Date


Verhaal door René van DensenIk ben, een tikkeltje nerveus, onderweg naar een date. Er is een kans dat het meisje, waarmee ik een date heb, later deze avond mee zal gaan naar mijn huis. Ik heb daar de hele dag uitvoerige voorbereidingen voor getroffen. Zo heb ik mijn laptop vol met porno gedownload om zo normaal mogelijk over te komen. De contactenlijst in mijn mobiel heb ik gevuld met allemaal vrouwennamen. Achter elke vrouwennaam gaat hetzelfde nummer schuil, dat van mijn moeder, maar dat hoeft het meisje niet te weten.

Ik heb in verschillende hoeken stof en vuil gelegd. Een slonzige man is een stoere man, en ik wil graag als een stoere man overkomen. Daarom heb ik ook bij de borsthaarwinkel een potje plakhaar gekocht. Bij de kassa bleken de baarden in de aanbieding, dus die heb ik er een bij gekocht. Thuis paste ik eerst de baard, maar hij stond me toch wat gek. Ik heb ‘m onderin de kast gelegd, want je weet nooit wanneer je ineens een baard moet hebben.

Ik heb een paar condooms uit hun verpakking gehaald, met een beetje koffiemelk gevuld en in het vuilnisbakje van het boventoilet gedaan. Ik heb vier toiletten in huis. Mijn droom is om zeven toiletten te hebben, één voor elke dag van de week. Tenzij het meisje van de date met mij gaat samenwonen, dan veertien. In de voorraadkast zet ik zeven blikken smac, voor het geval dat ze enorm van smac houdt. Zelf eet ik die zooi niet.

Net voor ik kon vertrekken, ging mijn mobiel af. Ene Gloria belde, maar ik ken geen Gloria. Mijn moeder blijkt de beller te zijn. Ze wenst me heel veel succes op de date en vraagt bezorgd of ik mijn broek wel gestreken heb. Ik lieg van wel, gestreken broeken dragen stoere mannen niet. Daarna vraagt ze of ik goed achter mijn eikel gewassen heb. Dat heb ik dan natuurlijk wel.

Tijdens mijn date vertel ik van pure zenuwen al het bovenstaande aan het meisje. Ondanks alle zorgvuldige voorbereidingen gaat ze na de date niet mee naar mijn huis.

Oorspronkelijk gepubliceerd op 11 augustus 2013

Dwalen


Verhaal door René van DensenJe bent mooi. Alles aan je is subtiel in pracht. Je wangen spreken emotie, je lippen zwijgen discreet. Je wenkbrauwen spreken weinig en zeggen veel. En wat een ogen. Donker, nieuwsgierig, maar toch vol van levenswijsheid. Jij hebt wat gezien. Maar mij nog nooit.

Ik merk het aan hoe je ogen dwalen. Keer op keer. In mijn richting. Ik merk zoiets omdat het weinig voorkomt. Ik ben de observeerder. Niet het geobserveerde. Zo werkt het universum toch meestal. Ik word er onwennig van. Je kijkt weer. Staat mijn rits wellicht open ?

Je hebt een idealevriendinnentrui. Zo’n trui die enerzijds zegt: eenvoudige smaak. Anderzijds: klasse. Enerzijds: ik loop niet gehuld in beestenbont en ril bij het eerste wolkje voor de zon. Anderzijds: warmte. De trui is donker en effen. Eronder: jeans. Je hebt geen tierelantijnen nodig. Enkel die prachtige lippen, de golvende lokken, en die onweerstaanbare ogen. Mijn god, die ogen.

En weer dwalen ze in mijn richting. Ik heb spinazie tussen mijn tanden. Of modder in mijn baard. Er moet iets zijn. Hangt er een lange snottebel aan mijn neus misschien ? Zo subtiel mogelijk loop ik het na, maar niks. Ik staar, als experiment, terug. Je vangt mijn blik en blijft kijken. Normaal gezien win ik dit spel. Maar je kijkt rechtstreeks binnen en ik draai haastig mijn gezichtsveld rechts van de coupé.

Niks ervan, lijk je te denken. Je zwaait een keer met je haar. Mijn ooghoeken dwalen onmiddellijk naar jou en je vangt wederom mijn blik. Triomfantelijke grijns. Ik sla mijn laptop open en begin opzichtig te tikken. Je probeert het nog een paar keer, zie ik met mijn perifere blik. Maar ik zwicht niet. Ik ben aan het Schrijven, en dat gaat voor de vrouwen. Wanneer ik dit hele verhaal uitgetikt heb, zit je verveeld naar buiten te kijken. De rest van de rit ben ik geen blik meer waardig.

