Aquariumvideo


Verhaal door René van DensenOmdat mijn kat veel binnen moet blijven zo op het eind van het jaar, maak ik me soms bezorgd of ze zich niet verveelt. Ze moet binnenblijven omdat ik de deur niet voor haar openlaat. Het wordt dan te koud binnen.

Bovendien worden er volop vuurwerkbommen afgestoken in de buurt. Die worden afgestoken wegens Nieuwjaar. Nieuwjaar duurt nog twee weken. Ik denk dat de vuurbomafstekers geen kalender hebben. Al een dag zoek ik naar de Giro 555-campagne om aan te doneren zodat vuurwerkafstekers eindelijk genoeg geld hebben voor een kalender.

Om de verveling van mijn kat te bestrijden, probeer ik iets nieuws. Ik zet een aquariumvideo voor haar op. De kat kijkt wel naar de teevee, maar meer dan dat er iets van wellicht interessante beweging lijkt te zijn, pikt ze niet op. Het blijkt dat mijn kat echte vissen veel leuker vindt. Dus neem ik een echt aquarium.

De hele dag spookt ze rond het aquarium. Constant moet ik erop letten. Want ze kruipt erop, erachter, dreigt de boel kapot te gooien. De echte vissen zijn eigenlijk ook veel leuker dan mijn kat. Dus doe ik de kat weg en houd ik het aquarium. wat een rust ineens in huis.

De vissen zwemmen heel de dag rondjes. Ik maak me ongerust of de vissen zich niet vervelen. Dus koop ik een dvd van een kat die rond een aquarium loopt. De vissen reageren wel op de beelden van de reusachtige poes langs hun glas. Maar ze zijn vooral bang en kruipen weg. Ik probeer ze uit hun schuilplaats te krijgen door op het glas te tikken. Maar daar gaan ze zich alleen maar verder van verstoppen.

Eindelijk krijg ik door dat niet de dieren het zijn, maar ik het probleem ben. Dus vervang ik mezelf door een dvd van mezelf. Hoe iedereen daarop reageert weet ik niet. Het origineel is weggesmeten.

Moeke


Verhaal door René van DensenDoordringend kijken de ogen van mijn moeke in de mijne. Ik hou vol dat het goed gaat. “Eindelijk weer, moeke, na al die ellende. Het gaat écht alweer een heel stuk beter.” Ze blijft me aankijken. Zoals een kind dat voor het eerst hoort dat spruitjes heel goed voor je zijn. Die blik van ‘ja hoor, en koeien kunnen vliegen zeker’.

Maar ik houd voet bij stuk. “Ik heb werk, moeke, en ik ga er ook gewoon echt geld voor betaald krijgen. Niet zoals die dichtoptredens en de columns en andere dingen. Daar kreeg ik af en toe wel eens een biertje voor, maar voor dit werk krijg ik dus echt geld. Van dat geld dat in de werkelijkheid geldig is.” Die ongelovige blik is wat verzacht, de verkeerde kant op. Ze kijkt nu ronduit bezorgd.

Ik besluit het weer, naast het droge, ook te schetsen voor het grauwe. “Nee, de mensen kopen mijn boekjes en petjes niet genoeg om uit de kosten te komen, maar door dat geld dat eraan komt doet dat er niet toe. En ik ben wel vér uit de kosten. Sowieso heb ik nog steeds geld. En ik ben hard op zoek naar een nieuwe woning. Ik denk dat ik die gevonden zal hebben voordat deze woning gesloopt wordt, over een maand.” Het is een droef soort bezorgdheid geworden, bijna een meedogen. Ik zweet lichtjes want ik was toch echt overtuigd dat het best goed met me ging. Maar een mens raakt nog aan het twijfelen.

“De poes is ook gezond en gelukkig,” gooi ik het over een andere boeg. “Die reusachtige wond aan haar nek, daar is ze mee opgehouden die open te krabben. En dus is die nu al helemaal weg. Enkel die kale plek moet nog dichtgroeien. Ze speelt met de verhuisdozen en vindt het reuze spannend, al die gekke dozen ineens overal. Dolgelukkig, heus,” met een droge keel kijk ik in mijn koffiekopje. Een bodempje nog maar. “Wil je anders nog koffie ?”

Als ik op wil staan, pakt ze mijn arm vast. Half staand stop ik. Met haar andere hand geeft ze me een euro. Ze vouwt hem in mijn handen en duwt die zacht maar ferm dicht. Dan geeft ze er een bemoedigend klopje op met haar vlakke hand. Tevreden lacht mijn moeke. Met die hartverscheurende blik van iemand die tegen beter weten in ergens in blijft geloven.

Woensdag

Gisteren
moet hier ergens
liggen, maar waar

Glimlach
die ik niet herken,
niet wederzijds

Tussen de ogen
is het droog

Ik ruik
naar zeep
dus is het woensdag.

