Zielsgelukkig dwaal ik wat door het magazijn. Een magazijn, godbetert, rekken en dozen en stof en al. Was dat nu zoveel gevraagd ? Mijn bedrijf stockeert kraantjes voor kraanvogels. Kraanvogels hebben geen weet van taal en snappen dus niet dat zij kraanvogels zijn, laat staan wat kranen zijn, laat staan dat zij die niet nodig hebben. Kraanvogels kun je feitelijk alles wijsmaken. Struisvogels niet. Die briesen meteen, hoezo struis, wat struis, wie struis, struis in je broekje ja. Maar kraanvogels interesseert het helemaal niets. Als wij zonodig kranen willen opslaan voor kraanvogels, leg dan heel dat magazijn maar vol, wat de kraanvogels betreft.
Kraanvogels hebben ook geen benul van geld, dus ongeacht wat we vragen om al die kranen van hen in deze rekken te leggen, ze vinden alles helemaal prima. Zo is de kraantjesopslag voor kraanvogels een slachtofferloze industrie. Ze hebben me dat bij het sollicitatiegesprek benadrukt, en dat stelt mij gerust. Ik heb niet doorgevraagd. Als het voor de kraanvogels goed is, wie ben ik dan, immers.
Het is warm vandaag. Ik zie vanachter de schappen dat de collega’s drinken uit de frigo pakken. Ze drinken flesjes kraantjeswater. Ik heb eigenlijk ook een beetje dorst, maar zit hier voorlopig nog goed. Nauwkeurig lees ik de beschrijving op elke doos. Ik weet inmiddels heel veel van allerlei soorten kraantjes. Stopkraantjes. Bolkraantjes. Tapkraantjes. Dubbelkraantjes. Mij maken die kraanvogels niets meer wijs, meneer. Mij kranen ze niet uit.