Kerstmensen


Verhaal door René van DensenDat het de langste dag van het jaar is, dat voelen we niet, want alcohol. En luide gesprekken en bruinhouten muren. Het bier wordt nauwkeurig getapt en klotst vervolgens bij elke proost. Decorum, dat heeft mijn land nooit onder de knie gekregen.

En ineens staat het café vol met kerstmensen. Jonge kerstmannen, die ironisch over hun hipsterbaard een witte wattenbaard hebben hangen. Vrouwen, die een rood nauwsluitend roodwit kerstkostuum dragen waar hun kont goed in uitkomt, en een koddig kerstmutsje dat pront andere prontigheid belooft.

Ze hebben buiten de kettingdrinkende muzikanten aan de bar gerekend. Één van hen begint. Hij brult luid naar een van de kerstmensen, die eigenlijk echt maar op een leuke avond uit zijn: “Halloooo !” En hij herhaalt: “Hallooooo ! Hallooooooo ! Hallooo !” Al snel vallen andere muzikanten hem bij en allemaal brullen ze hetzelfde woord. Het wordt een chorus van brute, bijna vijandige welkomstwoorden.

De kerstmensen kijken geïntimideerd. Dit ontvangst is anders dan bij de andere cafés. Een jongen die normaal met ze mee zou feesten, in een kek kostuum met kerstboomprints erop, brult ook lustig mee. Het hele café jouwt al hallooooooënd de kerstmensen eruit. Natuurlijk zouden we graag op kosten van de strakgegelde kerstjongentjes willen drinken. En natuurlijk willen we de wulpse konten van de kerstmeisjes grijpen. Maar dit is een bruin café verdomme, en bruin en rood vloekt.

De kerstmensen vluchten de straat over, een disco in. Daar horen we een enthousiast verwelkomende massale kreet. De barman ritst demonstratief het gordijn dicht. We zijn weer onder elkaar, in al onze brute gevoeligheid. Één van de halloooo-roepers laat een harde scheet.

Spoken


Verhaal door René van DensenIk ben een van de laatsten, en voor een keer niet uit koppigheid. Of uit mijn eeuwige plakgedrag. Ik heb gewoon nergens anders waar ik heen kan. De overige bewoners in de wijk wel. Hun taak zit erop. Ze hebben de wijk van stom naar leuk veranderd. En nu moeten ze weg, want nu willen stomme mensen in de leuke wijk wonen. En de leuke mensen trekken weer door naar een plek waar de woningen goedkoop zijn. Waarschijnlijk weer een stomme wijk. Die ze dan ook weer voor zichzelf gaan verpesten.

Avond na avond spook ik door de straten en de verlaten huizen. De meeste bewoners hebben hun achterdeuren open gelaten. Er staan nog wat spullen binnen. Alles wordt gesloopt. Het idee is: pak van deze spullen wat je wil of nodig hebt, want we nemen het zelf niet mee. In de ene woning staat nog een ingestorte zitbank. In het andere huis een zwartgeblakerde waterkoker. Iedereen heeft hun lampen laten hangen. Gloeilampen. Overal gloeilampen.

Ik loop de woningen en flatappartementen in. Als een huisspook. Nee, de bewoners zijn de spoken. Alles ruikt nog naar hen. Hier hebben ze geleefd. Sommigen wel decennia lang. De geuren van alles wat ze gedaan hebben, kleeft aan de muren. Geuren van wanhoop en verdriet, van vreugde en ongebreidelde seks. Van eindeloze avonden met schraal bier en dromen over hoe de wereld verbeterd kan worden.

Er staan inkepingen in de deurposten. Kindjes. Gegroeid. Elk jaar weer een flink stuk. Daar zijn kilo’s haar van geoogst door de kapper. Misschien wel aan hun keukentafel. Een nichtje of tante die het nog aan het leren is. Er staan kunstwerken bij de afvalcontainers. Niet meer de moeite om mee te slepen. Prachtige, kleurrijke, erotische of tot stilte manende kunstwerken. Allemaal grofvuil nu. Daar goot ooit iemand zijn ziel in. Morgen wordt het opgehaald.

