Feestjes

Verhaal door René van DensenJe hebt van die mensen die als ze een boek hebben uitgelezen, dat in een kast bewaren, als een trofee van de afgelegde route, en zo hun huis volbouwen met uitgelezen boeken die ze daarna nooit meer aanraken. Helaas voor mijn boekverkoop ken ik dergelijke mensen te weinig. Met statistische inschatting en logisch redeneren concludeer ik echter dat ik dergelijke mensen minstens in een fors aantal in mijn leven heb gekend. Ik heb veel mensen gekend en daarna ongekend, dus daar moeten mensen tussen zitten die hun boekenkasten volbouwen met leestrofeeën.

Dat schiet door mijn hoofd als een oudklasgenoot mij een uitnodiging stuurt voor een reünie. De reünie is niet enkel met haarzelf. Dat zou mijn lief vermoedelijk raar vinden, ikzelf trouwens ook. De oudklasgenoot is iemand die ik heel goed ongekend heb, beduidend beter dan dat ik die gekend heb. Ze doet leuke dingen tegenwoordig, vertellen de sociale media mij, dus dat valt dan weer mee. Altijd leuk als oudklasgenoten zich ontwikkelen tot echte mensen in het leven.

De reünie is van mijn oude school, en niet eens enkel voor de schoolgaande mensen van mijn schooltijd, maar voor alle afstudeerjaren. De oude school pakt groot uit met een all-inclusive reünie. Iedereen bijeenbrengen, is het concept. Ik ga nooit naar reünies. Ik vlucht vooruit in het leven en keer nooit heen waar ik vast om een goede reden van ben weggegaan. Wat ik me van school herinner bovendien is dat ik iedereen stom vond, statistisch tenminste. Uitzonderingen maken het je overal lastig te generaliseren. Of bijna toch.

Wat ik wel doe, is gaan naar reünies van scholen of werkgevers of verenigingen waar ik nooit deel van uitgemaakt heb. Daar struin ik het internet voor af tot ik er een vind die niet al te lastig reizen is. Ik trek een kostuum aan waarvan ik inschat dat ik goed in het gezelschap ga passen – een dierenartsreünie is toch anders dan die van een djembé-ensemble en kantenklossers kleden zich anders dan bankdirecteuren – en ga me daar voordoen als een collega of vriend of verenigingslid die zich de anderen nog levendig herinnert. Zij voelen zich dan enorm schuldig dat ze mij niet herkennen, waarop ik passief-agressief zeg dat het wel oke is. Als ze dan, zich opgelaten voelend, vragen wat ik tegenwoordig doe, breng ik het gesprek op mijn schrijversschap en zo verkoop ik nog af en toe eens een boek.

Dat is eigenlijk de enige reden dat ik wel eens op een feestje kom. Om boeken te verkopen aan mensen die mijn werk nog niet kennen en dus geen geldige reden hebben om geen boek aan te schaffen. Voor de rest heb ik op feestjes meestal bar weinig te zoeken. Daar heb ik nu zelfs een boek over geschreven, over feestjes waar ik bar weinig te zoeken heb. En ik organiseer als presentatie van dat boek een feestje, waarop een boel mensen zich zullen afvragen wat ze er te zoeken hebben. En met wat geluk verkoop ik aan die mensen een boek. Dat ze thuis in de trofeeënkast kunnen plaatsen.

Ik mail de klasgenoot dat ik nog niet weet of ik kom en loop naar mijn eigen boekenkast. Behalve stapels onverkochte boeken staat er een boek in van Joubert Pignon. Ik had er twee maar laatst ging ik naar een feestje. Ik bedacht me op het laatst dat ik geen cadeau had, en als je zonder cadeau aankomt vinden mensen het toch minder leuk, dat je aan de gasten je boeken gaat lopen verkopen.

Pet

Verhaal door René van DensenIk leg een pet voor mij op het trottoir en ga gehurkt zitten. Dan kraak ik mijn knokkels en begin te schrijven. De mensen lopen door, naar hun werk, druk in de weer met prikplankjes voor hun neus. Sommigen praten tegen de prikplankjes, vertikaal op hun hand. Niemand beweert dat wat ik doe geen werken is, maar hun wegkijken spreekt boekdelen.

Al dagen achtereen schrijf ik me hier suf, maar de opbrengsten vallen tegen. Een zeldzame lezer gooit soms net genoeg in mijn pet dat ik ergens een bescheiden broodje kan halen, daar houdt het mee op. Toch zit ik hier flinke werkdagen te schrijven. Sommige mensen stoppen en kijken even toe, mompelen dan dat hun zoontje van acht dit ook kan schrijven en lopen door. Ze lopen opvallend vaak een friettent twee deuren verderop binnen en komen dan met een frietje met mayonaise naar buiten. Ik vraag me af of hun zoontje van acht ook een frietje mayo kan maken.

