Ze hadden altijd wat, die meisjes. “Alleen die bríl,” of “alleen die puistjes, hè.” Of: “Die schoénen, die kunnen dus èèèèèèècht niet.” Er was een minimum van één slechte kwaliteit aan mij, en als die er niet was, dan was ik misschien overwogen. Want “verder” was ik “eigenlijk” nog “best een leuke jongen of zo”.
Zelf hadden ze net zo makkelijk een bril, of twee, drie keer zoveel puisten. Maar ja, het waren méisjes, en die moest je geweldig vinden. Pas toen de hormonen actief begonnen te worden, snapte ik wat we aan die holle sekreten moesten vinden. En toen eigenlijk nóg niet. Enkel wanneer mijn bloed voor mij nadacht.
Natuurlijk waren er ook áárdige. Twee, drie per decennium. Maar dan gaf ik natuurlijk weer vol gas. Doodsbang dat ze “goede vriendinnen” zouden blijven. En dat ze een andere klootzak zouden kiezen. Wat uiteraard ook gebeurde. En ik mezelf maar weer schoppen: wat een hork was ik geweest. Opnieuw.
Dat ongemakkelijke heeft er nooit echt uit gewild. Ik ben geen zelfverzekerde kerel die met bravoure strooit alsof het kruidnoten zijn van een fictieve knecht waar we niet meer over mogen praten. Oh, inmiddels heb ik wel een beetje geleerd hoe ik wat charme in de strijd werp – zelfs ontdekt dat ik wat charme héb – maar als puntje bij paaltje komt, krabbel ik toch vaak lafjes terug in mijn schulp.
Dan kijk ik van een afstandje naar wat ik aan het doen ben. Mezelf aan het aanstellen. Om, godbetert, een méisje. Wat beziélt me. Beetje de charmeur die ik niet ben, lopen uithangen. Om een paar stralende oogjes en een leuke lach. En een speelse vlecht. Of een leuk vallend bloesje. Om, ja, wáárom ?
Genoeg, denk ik dan. Kappen. Idioot. Stop ermee dat je er telkens weer intrapt. Het is het niet waard. Lekker onbelangrijk, allemaal. Stuk voor stuk. Lekker onbelangrijk.

