Op een ochtend word ik wakker en blijk ik plat te zijn geworden. Volledig plat. Alsof er tijdens mijn slaap een stoomwals over mijn bed gereden heeft. Mijn vingers zijn plat. Mijn voeten zijn plat. Plassen kan nog wel eens een probleem worden, is het eerste dat door mijn hoofd schiet. Ik ben een zeer praktische jongen.
Overeind komen valt ook niet mee. De lucht drukt me effectief tegen mijn bed aan. Met uiterste inspanning pel ik me los van de lakens. Overeind zitten lukt niet: ook mijn ruggegraat is plat. Ik krab even aan de rand van mijn hoofd hoe dit nu allemaal moet. Een stekende pijn in mijn platte vingertoppen. Ik kijk verbaasd naar mijn vingers en zie dat ik me aan mijn eigen kop gesneden heb.
Tijd om na te denken over de bizarre toestand heb ik niet echt. Ik moet vanalles doen vandaag. Dit komt echt heel slecht uit. Een verschrikkelijke dag om plat wakker te worden. Uiteindelijk besluit ik me dan maar op te rollen, bij gebrek aan een betere ingeving. Kokervormig kruip ik met hulp van mijn handen en voeten het bed uit. Ik rol mezelf de gang door en de trap af. Doordat ik bijna niks weeg, is het zowaar leuk om van de trap af te stuiteren. Maar dan lig je daar, onderaan de trap, voor de toiletdeur.
Ik ga niet in details treden, maar met een heleboel moeite is het allemaal ongeveer gelukt. Niet dat er sprake was van veel ‘ochtend exodus’. Uit een platte citroen valt immers ook geen sap meer te persen. Vervolgens lig ik, wederom in kokervorm, onderaan de trap. Hoe ik dié in vredesnaam ga beklimmen nu…
Met mijn platte vingers kom ik er, trede na trede, uit, maar het is een steile klim. Nooit eerder had ik zo’n moeite met een trap. Zwetend, puffend en kuchend bereik ik de bovenste tree. Ik rol terug naar mijn slaapkamer. Het volgende probleem: kleding. Niets blijkt me nog te passen: al mijn kleding is gemaakt op lichaamsvormen. Ronde armen, ronde buiken, voeten met een wreef. Moedeloos ga ik zitten met een schoen in mijn handen. Ik kijk naar binnen. Zou ik in de schoen passen ? Ik rol mezelf op en kruip in de schoen. Het past.
Ik besluit daar te wachten wat er nog meer gaat gebeuren. Zou ik de enige in de wereld zijn die dit overkomen is ? Je maakt wel eens wat grapjes over plat volksvermaak, of eendimensionale karakters, maar je kijkt lelijk op je neus als het je overkomt. Of tja, je kijkt dus niet op je neus. Ik wil er niet meer aan denken en wurm mezelf wat dieper de schoen in.

