2015

Krabben aan de magie

Het jeukt, elke dag opnieuw, die magie. Dat er zonnestralen door ramen binnenbarsten. Kleine bolle vogeltjes aan vetbollen kleven, met hun zenuwachtig zoevende kopjes. Eten, kijken, kijken, kijken, kijken, eten. Het jeukt, dat er mooie en lelijke stenen dwars door elkaar opgetrokken zijn. Dat er lange arceringen getrokken zijn door vers water en aangekoekt kalk.

Dat er lampen kunnen knipperen die regels stellen. Die de mensen vervolgens aan hun laarzen en banden lappen. Dat er planten de grond eten waar de dieren begraven zijn die hen weer hebben aangevreten. En maar draaien met de hele boel. Je krijgt er nog jeuk van. Dat iemand ineens je leven in kan stappen. Dat je die ook weer kwijt kan raken. Dat alles klauwt, krioelt, kronkelt, kreunt, kraait, kraant en keurt.
Lees meer

Fout, fout, fout

Willem met de WK trauma’s komt met twee bier aangelopen. “Wel goedkoop,” verduidelijkt hij de drankkeus. We zitten in een café zoals er gelukkig te weinig zijn. Tien mensen met verlopen dromen hangen aan de toog. De toog is ook een juweeltje: hij lijkt wel uit steigerhout gebouwd. De voorraad schone glazen was kleiner dan die van een gemiddelde bedrijfskantine en de barman keek telkens verbaasd als we weer een bier bestelden. Wat gek: iemand die in dit café bier komt drinken.
Lees meer

Dat vergeten teveel mensen

Zelden zag ik een zonderlingere ziel dan de oude man ogenschijnlijk die per abuis in mijn tuin beland was. Hoé, dat is en blijft nog een vraag, aangezien een man in een rolstoel zoals hij toch moeilijk over een omheining heen kan klauteren. Rolstoel en al. Maar daar zat hij. Verward, rillend en schuddend, in de blakende en uitdrogende zon. Met zijn wiel precies op mijn prijswinnende kalebasplant geparkeerd. Het moes kleefde aan zijn wielen. Ik wist niet goed of ik kwaad of verbaasd moest zijn. Dus deed ik wat ieder redelijk mens in emotionele dubio doet: ik ging terug naar binnen, greep enkele biertjes, zette mij in de stoel tegenover hem en trok de dop van mijn fles. Zo moeten we daar minstens tien minuten gezeten hebben voor hij iets zei.

“Pijp 38,” sprak hij plechtig. Met een veelbetekenende, statige blik zweeg hij weer en keek me droog aan. Ik nam een slok van mijn bier en keek hem strak terug aan. Zo wederstaarden we zeker nóg vijf minuten voor ik mijn keel schraapte en vroeg: “Wat bedoelt u ?”
Lees meer

Postpost

Hij merkt niet dat de man naast hem heel stil geworden is. Zo enthousiast zit hij op te schrijven wat in zijn hoofd stormt. Zijn papier kreukt zacht onder het balpengeweld. Wilde avonturen vliegen het vel op. Hij haalt vandaag makkelijk de deadline.

De man schrijft over een familie, verscheurd door een erfenis. Zelf is de man een knipperende cursor op een scherm. Vermoeid wrijft zijn schrijfster in haar ogen. Nog minstens vier pagina’s en dan is ze klaar voor vandaag. In dit tempo is haar tweede roman in kladvorm af aan het eind van deze maand.
Lees meer