Beloofd
In de noeste duimnagel
mijn beduimelde smoel
en ik smeek,
duw mij terug onder
ik kan hier niet staan
Slaakt een cynische bulder
en slaat met worstenvinger
op mijn rug,
Lees meer
In de noeste duimnagel
mijn beduimelde smoel
en ik smeek,
duw mij terug onder
ik kan hier niet staan
Slaakt een cynische bulder
en slaat met worstenvinger
op mijn rug,
Lees meer
Een moment van bezinning, dat is het punt, zo dacht Karel. Hij ging niet zonder omhalen een verhaal met hem aan de haal laten gaan. Het was zaak te zoeken naar bezinning. Hoe meer bezinning over zingeving, hoe minder plotseling plot de boel om zou komen ploegen.
Bezinning, dat doe je niet zomaar overal. Dat weet iedereen die wel eens wat met zinnen geworsteld heeft. Je hebt allereerst je marges. Die laat je leeg. Geen gekrabbel in de kantlijnen, dat leidt tot een slordige rommel. Van rommel valt geen zinnige bezinning te bakken. Als je voetnoten wilt kraken, moet je ook de ruimte voor de schillen laten. Dat was er nog zo eentje. Je kon prima de schillen gebruiken om op te lopen – het loopt niet heel gelijkmatig maar de olie is goed voor de vloer. Maar toch moesten de schillen allereerst ook wel kunnen neerslaan.
Lees meer
Lege wijnflessen in de hoek. Uit verveling in een natuurwetten negerende formatie op elkaar gestapeld. Zinfragmenten op het behang geschreven. Rik keek zijn appartement rond en voelde zich thuis.
De brievenbus zinde hem niet. Stomme brievenbus. Enkel rekeningen. Dat is alles wat de brievenbus ooit bracht. Rechthoekige metalen woordvoerder van een eeuwig schuldeisende wereld. Hij twijfelde. Nee, dat was niet mooi. Vieze zin. Vies bah weg.
Witte poederresten op de glazen woonkamertafel. Hoofd in zesde versnelling. En nog niets. Hij zou zo kunnen schrijven nu, als hij wou. Mooie zinnetjes in razend tempo op papier gooien. En de mensen, ze zouden weer oeh en ah doen. Hij misschien zelfs ook heel eventjes, nadat de zinnen geschreven zouden zijn. Bij vlagen vond hij zijn eigen werk briljant. En luttele seconden later liet hij ze weer achter in een mandje bij het grote weeshuis in zijn hoofd.
Lees meer
Wanneer hij dreigend naar me toe buigt, kijk ik hem recht aan. Ik zie een enorme leegte. Maar ook een overweldigende honger. Ze zijn me nu al uren aan het verhoren, hij en zijn maat. Wat ik misdaan heb, geen idee, maar daar zit ik dan, bij de cijfers. Specifieker: bij een agressieve acht en zijn wat mildere maatje zeven. Wat waarschijnlijk een spel is. Good count, bad count.
Lees meer
Je denkt nog zo, als deze horde genomen is, ja, dan. Dan he. Echt, dán. Groener gras. Zon ketsend op in verrukking rechtstaande huidhaartjes. Je eigen soundtrack op de achtergrond. Alles prachtig. Maar dan sta je op en blijkt er weer alleen maar meer ademen te zijn.
Lees meer
De man spreekt zo verhit dat er kleine druppeltjes rondspatten. Ik probeer wel te luisteren, maar de kwestie is zo oninteressant. Wel of geen mayo erbij. En dan dus gratis. Er zijn mensen die vinden dat gratis mayonaise getuigt van een progressieve, vooruitstrevende blik, een begrip dat de tijden nu eenmaal veranderd zijn. Anderen foeteren dat als je nu ook nog eens de ‘met’ inclusief maakt, er al helemaal geen ‘met’ meer is en ze beter meteen allemaal werkeloos thuis kunnen gaan zitten.
Lees meer
Als ik iets sneller had doorgelopen. Want de vorige miste ik slechts op enkele minuten. Had ik kunnen halen. En de sprinter, waar mijn collega naartoe rende, had zijn bestemming misschien ook nog bereikt. Maar ik had er gewoon geen zin in, in dat gehaaste. De trein van zeven uur was immers ook prima. Muziekje op de oortjes, boekje op schoot en lekker op het perron wachten, met schuine blikken om de andere perronbewoners te observeren. Het was een lange week geweest, dat half uurtje maakte nu ook niks meer uit.
Lees meer
Alsof het bestaat, een typische ochtend, zo typisch gedroeg deze zich. Natuurlijk werd cliché na cliché afgevinkt. Half net-wel-net-niet verslapen. In ondergoed, met één sok aan en een klotsende mok koffie, door het huis hoppen. Een minimum van één kat die halverwege de trap plots stilstaat, de trede over de lengte blokkeert en mij, al struikelend, verwachtingsvol en half bedelend aankijkt om wat aandacht. Het viel me nog reuze mee dat ik geen lekke band had.
Lees meer
Ze zou ziek worden van de woorden als ze al niet zo vaak uitgesproken waren. Mooi hoor. Tegen vriendinnen die hun biologische plicht etaleerden, in de lucht klauwend met minitieuze worstvingertjes en een riekbaar volgekakte luier. Mooi hoor. Een beetje jouw ogen. Bla bla. Dan wat standaard vragen over hoe de bevalling ging, hoe groot en zwaar de baby was, alle clichés die je kunt vragen omdat het verdomme maar een baby is en er niet meer over valt te vragen.
Mooi hoor. Wanneer de luchtklauwers van gisteren ineens vandaag jengelkinderen zijn geworden die aan komen zetten met een A4’tje met daarop onherkenbaar iets in kleurenlijnen gekriebeld. Had ze de tijd om de tekening te bestuderen, dan zou ze wellicht veel over de psyche van het kutkind ontdekken, maar zowel moeder als kind wilden onmiddellijke feedback. Dus werd de mooi hoor maar weer uit de hoge hoed getoverd.
Lees meer
Even twijfelde ik of ik het wel moest doen, maar je doet het uiteindelijk toch wel. Dus dat werd vroeg opstaan en door de kou naar het stadhuis. Want ik moest mijn identiteit verlengen. Blauwbekkend liep ik het overheidsgebouw binnen, waar de verwarming lustig erop los brandde. Een prikkerdeprik later had ik een briefje met een lettertje en een nummertje en moest ik wachten.
Lees meer