Ik ga op de koude betonnen vloer liggen in een van de flats. De straatverlichting werpt grillige lijnen langs de muren en over het plafond. Ik weet niet hoeveel levende, gevoelige, kwetsbare wezens er over deze vloer hebben gelopen. Er steken twee draadjes uit het plafond. Ik weet niet wat voor lamp er heeft gehangen. Er is enkel nog de geur. En ik. En mijn verbeelding.

Mijn keel is droog. Maar ik durf niet te kuchen. Ik wil de spoken niet verstoren.

Turing: door naar ronde twee !

turingDus ik stuurde een tijdje terug twee gedichtjes naar de Turing Gedichtenwedstrijddinges. Tegen alle verwachtingen in is er eentje door naar de tweede ronde. Lees ik net in mijn e-mail inbox. Daar zat een bericht in van die strekking. Het kan natuurlijk een gemene grap zijn. Dat is waarschijnlijker. Hoewel het gedicht in kwestie wel oke is. Ik vond persoonlijk het andere gedichtje beter. Maar ja, wie ben ik. Toch leuk, dit. Wat houdt het nu in ? Ik citeer even: Je ontvangt een persoonlijke beoordeling, geschreven door een medewerker van Awater of Poëziekrant. Bovendien maak je kans om met je gedicht de Top 100 te halen. De uitslag hiervan volgt begin januari. De persoonlijke beoordeling kun je begin februari verwachten. Nou. Dat was dus mijn nieuwtje van vandaag. Felicitaties mag u eventueel onder dit bericht plaatsen.

Die ene hele goede grap van Willem


Verhaal door René van DensenWe stonden er eigenlijk een beetje van versteld. Niet dat Willem nooit grappig was, maar dit was wel heel erg spitsvondig. Wat een grap ! Spontaan associeerden we erop door en iedereen lachte zich een kriek rond de terrastafel. Het was nat en koud maar ons gelach was warm. En de grap was droog genoeg.

Ja, en daar zit je dan de volgende dag. Wat was de grap ook alweer ? Hij was echt, écht enorm lollig. Die ene hele goede grap van Willem. Het ging voor de verandering eens niet over de drie verloren WK’s. Dat maakt het wel lastig om me te herinneren waar de grap wél over ging. Want Willem met de WK trauma’s heeft het normaal gezien bijna alleen over zijn WK trauma’s. En niet over waar die ene hele goede grap van Willem over ging.

Ik krab wat aan mijn schedel. Weet het echt niet meer. Ik kan het natuurlijk Willem even vragen, via een mailtje of zo. Willem onthoudt alles. Willem weet ongetwijfeld nog die ene hele goede grap van Willem wel. Maar ik ga het niet vragen. Het is suf om naar die ene goede grap te gaan lopen vragen. Zo goed kan hij niet zijn geweest. Anders wist ik hem nog wel. Die ene goede grap van Willem. Wat een kutgrap was dat zeg. Laat maar hoor.

De spullen


Verhaal door René van DensenDe spullen waren weer met meer dit jaar. Samen zitten de spullen rond de tafel. Voor de spullen waren de afgelopen twaalf maanden goed geweest. Voor de spullen wel, ja. Likkebaardend zitten ze klaar. Met hun bestek te hameren. De spullen hadden honger. Het jaarlijkse spullenfeest breekt aan, en de spullen willen genieten. Ze hebben er het hele jaar door hard genoeg voor gewerkt.

Daar komt de entree: de vrouw des huizes. Ze is verwerkt in een lichte broccoli-soep. De spullen snuiven de heerlijke geur van de soep gretig op. En dan vallen ze aan. De soep wordt slurpend en grommend verorberd. In minder dan geen tijd is de pan leeg. En de spullen hebben nog steeds honger. Door naar het hoofdgerecht. Daar komt de heer des huizes, op een schaal. Appel in de mond. Wederom vliegen de spullen erop af. Alle manieren zijn vergeten en vetklodders en stukken vlees vliegen in het rond. Ze plakken tegen de muren.

De kinderen worden tenslotte als toetje opgediend. Ook die gaan er smakelijk door. De spullen peuteren tussen hun tanden met de kleine kinderbotjes. Ze zouden zich zorgen kunnen maken, nu de mensen verorberd zijn, of ze volgend jaar nog wel iets te eten zouden hebben. Maar dat is nu niet interessant. Nu hebben de spullen zichzelf eens goed verwend. En daar gaat het om. Het is tenslotte spullenfeest !

