Jakkeren


Verhaal door René van DensenIk moet jakkeren, ik voel het in mijn bloed. Razen over de velden en loeien door de wolken. Ik moet hagelen en donderen tot het de aardkloot duizelt. De nieuwe tijdsperiode is aangebroken en ik probeer de energie vast te houden die ik voel borrelen. Het moet ergens heen, het moet eruit. Schreeuwend als een natuurramp wil ik denderen achter wegvluchtende volkeren aan. Maar vooral moet ik jakkeren. De jakkernood is hoog.

Maar dat gaat zomaar niet, zegt het luchtruim mij. We begrijpen best dat u wilt jakkeren, maar we willen allemaal wel jakkeren, meneer. Zou een mooie boel worden als iedereen er maar op los jakkerde. Dat zou een flinkje jakkerjanboel worden. Dat begrijpt u toch zelf wel, meneer. Als u nu een beetje briest, anders. En als het kan in de briesrij. Tussen de andere briezers. Dat lijkt er wat meer op. Zo houden we het hier overzichtelijk en gezellig, meneer.

Maar ik wil en kan niet briesen of briezen. Ik ben geen briezer. Met jakkerrood in mijn ogen kijk ik het luchtruim aan. Het luchtruim schrikt een beetje. Schudt wat met zijn paperassen. Kucht eens. Kijkt rond. Buigt dan samenzweerderig naar me toe. Ik begrijp het wel hoor, meneer, zegt het luchtruim. Ik wou ook eigenlijk veel liever eens flink jakkeren. Maar ja, we mogen niet, he, meneer. Strenge sancties. Sterker, eigenlijk had ik graag gehoosd. Of gesneeuwstormd. Maar dat kunnen we helaas op onze buik schrijven.

Misschien heb ik wel een dagje miezeren voor u in de aanbieding, kijkt hij in zijn map. Of anders een middagje kwakkelen ? Ik moet jakkeren ! roep ik hem toe. Dat kan hier niet, zegt het luchtruim stellig. Misschien kan dat in het buitenland allemaal wel, maar hier kan dat niet. We zijn hier een net luchtruim, meneer. U hebt het er maar mee te doen. Goedendag, meneer. En nukkig roert het luchtruim wat in zijn blauw met grijze wolken.

Misschien twee koekjes lang

Op bezoek
maar niet lang

Rondkijken en
weten, nee
hier blijf ik
waarschijnlijk

ook al niet

Eventjes dan
lang genoeg om
te weten waarom
ik nu weer niet
pas

Heel, heel
misschien
ietsje meer

Misschien
twee koekjes
lang.

Een gekleurde


Tillywood column door René van DensenGepubliceerd als column in Tillywood #6 / dec 2014

Het houdt niet op, het rumoer. Even weet ik niet waar ik ben. Niet in mijn bed, alvast. Smaak van schraal bier op de tong. Weer teveel gezopen. Voorzichtig tasten mijn vingers in het rond. Hebbes. Mijn bril. En hij is niet kapot. Even rondkijken.

Ik ben in een half vervallen industrieel pand dat wemelt van in vaalbruine T-shirts en vormeloze broeken gehulde jongmensen. Veel dreads. En vettige vlasbaarden. Ze prutsen aan wat schijnbaar kunstwerken moeten zijn, voornamelijk uit restmaterialen geproduceerd. Ik weet, kortom, nog steeds niet waar ik ben. Zou overal in deze stad kunnen zijn.

Verdwaasd loop ik wat over het terrein. Het eerste kunstwerk dat op mijn slenterig pad opduikt, is een enorme sokkel. Bovenop staat een zo onbetekenend mogelijk ogende waterkoker. Er zit zo te zien geen water in. De sokkel zit onder de schreeuwerige kleurpatronen. Ik kijk naar het bordje. Het stuk heet ‘Gekleurd objectief’. Kijk, zo’n grapje kan ik nog wel waarderen.

Maar ik heb dorst, dus laat ik een vervaarlijk met metalen tentakels om zich heen graaiend gedrocht links liggen en ga op zoek naar koffie. Of bier. Desnoods water. De tentoonstelling is duidelijk nog in opbouw; meestal is er dan nog een drankvoorraad aanwezig. Ik scharrel aan een geïmproviseerd tuintafeltje en vind wat Fairtrade koffie. Eerst deze behoefte laven: de kunst wacht wel.

Mijn jas is gelukkig vies, dus ik val niet op. Zo brak ik rustig even wat uit. Wanneer mijn ogen zich weer openen, lijkt de expositie in volle gang. In het veld lopen cultuurambtenaren de kunstwerken én kunstmakers te scouten. Ze steken in hun zondagse pakken scherp af tegen de ruimte, deelnemers en veelvormige afvalkunst.
Er staat een opgewonden man naast de kunstwerken te roepen dat het allemaal nergens op lijkt. In mijn ooghoek zie ik onze Nachtburgemeester op het dranktafeltje afkomen. Hij snuffelt tussen de blikjes bier en ingeschonken bekers wijn. Wanneer hij me ziet, klopt hij me op de schouder. “Was weer leuk, gisteren,” zegt hij op de hem typerende toon, tussen vragend en stellend in. Ik knik, maar ben niet zeker van mijn eigen antwoord. Het was vast wel leuk. Denk ik.

Drie kunstmeisjes huppelen rond en trommelen op zelfgemaakte tamboerijnen. Één kunstjongen springt op een tafel en staat, hard, iedereen wijzend uit te lachen. Drie andere kunstjongeren liggen op uitgerolde grasmatten en zuchten in koor. Een bonte bedoening, kortom. Mij is het allemaal iets te kleurig. Ik glip naar buiten. Daar weet ik niet zeker of de bushalte echt of kunst is. Hij oogt echt.

