Meneer

Ja meneer, geef uw brief maar hè, en uw identiteitskaartje. Ja hoor dankuwel. Het is in orde, meneer, u mag plaatsnemen in de wachtkamer. De dokter zal u roepen, meneer. Ja hoor meneer, neemt u maar gerust plaats.

Ja meneer, zegt u het maar ? En bij welke arts heeft u van de namiddag een afspraak ? Oei, u weet het niet meer. Maar het is goed, meneer, u krijgt straks een brief mee en dan de code, zodat de arts gewoon uw resultaten kan opzoeken. Ja, meneer, u neemt dan gewoon die brief mee naar de afspraak en dan is het in orde. Ja, meneer, zet u maar, we zullen u zo wel roepen meneer.

Meneer Van Densen ? Komt u maar mee meneer.

Doet u vast hier uw jas uit en uw schoenen, meneer. Nee wacht, u bent hier voor uw neus he ? Dan moet u wel uw bril afdoen, meneer. Ja, en uw jas meneer. Nee, uw schoenen hoeven dan niet. Ik ga even het bed kantelen meneer. Zo…. Neemt u maar hier plaats meneer. Wat is er gebeurd precies, want het ziet allemaal wel wat blauw he ? Ja, uw neus staat precies ook wat scheef, meneer. Alé ‘tis al goed, we gaan eens zien. Gaat u zo met uw gezicht naar mij toe zitten meneer, ja en nu stilhouden. Oke… En nog eens… goed. Wilt u nu eens met uw hoofd naar links draaien meneer ? Dat is te ver meneer. Even terug meneer. Ja, en dan nu naar links. Dat is te rap meneer. Nog eens. Rustig uw hoofd lichtjes naar links draaien… Het was nog altijd iets te rap maar het zal wel in orde zijn meneer. Wilt u nu recht in het apparaat kijken alstublieft meneer. Ja.. niet bewegen meneer.. en nu nog eens… het is klaar meneer.
Ja, ’t is gebroken hè meneer. Gaat u met uw bril en jas maar door die ruimte, dan kunt u daar uw jas weer aandoen en door die deur links, dan bent u terug bij de wachtkamer.

Nee, zet u nog maar even meneer, we roepen u als de resultaten klaar zijn.

Meneer Van Densen ? Ja dus deze brief neemt u mee naar uw gesprek.
Dat is dan acht euro, meneer.

De vaste conducteur

Verhaal door René van DensenBekend gezicht, meteen bij openschuiven van de coupédeuren. Petje, kniptang, de semi-professionele netnietgrijns. Ja, hij is het weer, net als bij elke keer Antwerpen-Gent de laatste maanden. Lopen zijn diensten gelijk met mijn reizen ?

Ik knik en zeg maar, daar zijn we weer. Hij lacht wat en kijkt naar mijn laptopscherm. Ik ben niet aan het schrijven. Hij ziet mij nooit schrijven. In feite komt hij controleren wanneer ik niet schrijf. Ik schrijf heus wel op deze tripjes, maar hij weet precies wanneer ik een film of serie kijk. De laatste tijd zijn het series.

“En welke serie kijken we deze week ?” vraagt hij grinnikend. Ik geef toe dat ik middenin Black Mirror zit. “Ah, dat vinden er meer plezant. Ik zou daar zot van komen, zo lang wachten.” Ik verzeker hem dat het mega goe is. Hij knipt mijn kaartje. “Als je nog moet piesen, we komen zo bij Dampoort.” Hij heeft me ooit met hoge nood meegemaakt drie minuten voor Sint-Pieters arriveerbaar was.

Ik hijs mijn broek op en spoel door. Krakende stem over de intercom. Voor de vorm in een imitatie-plat-Gents. De conducteur zegt dat we aankomen bij Sèint-Pieters. Dat we hier massa’s mogelijkheden hebben om over te stappen. Maar dat het computerschermpje van zijn apparaat er maar één toont. Brugge. Spoor 11. “Voor de rest moet u even op het groot bord in de inkomsthal kijken want ik sta hier ook maar met beperkt materiaal dat ik gekregen heb. Alé ja, we doen wat we kunnen hè, mijn verontschuldigingen. Denk bij het uitstappen aan alle bezittingen en personen die u wellicht vergeten zijt, en als het kan eens aan hoe schoon uw leven is.” Iedereen grinnikt.