Als plots de wegen woningen worden


Verhaal door René van DensenAls plots de wegen woningen worden. Stel u voor. Het is niet vergezocht. Het aantal daklozen is enorm gestegen, en die leven zogezegd toch echt ‘op straat’. Dus zijn de wegen nu woningen. Dan kunt u niet meer rijden. Met uw vroemvroem. Ik ook niet hoor. Met mijn dringdring. We kunnen dan overal misschién nog door als we heel lief kijken. En als we als vervoersmiddel de stapstap kiezen.

Plots files aan het voetgangerslicht. Die stel ik me er als eerste bij voor. Er gaat vroeg of laat iemand een toeter uitvinden voor bij het voetgangerslicht. Om frustratie te toeteren. Toeterdetoet. En omdat zo’n ding onhandig is om mee te torsen, komt er vast wel een toeterarmband. Of een toeterpet. Of een toeter-app.

Schuifelen we dan, met z’n allen, over de stoep. En die daklozen glunderend op hun enorme weg. Zeeën van ruimte, maar ja, daar wonen zij nu. Hier moeten we het mee doen. Enkele nog niet onthaaste zakenmannen beginnen van onmacht aan de bakstenen van de lege huizen te rukken. De stenen laten niet los. De stenen zijn ommurwbaar. De leegstand dient te worden beschermd. Beschermd tegen al dat straat- en stoepgajes.

Glossy


Verhaal door René van DensenKortgeleden plaatste ik een column in een glossy. De glossy wou graag een column en ik zeg niet makkelijk nee. De glossy is heel glossy en de foto’s die erin staan heel mooi. Dus uiteraard was er geen budget voor mijn column. Rond de tijd van het schrijven at ik gras, uit de weide, omdat ik zelfs op brood wou besparen.

Mijn column was rauwe kost. Met modder, en drankwasem. Met klei en kater. Mijn teksten bevatten of een kater, of een knuffel. Veel anders kan ik niet schrijven. De glossy moest even wennen aan de column. Eind zomer ontmoetten de glossy en mijn column elkaar. Naar het schijnt is de glossy daarna een tijd aan de zwerf gegaan. Zichzelf ontdekken.

Zo verbleef de glossy een tijd in een tibetaans klooster. Meemormelen met de monniken in diepe meditatie. Hummummummummommommom en zo. De glossy trok verder door Azië en reisde de wereld rond. Overal kwam de glossy klei tegen. Nooit eerder had de glossy door gehad hoeveel klei er was.

Inmiddels is de glossy in reine met zichzelf. De glossy is niet vies meer van modder. Sommigen vinden dat de glossy iets minder glossy is geworden, maar dat ben ik niet met ze eens. De glossy straalt als nooit tevoren. Als de kapotgevroren wangen van een doorweerde agrariër, die, leunend op zijn riek, even van de zonsondergang geniet, en dan inschat wat voor weer het morgen wordt.

Ochtendplaneet


Verhaal door René van DensenVroeg opstaan is toch een beetje alsof je een soort ochtendplaneet bezoekt. De ochtendplaneet is een duistere, koude, onpersoonlijke wereld vol bedrukte gezichten. Ze zeggen niet veel en kijken strak, maar niet krachtig, voor zich uit. Een beetje zoals oorlogsgevangenen kijken in films.

Het is een curieus wereldje om te observeren. Zeker als je zelf niet van nature een ochtendplaneetmens bent. Al vraag je je af of de overige planeetzwalkers dat wel zijn. In mijn ervaring kijken mensen, die op de juiste plek zijn, vrolijker. Misschien zit de hele planeet vol toeristen. Die zich lopen te bedenken dat in de brochure alles er veel leuker uit zag.

Een échte ochtendbewoner jaagt geen dromen meer na. Een echte ochtendbewoner sjokt drommen na. Als een verwonderde buitenstaander schuifel je tussen de ochtendmensen door, achter hun drommen aan. Was het een zwerm, dan was er een doel waarneembaar. Was het een vloot, dan had het een koers. In de ochtendplaneet tref je doelloze drommen.

Neuriënd bezie ik het allemaal. Ik ben namelijk erg blij dat ik eindelijk weer een visum heb om deze wereld te bezoeken. En zoals een echte toerist: je kunt me wel uit mijn wereld halen, maar mijn wereld nooit helemaal uit mij.