Een heel blije man komt een euro in mijn pet gooien. Ik knik dankjewel en schrijf verder. Maar zo makkelijk kom ik er niet vanaf. Hij vraagt of ik ook verzoekjes schrijf. Iets van Kluun of zo. Of Joubert Pignon. Of Toon Hermans. Ken ik Toon, vraagt hij. Ik knik maar zeg dat ik alleen mijn eigen verhaaltjes en gedichten kan schrijven. Hij snoeft. Dan pakt hij zijn euro uit mijn pet en stampt verontwaardigd weg. Hij roept tegen voorbijgangers dat ze mij geen geld moeten geven, dat ik een charlatan ben, dat ik mijn beloften niet nakom. Dan loopt ook hij de friettent in.

Een man in stropdas kijkt toe. Hij werpt een schaduw over mijn schrijven wanneer hij mij ongevraagd advies toebromt. De man blijkt bij de NS te werken. Hij ging over de omroepen. De man zegt dat hij het woordje ‘en’ geautomatiseerd heeft. Dus als u hoort: “De trein naar Breda en Rotterdam Centraal en Den Haag Centraal,” dan was hij verantwoordelijk voor het woordje en. De man klinkt erg trots. Hij zegt dat hij de Spoorwegen minstens achtendertig miljoen euro bespaard heeft met de automatisering van het woordje en.
Hij schraapt zijn keel en kijkt me aan. Ik kijk terug. De man zucht even en zegt dat ik misschien ook aan automatiseren moet denken. Dat ik daar enorm kostenbesparend mee kan werken. Als ik bijvoorbeeld alleen het woordje en al automatiseer, zegt de man, zou ik schrikken van de hoeveelheid geld die me dat uitspaart.

Ik geef niet automatisch antwoord.

Schouderophalend loopt de man ook naar de friettent. Even later stapt hij weg met een frikadel speciaal.

De dag zit er weer op. Ik pak mijn pet op en stof hem af. Twee euro veertien cent. Voor elf uur schrijven. Ik heb slechtere dagen.

Als ik weg wil lopen, tikt iemand op mijn schouder. Een gitarist. Lang haar. Hij wil weten wat ik voor mijn pet wil. Hij biedt tien euro.

Ik twijfel. Eventjes. Dan geef ik de gitarist een en, knik hem vriendelijk aan, zet mijn pet op. De zon schijnt nog net als ik huiswaarts slenter.

Zin

Verhaal door René van DensenOok vanavond heb ik weer eens een schrijver te logeren, die bevriend is, een bevriende schrijver zogezegd of zogeschreven, zoals er de laatste maanden wel meer in mijn logeerbed verbleven hebben, waarbij mij altijd een beetje de twijfel bekruipt of ze hun schrijvende vriend komen bezoeken of de mooie en interessante stad waar hij woont waar toevallig iemand met een relatief goede inborst hen wel een gratis slaapplek verstrekt, maar dat zou te toevallig zijn aangezien de bevriende schrijvers van zeer verschillende karakters en stijlen zijn, zoals de ene schrijvende vriend die ik laatst op bezoek had die alles wat er gezegd en gedaan werd, in een zakboekje noteerde, en een andere vriend die heel vaak vind dat ik veel te veel woorden gebruik als ik iets wil zeggen, dat mijn zinnen vaak ook te lang worden, waar ik zelf niet zo veel van merk maar misschien verklaart het waarom ik relatief weinig lezers heb, en dat soort gesprekken en overpeinzingen leiden er dan weer toe dat ik uiteindelijk over schrijven ga schrijven, een fout die veel schrijvers maken en die ik zelf ook verfoei maar als je zoveel met schrijven bezig bent in je hoofd hou je weinig anders om over te schrijven dus dan schrijf je over schrijven en niet over niet-schrijven, dat schrijf ik je op een briefje, al probeer ik best nog wel eens in de gesprekken met bezoekende schrijvers het gesprek over een andere boeg te gooien, maar ook zij zijn de ganse dag met schrijven bezig natuurlijk, dus die boegen niet zelden doodleuk het gesprek weer terug, waarop ik hen meestal dan maar bier aanbiedt om hen te doen zwijgen, want al dat spreken over schrijven, daar wordt een mens ook niet gelukkiger van, meen ik toch, en dat spreek ik heel af en toe ook wel eens uit, mogelijk zelfs vanavond, tegen de schrijver die komt logeren, waar ik nog ooit eens briefwisselingen mee schreef over een keer dat ik bij zijn editie van De Sprekende Ezels zou gaan optreden als dichter, in zijn stad, en nu is hij in mijn stad, om hier bij De Sprekende Ezels te gaan optreden, en hij zal waarschijnlijk verwachten dat ik wel mee ga, maar eigenlijk zie ik hem nooit bij mijn optredens dus ik twijfel nog enorm, en om de twijfel weg te nemen kijk ik of andere vrienden van me misschien mee willen, vrienden die niet de ganse avond over schrijven gaan praten, maar met wat rondvragen blijken bijna al mijn vrienden schrijvers te zijn, wat wellicht ook verklaart waarom ik zoveel schrijvers te logeren krijg, en ik moet dus mijn vriend, de schrijver, teleurstellen zodra hij aan mijn poort staat en vraagt of ik mee ga.
Ik zeg dat ik geen zin heb.