Een man spreekt me in de coupéhal dat hij het tof vindt dat deze conducteur wat humor heeft. “Er zijn er teveel meneer, die geen plezier meer in hun job hebben.” Ik vraag of dat anders is buiten de trein. Hij is even stil en loopt daarna door naar een andere coupé met een bedrukt gezicht.

Ik waarschuw een instappende jonge kerel met een baard dat ik hem alvast veel plezier wens. Hij vraagt hoezo. Ik zeg dat de conducteur er zin in heeft. Hij zegt enkel ahja. Ahja. Ik vraag me af wat de conducteur nog zal omroepen waar hij bij is en voel een steek jaloezie. Maar ik ben er en kan niet meer meereizen. Thuis wacht mijn kat op mij.

Huppelend ga ik de trap af. Blij met mijn vertrouwde conducteur.

Lijntjes

Verhaal door René van DensenZe keek me met een bezorgde blik aan. Of haar jas mij niet in de weg hing. Ik zat tegenover de vrouw, haar jas hing aan mijn raamkant. Ik schudde nee. Haar jas hing mij niet in de weg. Opgelucht vroeg ze de conducteur hoe laat we in Antwerpen zouden aankomen. En nog wat aanvullende vragen die helder maakten dat haar laatste treinreis een tijdje terug was geweest. De conducteur stond haar geduldig maar zakelijk te woord.
Uit haar reiskoffer pakte ze een boek met mandala afbeeldingen. Per maand. Ze sloeg het boek open op Januari. Te vroeg, dacht ik nog. Maar toen viste ze uit haar binnenzak een blikken doosje.
Ze opende het doosje en griste de potloden erin bijeen. Vervolgens bestudeerde ze uitgebreid elk potlood. Uitvoerig. Op sterkte. Na wat een eeuwigheid leek. viste ze er één potlood uit en plaatste die op een specifieke positie in het blikje. Vervolgens studeerde ze op een volgend potlood. Na nog een eeuwigheid ging die ook in de juiste plek in de formatie.
Zo ging ze één voor één de potlodenbulk te lijf. Ik staarde. Hoe kon ik anders ? De geur van vers geslepen potlood kroop in mijn neus. Even raakte ik licht ontroerd. Ik vroeg me af of ik de vrouw moest opschrijven. Of andere mensen over haar zouden willen lezen. Wat die uit het bestaan van deze vrouw zouden putten.
En toen ging ze haar mandala inkleuren. Keurig binnen de lijntjes. Ik staarde het raam uit, waar de natuur zich enkel naar haar eigen wetten schikte.
Onwillekeurig zwaaide mijn blik terug. Op haar plichtmatige potlootpunt. Die keurig de kringeltjes kleurde. Alles aan de vrouw straalde symmetrie af. Ze had nog net geen twee horloges aan. De tijd, de tijd had haar dit verdrijf gegeven. Altijd die ellendige tijd weer.

Slaperig knuffel ik mijn rugzak en
de woorden komen

Ik open mijn laptop en

de woorden zijn weer weg.

Fictie

Verhaal door René van DensenMijn kat gromt luid. Ze startte de dag met spinnend mijn gezicht likken. Als ze niet gespind had, gespind gesponnen gespond, had ik wellicht nog getwijfeld of ze wel een kat was. Nu gromt ze naar de voordeur en bekruipt mij de twijfel alsnog.

Voor de deur, die een grote glazen ruit is met een randje, staat mijn buurman. Hij kijkt wild en verward. Hij geeft me een sleutel en zegt dat hij dit afgelopen weekend van de trap is gevallen. Dat er nu een vertraagd soort hersenschudding is ingetreden. Dat hij zo gaat liggen, in feite moet liggen, maar dat hij dat niet kan, hij moet en wil nog dingen doen. Maar voor de zekerheid is er hier zijn sleutel. Zijn zus komt zo ook misschien nog want die is bezorgd. Of ik die dan wil binnenlaten. Ik zeg dat dat goed is en sluit de deur.

Ik heb amper een volgende verhuisdoos geopend of er wordt op de deur geklopt. Het is de buurman. Hij geeft me nog een sleutel en zegt dat hij afgelopen weekend gevallen is. Ik neem de sleutel maar aan en knik begrijpend. Ik sluit de deur.

Ik gooi wat plakband in een prop weg naar de vuilniszak. Mijn kat rent erachteraan en komt die terugbrengen. Ik gooi de prop nogmaals. Weer brengt ze de prop terug. Ik zucht.