Terug in Tillywood

Tillywood: Social MagazineIk sta sinds deze week in een glossy. Met een column. De glossy heet Tillywood en de kaft lijkt een beetje op die hiernaast. Als u dat blad dus ergens ziet liggen (meest waarschijnlijk: in Tilburg) dan blader het eens door tot u mijn smoelwerk ziet. Het ‘stukje’ is, zo heb ik gehoord, ‘leuk’. Of ‘leuk, hoor’, was een andere stevige recensie.

Ik hoor sommige lezers denken: Tillywood, Tillywood, waar ken ik die naam toch ook weer van ? Ja, klopt: daar stond ik al in. Maar dat was een ander Tillywood, onder ander leidersschap. Omstreeks 2006 of 2007 schreef ik een reeks columns voor het toenmalige Tillywood. Ik was toen Nachtburgemeester van Tilburg. De toenmalige uitgeefster van dat blad, Angela Henkelman, gaf ook mijn debuut uit. Je moet maar durven, een paar pallets bestellen van het eerste boek van een relatief onbekende jongen. En dat het boek dan ook nog eens Tilburg: De Anus van Nederland heet. Maar dat waren dus andere tijden.

Dit is het Tillywood van nu. En dit is mijn column van nu. Voor mensen die niet naar Tilburg kunnen of willen komen: naar het schijnt komt het blad ergens deze week ook gratis online via hun site. Dan kunt het ook gewoon lezen. Is natuurlijk wel iets minder glossy.

Dat je leeft


Verhaal door René van DensenEr waren tijden dat ik nu zou denken dat ik leef. Dat het door mijn kop zou schieten. “Zie je wel,” zou ik denken, “ik lééf, verdomme !” Misschien waren die tijden er nooit écht, maar in mijn herinnering waren ze er. Dat ik, zoals nu, gehurkt, draden uit mijn mond, proestend en hoestend boven de WC-bril, vervuld kon raken van de zin van het bestaan.

Nu niet. Op dit moment wil ik enkel slapen. En daar komt godver alwéér een golf aan, voel ik, en ik zet me schrap. Jawel: nog een stuk avondmaaltijd perst zich antiperistaltisch een baan mijn lijf uit. Kutzooi, is het enige dat ik denk. En dat het verdomme lang duurt. Mijn hele nacht is al zo goed als naar de klote.

Eerst die krampen. En ze moesten natuurlijk net beginnen wanneer ik lekker lag. Zo rond het wegdoezelen. Proberen te negeren, uiteraard. Helaas, lukte niet. Verliggen en verliggen. Telkens weer in een ander koud deel van het bed. Moedeloos werd ik ervan: laat me slapen, verdomme. En toen kwamen de winden. Lange, grote en echt flink stinkende winden. Geen goede voorbode. Maar je hoopt nog dat het daarmee opgelost is.

Hoe vaak ben ik deze nacht nu al de trap afgestommeld naar deze WC-bril toe ? Ik ben de tel kwijt, besef ik ineens. Het duurt niet lang meer voor de wekker gaat. Ik kijk naar de brokken die in de smurrie drijven. Het zijn er weinig meer. Er komt een einde aan. Mijn avondmaal is bijna op. Van het kijken voel ik meteen weer een golf aankomen, maar gelukkig: ik zat hier toch al.

Even probeer ik het nog te denken: je lééft, verdomme. Wees blij, man, dat je dit mag voelen. Het lukt bijna. Bijna kan ik waarderen dat ik, kapot en doodmoe, boven mijn plee hang met smurrie in mijn snor. Dan komt de golf. En terwijl die krachtig naar buiten spuit, voel ik dat ik ondertussen ook mijn onderbroek volspetter. Rotleven, is het enige dat ik kan denken. Stik de moord met dat kutleven van je.

Treinvriendjes


Verhaal door René van DensenIn de eerste baan die ik, op een onverstandig moment, ‘serieus’ noemde, had ik een collega die elke dag dezelfde man tegenkwam. Hij heen, de ander weer. Ze zwaaiden en zeiden hoi. Elke ochtend: “Hoi.” Meer niet. Ze wisten elkaars naam niet, waar de ander heen ging, niets. En ze groetten elkaar zo al ruim vijf jaar. Mijn collega legde eens uit: “Dat is mijn hoi-kennis.”

Ik werk inmiddels weer in dezelfde stad als waar dit plaatsvond. Ik wil ook een hoi-kennis. Maar daarvoor is alles nog te pril, blijkbaar. Wel heb ik twee treinvriendjes. Die moeten ook, op ongeveer dezelfde tijdstippen als ik, van dezelfde stad vertrekken en in dezelfde stad uitstappen.