Pen

Verhaal door René van DensenIk heb een bevriende schrijver te logeren. Hij is meer dan een vriend, ik beschouw hem als een broer. Bijna. Hij mij iets minder, maar hij vindt het oke dat ik dat vind. Dat scheelt enorm.

Hij schrijft alles op wat er gebeurt. Ik moet geheim houden dat hij met een dagboek bezig is dat gepubliceerd gaat worden. Ik beloof niets. Niet voor niets type ik nu deze woorden. U weet er alvast van. Bofkont dat u bent.

De bevriende schrijfbroer heeft prachtige fictie geschreven, maar voor zijn dagboek wordt serieus geld neergeteld. Mensen willen geen verzinsels meer. Er is een president in America die daar langzaam het monopolie op heeft. Binnenkort wordt zijn patentaanvraag op fictie goedgekeurd. Mensen willen waarheid, zelfs verzonnen. Van bijna naakte mensen op een eiland. Of van mensen samen in een huis. Dat willen de mensen. Geen verhalen meer.

Hij schrijft heel veel wat ik zeg, op. Ik zeg iets, hij schrijft. Ik zeg nog iets, hij schrijft iets dat veel langer is dan wat ik zei. Ik raak aan de praat met een Brit en vertel hem van mijn optreden vanavond. De Brit wil er wel heen. Ik zeg dat ik hem wel instructies geef naar de locatie en voel mijn zakken. Ik heb geen pen.

Ik vraag mijn vriend om zijn pen en schrijf de instructies op. Mijn vriend kijkt beteuterd. Ontmand. Hij kan nu niets schrijven. Hij moet alles onthouden tot hij weer kan schrijven. Ik zet tergend langzaam alle woorden op het bierviltje en maak de richtingaanwijzingen zo gedetailleerd mogelijk. Het bierviltje heeft vrij veel ruimte.

Mompelend gaat mijn vriend een biertje bestellen.

Zeventien

Verhaal door René van DensenTweeduizend zeventien. Zeg het. Zeg het hardop. Dan blijft het misschien hangen. Tweeduizend zeventien. Twee duizend zeven tien. Twee. Duizend. Zeven. Tien. Ze. Ven. Tien. Ze. Ven. Niet zes. Ze. Ven.

De ballpointpen zweeft boven het formulier. Dit is de eerste keer dit jaar dat ik het fout kan doen. Er volgen nog wel gelegenheden. In voorgaande jaren duurde het soms tot goed eind zomer voor ik eindelijk zonder nadenken het nieuwe jaartal kon invullen. Want afgezien van één avondje net wat dronkener worden dan de meeste andere avonden, verandert er voor mij op Nieuwjaar niet veel. Wellicht dat dat voor andere mensen anders is. Maar het wil maar niet wennen, zo’n nieuw jaar.

Ik kijk naar de kat. Zou het voor haar een nieuw jaar zijn ? Voor zo’n kat is natuurlijk elk moment zo ongeveer een nieuw moment. Weer een. En weer een. Niet bij te houden. Maar die kat hoeft geen formulieren in te vullen. Of cheques. Of boekjes te signeren. Beetje de halve dag slapen, dan kan ik het ook, dat alles steeds nieuw is. Met haar platte wang en half open ogen. Schrijf maar eens een boek, denk ik stilletjes naar de poes toe.