Noten


Verhaal door René van DensenIk heb een stukje gevonden waar het nog niet gesmolten is, dat witte dekentje. De zon kaatst verblindend op het wit en het maagdelijke kristal kraakt onder mijn laarzen. Niks geen geknisper, dit is echte kraaksneeuw. Geen mens in willekeurig welke windrichting te ontdekken. Geen schreeuwerige reclameblokken of hyperactieve presentatoren. Hooguit een koel briesje dat de nekharen streelt.

Maar dan plots: pling. Bij gebrek aan een beter woord. Pling. De best passende onomapotee. Verbaasd in de rondte kijken. Niks. Enkel wit. Stapje terug. Pling. Verbaasde blik naar de grond. Laars middenin vorige voetafdruk.

Nog een stapje vooruit. Stilte. Stap achteruit. Pling. Ongelovig kijk ik naar de sneeuw. Verbaasd een paar stappen opzij. Ploenk, klinkt het plots. Ik spring van schrik terug – pling.

Even sta ik stil in de sneeuw. Dan spring ik nog eens op en neer. Ploeng, pling. Ik giechel. Nog eens. Pling, ploeng, pling. Even glijd ik uit, stap haastig ergens anders. Pleng. Het wemelt van de muziek hier in de grond, constateer ik verbaasd.

Zo spring ik even de noten bijeen. Blij als een klein kind. Pling, ploeng, pling-pling, pléng, plang, ploeng ploeng ploeng pleng. Briljant. En te bedenken dat ik al blij was met die onontdekte laag sneeuw. Maar dan ook nog dit erbij. Hijgend ga ik even op een boomstronk zitten. Staar naar de muziekplek. Wat een bijzondere plek.

Dan hoor ik zacht en vlug gekraak. Nee, dit is wel meer knisperen. Ik zie een eekhoorntje hoppen door de sneeuw. Hij kijkt haastig in het rond, ziet mij, staat stokstijf stil. Ik beweeg ook niet. Durf zelfs niet te ademen. Even twijfelt hij. Dan hopt hij door naar de muziekplek.

Nu zie ik het pas. Hij heeft een noot in zijn mond. Een G, als ik me niet vergis. Hij begraaft de noot haastig, zijn kraaloogjes scherp op mij gericht. Dan dekt hij de boel af, werpt nog één blik op mij, en hopt er dan razendsnel vandoor. Ik staar wederom naar de plek.

Dus daar ligt alles begraven. Alles waar muziek in zit. Op een plek waar niemand het terug zal vinden. Onder een dikke laag maagdelijke sneeuw. Ik graaf in mijn jaszak naar een sigaret.

Het nieuwe jaar


Verhaal door René van DensenHet nieuwe jaar krioelt door zijn benen en spint. Wrijft tegen zijn kuiten. Hij blijft het negeren. Dan loopt het nieuwe jaar nog maar een achtje rond zijn voeten. Geen respons. Het nieuwe jaar geeft het niet op. De man moet het nieuwe jaar zién. Het nieuwe jaar strelen, omhelzen. Hij moet het nieuwe jaar voelen. Ze springt op het aanrecht en geeft kopjes aan zijn handen.

De oude man werkt stug door en veegt het nieuwe jaar opzij. Straks. Hij heeft nog rotzooi op te ruimen. Rotzooi van het oude jaar. Elk jaar brengt nieuwe rotzooi en hij is nog niet klaar voor die van het nieuwe jaar. Eerst het oude jaar uit de weg. Hij concentreert zich. Het nieuwe jaar blijft in de weg lopen en rolt krols dwars door zijn opruimactiviteiten heen. De man zucht en duwt het nieuwe jaar weer aan de kant. Nu. Niet. Straks !

Het nieuwe jaar kijkt verwonderd toe. Waarom is de oude man nog bezig met dat vorige jaar ? Dat is toch al zoooooo voorbij. Ze snapt er niets van en likt zichzelf eens. Dan tilt ze de staart op en legt een geurige bolus op het aanrecht. Als de oude man zo graag wil opruimen, dan krijgt hij wat op te ruimen, denkt ze tevreden.

De oude man zucht. Het nieuwe jaar is nog amper begonnen of het gezeik begint alweer.

Vergevingsgezinde dag


Verhaal door René van DensenIk zeg met een zucht dat ik toch maar geen verhaaltje schrijf. Dagje vrij. Onmiddellijk schiet mijn gezelschap in de lach en roept dat het me wel vergeven zal worden. Het is vandaag een Vergevingsgezinde Dag. Ik lach ook en hef het glas. We klinken. Op 1 januari mag alles, roept iemand een tafel verder. Of dat zo is, wil ik me niet eens afvragen. Vandaag heb ik in ieder geval een dagje vrij. Het mag.

Mórgen, zeg ik, morgen, dan moet ik wel weer aan de bak. Dan moet er geschreven worden. Ja, beaamt het gezelschap. Als je schrijver bent, moet je op 2 januari wel schrijven. 2 januari is géén vergevingsgezinde dag. Ongenadig gaat op die dag de zweep er weer over. Het jaar is dan echt begonnen. Ik staar naar mijn glas en weet niets om over te schrijven. Maar dat is van later zorg. Een zorg van morgenvroeg. Bij dampende koffie en met een afgepeigerde blik naar het beeldscherm. Morgen.

Ik zou zoveel doen vandaag. Allemaal niet gedaan. Het geeft niet. Vandaag is de Vergevingsgezinde Dag. De eerste van het jaar.