Sommige dagen tref ik ze heen, andere dagen tref ik ze terug. Ik knik met mijn hoofd naar ze. Maar zij herkennen me nog niet. De vriendschap is nog eenzijdig. Wacht maar, denk ik bij mezelf. Vroeg of laat zijn jullie niet alleen mijn treinvriendjes, maar ben ik die van jullie. En dan zijn we vertrokken.

Ik verheug me er elke dag op. Op die dag. Dat de treinvriendschap wederzijds wordt. Misschien spréken we dan zelfs. En wie weet, meer dan ‘hoi’. Wie weet wisselen we gênante en lollige anekdotes uit. Of worden we nog heel hechte vrienden zelfs.

Als ze nu maar niet hun reden verliezen voor deze treinreis, vrees ik dan ineens. Voor hen, voor mezelf, voor onze toekomstige vriendschap. Ik hou nu mijn hart al vast voor de dag dat ze niet op het perron blijken te staan. Zelfs al zouden ze vakantie hebben. Dan nog.

Heidens volksfeest


Verhaal door René van DensenWat me echt machtig mooi lijkt: dat ik wakker word, en plotseling ben ik een heidense feestdag. Op de kalender staat het: René van Densen. Iedereen heeft vrij met René van Densen, uiteraard.

Families én vrijgezellen vieren onderling of alleen lekker de hele dag René van Densen. Iedereen wenst elkaar een fijne René van Densen. Een vrolijke René van Densen, daar doen we niet aan. Ook zijn er geen vrolijke René van Densenliedjes op de radio de godganse dag. Men wordt vanzelf vrolijk van René van Densen. Daar is geen muziek voor nodig.

Natuurlijk zijn er cadeaus op René van Densen. Wel het liefst films of boeken. Het is een verheffend heidens volksfeest. Je moet er een beetje wijzer van worden, van het René van Densenfeest. Of een beetje minder wijs, dat mag evengoed. Een hilarisch boek mag natuurlijk ook. Ik heb immers, al zeg ik het zelf, ook de nodige hilarische boeken gemaakt. Dus we blijven wel een beetje in thema op René van Densen.

Kindjes vragen elkaar op straat wat ze hebben gekregen van René van Densen. De een heeft een nieuwe film gekregen. “Wel geen blu-ray.” De ander heeft een boek gekregen. “Wel geen Dautzenberg.” Één kindje kijkt bedroefd en zwijgt. De rest pikt het op. Kinderen zijn extreem scherp op elkaar.

Ze dringen aan, wat het jochie voor René van Densen heeft gekregen. Hij zwijgt, maar wanneer ze hem stompen, zegt hij: “Niets.” Bij het jongetje thuis doen ze niet aan René van Densen. “Vanwege mijn geloof vieren we geen René van Densen,” zegt het jongetje. De kindjes vragen wat zijn geloof is. “Scepticisme,” antwoordt het jongetje droevig. Het heeft al zo veel voor hem verpest.

Debatweide


Verhaal door René van DensenPlotseling stonden de stokpaardjes stokstijf stil. Ze steigerden niet langer tegen standpunten die hen tegenstonden. Neen, stram en strak stonden de stokpaardjes en snoefden nog een ietwat na. Toen viel ook hun snoeven stil. Daar begon de vreemdste dag in de debatweide.

Want bevreesd besloten ook de brulkikkers hun brullen te beëindigen. De oude koeien wentelden zich ongeroeid naast hen in de sloot. Met kluitjes liepen de vele debatdieren door het riet. In de weide werd er geen gras voor hun voeten weggemaaid. Modder bleef ongeslingerd.

Alle geluid in de debatweide was stil gevallen. Het lag voor het oprapen, maar niemand pakte het meer aan. Stil stond men tegenover elkaar en niemand wist meer wat de ander dacht. In volstrekte stilte vloog al snel de eerste steen. Want alle zwijgers waren, vanzelfsprekend, zonder zonde. De avondzon zeeg duister schijnsel neer op bloedrode grashalmen.

Oorspronkelijk geschreven: 16 april

Vluchten


Verhaal door René van DensenDoor mijn vingers kijk ik toe, vanaf de bar. Wat verschrikkelijk: ook déze act is bizar goed. Ik voel paniek. De ene na de andere performance is geweldig en ik moet helemaal op het eind nog. Waarom zeg ik altijd ja op deze dingen ? Ik giet mijn biertje in mijn keel en wil weg, weg.

De bus naar huis rijdt niet meer. Dus dat is alvast niet handig. Ik wenk de barman om me nog maar een biertje te geven. De trein, dat zou nog kunnen. De trein naar die andere stad, dan toch. Naar mijn eigenlijke thuis. Maar bovenal: weg hier, wég. Een volgende dichter treedt op en ik luister. En jawel hoor: ook alweer goed. Godverdomme.