En zo’n zeventien, dat is net wat erger dan de zestien. Als je in plaats van zestien vijftien invult, valt het nog wel een beetje bij te prutsen. Zie je nét niet. Zo’n vijf die stiekem een zes is gemaakt. Valt best mee. Gewoon een lelijke zes. Zo’n zes die ’s avonds alleen naar huis gaat. Of die een dronken, waggelende vier mee kan snaaien, als alle mooie zesjes al weg zijn. De vier is het lelijkste getal van alle cijfers. Hoek, kruispunt, alles rechtlijnig en venijnig. Zelfs de zeven is niet zo’n gedrocht als de vier.

Verstoord sta ik naar de tweeduizendzestien die ik ingevuld heb terwijl in gedachten verzonken. Dit wordt weer zo’n jaar.

Soms wou ik dat ik nooit een boek had geschreven

Verhaal door René van DensenZe komen steeds weer terug, die dagen dat ik wou dat ik nooit een boek had geschreven. Laat staan elf. Momenteel heb ik er elf geschreven. Dat is niet waar. Ik heb er elf uitgebracht, twaalf hele geschreven, één boek is voor tweederde af, één boek voor vijfenzeventig procent, twee boeken voor vijftig procent en één boek voor zes procent. Ik heb net iets minder dan veertieneneenhalf boek geschreven.

Je kunt zeggen dat het appels en peren is. Proza, strips, poëzie, en mijn debuut was zelfs een ratjetoe van alledrie. Dan zeg ik nou èn. Schrijven is schrijven. Maar ondertussen zit je wel met al die shit die niet af is. Niemand heeft het ooit met je over de wél uitgebrachte boeken. Althans, niemand in mijn directe omgeving. Mensen hebben het altijd over de boeken die nog komen. En zeker over De Roman. Want hoewel de meesten geen regel gelezen hebben van De Roman (in wording), weten ze zeker dat dát boek er moet komen. De Roman (in wording) is één van de boeken die voor vijftig procent af zijn.

Dan rekt ze zich uit. Spinnend. Teentjes gestrekt, kleine nagelpuntjes. Roze, ribbelige kussentjes. Genietend dichtgeknepen gezicht. Kromme rug, krulle staart. Mijn kat, dames en heren. Nooit één boek geschreven. En kijk d’r genieten. Kalm draait ze zich om en gaat op haar andere zij liggen. Het enige plekje in huis waar de herfstzon invalt, heeft ze gevonden. En ik zit erbij. Met mijn beeldscherm.

Soms wou ik dat ik nooit een boek had geschreven.
En nou weer klaar met het zelfmedelijden. Het worden er namelijk achttien. Leg ik daarna nog wel uit.

De schaamte

Verhaal door René van DensenOnderweg naar de literaire avond voel ik me een faker. Je bent ongeveer in zoverre een schrijver als dat je recent nog iets geschreven hebt, uiteraard. Net zoals dat je zo populair bent als het aantal likes op je laatste facebook post. Ik pak een biertje van de tafel en zet me op een krukje – in de boekenwinkel zijn alle stoelen al bezet.

We luisteren naar twee schrijvers. Één schuift heel erg een andere naar voren, die daar zelf ook wat van verrast is. Ik noteer een paar dingen in mijn zakboekje die me, al luisterend, binnenvallen. Het zakboekje is weer bijna vol. Ik werk de dingen die erin staan niet voldoende uit de laatste tijd. Het leven zet afwassen, lekke achterbanden en sociale verplichtingen in mijn weg. Ik kan natuurlijk besluiten niet aan het maatschappelijk leven deel te nemen en me volledig aan het schrijven te wijden. Maar wie voedert er dan mijn kat ?

Na afloop staat een bevriende schrijver die een paar maanden terug vrijwillig redacteur heeft gespeeld voor mijn roman in wording, voor mijn neus. Ik wil hem bijna ontlopen, zo schaam ik me. Hij spreekt me ferm aan, dat ik niet aan mijn boek heb doorgeschreven. In de tijd dat ik niet aan mijn boek heb doorgeschreven heb ik vier andere bundels in de steigers gezet, waarvan er een klaar is om vorm te geven, heb ik twee andere boeken geschreven en uitgebracht en vijf strips – ouder werk – gepubliceerd. Maar hij heeft wel gelijk.

Ik ben bang. Bang voor hoe weinig ik van mezelf over had toen de stoppen doorgeslagen waren. Hoe ik verdwaasd over straten strompelde en nog geen drie boodschappen kon onthouden. Hoe lang het heeft geduurd voor ik mezelf weer een beetje terug herkende. En ik vertrouw het nu nog niet. Dat mijn kop weer kan wat het ooit kon. En het boek was op een punt waar alles heel complex door elkaar begon te lopen. Veel karakters. Veel verhaallijnen. Ik ben zo ontzettend bang dat het niet meer past in mijn kop. Of erger, dat de stoppen opnieuw knappen.

