Zij klieft mij
de tijd door
en snijdt me
vingers in
Ik zie jou wel
staan, buiten
met je messen
gesleept
De maan in je
rug, schaduw
vooruit. Je kwetst
je onwaanbaar
Zij scherpt toch
veel verder dan
jouw blik geworpen
en geveld
Dus tol maar,
die slijp, en laat
je zinnen wanen
Waar wij blijven,
bleef ongewis
gekloofd
bijtwee geveegd.
Dit gedicht verscheen in
“Onderop De Stapel Rechts”
De vierde dichtbundel van René van Densen verkent als thema verhuizen, transitie van één situatie naar een andere. Waarbij je altijd dingen kwijtraakt, maar er ook iets nieuws ontstaat, gesymboliseerd door kleine poëziedoosjes die je kunt uitknippen en die een nieuw gedicht vormen, maar waarbij je dan wel zes andere gedichten moet laten verdwijnen. Verdeeld in metaforische ruimtes in een nieuw huis verkent Van Densen wat je wel of niet mee moet nemen.
“Er lopen tig dichters rond in Nederland en Vlaanderen die al blij zouden zijn met de kruimels die van van Densens tafel vallen.” – Anton Voloshin