Ik glip het café uit. Zogenaamd omdat ik moet plassen – het toilet is tijdens de optredens niet beschikbaar (het zit achter het podium, je verzint dit niet). Er staan kindjes buiten iets met papiertjes en stiften te doen en ze roepen ‘meneer, meneer’ naar me en willen me een briefje geven. Ik zeg dat ik zo terug kom. Haastig vlucht ik een zijweggetje in.

Toevallig moet ik ook echt plassen, dus ik zoek een schaduwrijk plekje op. Maar ik overweeg serieus om te vluchten. Mijn set is niet goed genoeg. En bij mijn openingsgedicht zal ik keihard op mijn bek gaan. Fuk dit. Ik treed verdomme nooit meer op. Ik druppelschud en rits daarna mijn broek dicht. Ja hoor. Nadruppels. Ook dat nog.

Sta ik daar zometeen met mijn kutgedichten in de hand en natte plekken in mijn broek, denk ik verbolgen terwijl ik terugloop. Plichtsbesef doet me terugkeren, maar ik wil oprecht vluchten. Dit is oneerlijk, zoveel talent achter elkaar. Ik haat de organisator een beetje. Nooit meer, mompel ik, nooit meer.

Als ik het café terug wil binnenlopen, krijg ik een briefje van één van de kinderen in mijn hand gestopt. Oh ja, die briefjes, denk ik. Wat is daar ook alweer mee ? Verwonderd lees ik wat er op de mijne staat. Een grote smiley. En de tekst: “Veel gelek”.

Zenuwen


Verhaal door René van DensenDe Opperpater kijkt voor zich uit, naar de TV. Met een blik waarvan je je moet afvragen hoeveel hij registreert. In een stabiel tempo drinkt hij zijn halveliter bier leeg en rookt hij zijn sigaret. Blik aan lippen, filter aan lippen. En nog eens. Zoals een ander gewichtheft. Of de Vierdaagse loopt. Links, rechts, links, rechts.

Dan zwaait zijn oog naar zijn linker ooghoek. Rechtstreeks kijkt de Opperpater mij aan. Ik zit te staren en ben betrapt. Hij kijkt als een wild dier. Een wild dier dat nog niet zeker weet of je prooi, vriend of bedreiging bent. Een instinctieve respons. Hij draait zijn hoofd nog niet, maar hij heeft gezien dat ik zit te kijken. Als ik blijf kijken, zal hij zijn hoofd wel draaien en er iets van zeggen.

Ik besluit te blijven kijken. De Opperpater is een interessante man, waar verhalen over te schrijven zijn. Een man met een kleurrijk verleden. En een fascinerend heden. Een Opportunist, maar wel een Lieve. Een onbeholpen bonkige vent, maar met een klein hartje. Een fenomeen, vooral. Als u de Opperpater niet kent, zou ik me haasten hem te leren kennen. Nu kan het nog. Paradijsvogels als de Opperpater blijven zelden lang onder ons.

Ondertussen heb ik last van een leeg hoofd. Ik heb verhalen en belevenissen genoeg om over te vertellen, maar ze willen even niet meer voor de geest komen. Lastig, voor een schrijver. Gelukkig is er de Opperpater. Met de Opperpater maak je altijd wat mee. Meestal toch.

Ik blijf kijken en kijken. De Opperpater kijkt zenuwachtig. Zijn hoofd is al een beetje naar mij gedraaid; min of meer mid-draai, zogezegd. Nog niet in volle overgave een gerichte terugstaar, maar wel een subtiel signaal dat hij me opgemerkt heeft. Een zeker ‘hou eens op’ spreekt uit zijn blik. Ja, hij heeft zenuwen. Ik zie het nu. Hij snapt niet waarom ik staar.

Ik verontschuldig me en zeg dat ik wacht tot hij iets spannends gaat doen. De Opperpater zegt dat hij niets spannends meer doet. De Opperpater wordt niet meer verliefd en gaat niet meer op avontuur. Als de Opperpater zich aftrekt, dan komt er poeder uit. De Opperpater moet zelfs stil zijn in zijn eigen huis. Hij heeft alwéér een brief van de woningbouwvereniging gehad. Moet alwéér op het matje komen.

Dus de Opperpater doet even lekker niks meer, knikker. Ja, bier drinken en roken. Voor de rest blijft hij stabiel en soepel. Ik moet zelf maar wat gaan beleven, knikker. De Opperpater drinkt en zuigt aan zijn schuimsnor. Dan trekt hij hard aan zijn sigaret. Vervolgens drinkt hij nog een keer. Ik zit nog steeds te kijken. Hij draait nu de volle slag en kijkt me strak aan:

“De Opperpater is geen avonturenmachine, knikker.”