Maar dat zeg ik niet. Ik mompel wat verontschuldigingen en zeg dat ik écht bezig ben. Dat er binnenkort nieuwe tekst komt. Echt heus echt. Thuis pak ik zijn correcties erbij en open het boek. Ik leg de teksten naast elkaar en lees zorgvuldig het verhaal weer stukje bij beetje bij. De schaamte port in mijn rug. Er zijn tachtig andere dingen die ik óók nog moet doen, maar nu ga ik vlammen. Nu gaat het boek dóór. Ik ploeter gewoon even een nacht rond en morgenochtend staat er nieuwe tekst achter het hoofstuk waar ik was.

’s Ochtends schrik ik wakker. De correcties plakken aan mijn gezicht. Ik ben nog niet eens bij hoofdstuk vijf gekomen. En mijn achterband is ook nog steeds lek. Ik ben zo moe.

Schrijvermoe

Verhaal door René van DensenNee, ik ging niet ‘ook iets doen’, verzekerde ik mijn gezelschap. Niet op dit festival. Ik heb schrijversvrij. Dat komt goed uit, want ik ben een beetje schrijvermoe. Ook zou later mijn laptop overlijden. Maar dat wist ik op dat moment nog niet.

Nee, ik was er om te komen luisteren naar schrijversvriendjes. Of blijkbaar: om bezweet aan te komen op een fiets met slappe banden, precies nadat ze klaar zijn met optreden. Om dan in ieder geval pintjes te drinken. Veel pintjes, want de schrijversvriendjes komen met schrijverhoeveelheden schrijverpintjes aan te zetten. Een schrijvermens zou er nog schrijvermoe van worden.

Er is iemand in het programma uitgevallen, of ik niet wil invallen. Nee, zeg ik, echt niet. Er zijn ook vrijwilligers tekort op het festival, zegt een ander, dus of ik misschien daar bij zou willen springen. Ik zeg dat ik hier ben als betalende bezoeker, dat het festival die ook nodig heeft. Dat is dan ook weer zo, geven ze toe.

Na een aantal pintjes word ik een hok in gesleept. Een gordijn wordt opengetrokken en er zit afwachtend publiek naar me te staren. Microfoon voor mijn neus. Op de eerste rij zitten kindjes, allemaal keurig geïndoctrineerd om naar kijkhokjes te staren.

Ik vertel een mop. Een racistische piemelmop. Aan de kindjes. Het bierzweet gustst langs mijn slapen. Ik vraag me af of mijn schrijversmoeder trots op me is.

Opnieuw proberen

Verhaal door René van DensenJe weet dat het foute boel is, zodra de bakstenen uit de huizen naast het spoor de lucht in gerukt worden. Zelfs als je tot dan toe niet zag hoe donker het werd buiten. Als een dreigende mensenmassa dromt een duistere wolkengroep zich boven de coupé. Toch maar even één oortje uit je oor plukken en luisteren of er iets omgeroepen wordt.

Gekraak uit de speakers. Aan weerszijden van de trein vliegen nu ook de huizendaken de lucht in. Hele bovenverdiepingen worden aan stukken gereten en vallen tegen de zwaartekracht in. Met een voorzichtige blik probeer ik te zien waar de restanten van de bouwwerken zoal heen vliegen, maar het is vooral erg donker. Het is dwarrelende stenen en gruis en huisraad, en dan dikke lagen aquarelzwart.

Nog altijd geen omroepstem. De coupé zit niet vol, en ik heb volgens mij als enige door wat er gebeurt. Verderop zit een klein jongetje met zijn neus tegen de ruit te kwijlen. Hij kijkt alsof er buiten slechts een spannende film afspeelt. Mamma is iets aan het prikken op haar telefoonplaatje. De dikke zakenman aan de andere kant van het gangpad ligt te snurken. Zijn stropdas is lichtjes gekreukeld.

Ik klap mijn laptop open. Behoefte aan informatie. Is de wereld eraan aan het gaan soms ? Of is dit gewoon weer zo’n plaatselijke onheilsbui ? De coupéspeaker zegt nog altijd niet veel maar de trein raast voort. Ik probeer de treinwifi te bereiken. De connectie kan niet gemaakt worden. Nog eens. De connectie kan niet gemaakt worden.

Dan hoeft het eind van de wereld ook niet voor mij, besluit ik. Ik klap het laptopscherm dicht en open mijn gratis treinkrantje. Even de sudoku oplossen. Daarna kunnen we de vernietiging van het bestaan eventueel opnieuw proberen. Ik ga er niet aan zonder internetverbinding. Kom nou.