De buurman klopt op de ruit. Ik open de deur en ontvang nog een sleutel en hetzelfde verhaal. Ik vraag me af hoeveel sleutels de buurman heeft. Direct besluit ik dat ik misschien ook een reservesleutel moet regelen. Je weet nooit of ik eens van de trap val. De kat gaat op de bank liggen en begint luidruchtig te hijgen met de tong uit haar bek.

Voor ik een sleutel kan laten maken ga ik een rekening openen voor de waarborg. Maar dat gaat niet. De man zegt dat ik, naast mijn legitimatie en het geld voor de borg, ook mijn huurcontract moet voorleggen en een bewijs van woonst. Hij bedoelt een bewijs van inschrijving in de gemeente. Ik fiets naar de gemeente. Na lang wachten ben ik aan de beurt. Ik zeg dat ik me wil inschrijven in de gemeente. De vrouw zegt dat ik mijn huurcontract moet tonen. Ik bel mijn huisbaas. Die zegt dat hij het huurcontract pas kan regelen als ik mijn waarborgrekening geregeld heb. Ik grinnik en denk, ik ben in België.

Bij thuiskomst staat de buurman bij mijn andere buren zijn verhaal te vertellen. Als ik mijn huis binnenga, klampt hij me aan en geeft nog een sleutel. Binnen zet ik een koffie en staar naar de bewolkte lucht. Ik vraag me af waarom schrijvers nog fictie zouden bedrijven. Mijn kat blaft zachtjes.

Lege ramen

Verhaal door René van DensenEr is iets heel oke in dit land van de lach. Ondanks de opmars van de lege winkeramen. Besmeurd met kalkaanslag van de regen, met vervallen gevels, opgesierd door een inmiddels ook aan verval begonnen ‘Te Koop’-bord. Met zo’n langdurige leegstand moeten hier toch (anti-)kraak leuke dingen te regelen zijn, maar enfin. Ik rook mijn sigaret en zie mensen stralend lachend door de regen peddelen. Dan ga ik terug het kroegje in.

Er hangt een stylistische kaart van het Land van de Lach aan de wand. Met eraan een krulstaart. Erboven, aan het plafond, hangen acht jezuskruizen, horizontaal, als vliegtuigen die in formatie ergens heen vliegen. Op de tegenovergestelde wand, alweer een kruis, waar bij nadere inspectie de omhoogreikende armen van de Heer voorzien zijn van een zwaaiend springtouw. Men neemt hier niet zomaar iets serieus, wil het allemaal bij elkaar uitspreken.

Het gelach en nawerkdagse gebabbel kaatst door het lokaal. Een vrolijke boel, hier in het Café Met De Mooie Literaire Naam. Niets mis mee. Ik heb wat moeite om mijn boek te lezen, maar de afleiding is ronduit prettig. Levensverhalen worden druipend van ironie te berde gebracht. Moppen heeft men niet nodig: het leven staat bol van de hilariteit.

Eerzaam en vakkundig brengt de barvrouwe, met ingesleten lachrimpels, de vaste klanten hun bier. Koud, en van een vers vat. En royaal getapt. Geen kinderachtig gedoe hier: als je drinkt, drink je. Roken moet je buiten doen, maar ja, dat is ook maar de wet. Desgevraagd zal over het hele café de mening daar wel over verschillen.

Bij een volgende rookpauze staat er een enorme hond suffig voor zich uit te staren. Te gewend aan de locatie. Ik knuffel hem, hij reageert loom verbaasd. Niet té verbaasd: aandacht krijgt hij blijkbaar vaak genoeg. Zijn bazin heeft werkvolkwallen onder haar ogen, en de groeven die een hard leven aanbrengt. Maar ook hier weer onmiskenbaar: elke lach heeft zijn sporen achtergelaten.

Ik slenter terug naar mijn bushalte, langs de lege ramen. Als ik het geld had, zou ik het wel weten. Hier komt álles goed, zelfs al gaat het niet vanzelf.

Dagpas

Verhaal door René van DensenMijn vriend de jonge schrijver had het me aangeraden. “Je doet er langer over, maar het scheelt zo tyfusveel geld, man. Je bent een dief van je portemonnee als je het niet doet. De tréin, pffff… Daar kun je echt vier keer van met de bus, geloof me.”

Dus daar sta ik, in de Lijnwinkel. Dat ik graag met de bus van Gent naar Tilburg wil reizen.

“Hoe – van ‘Ent naar Tilburg dan nog,” klinkt het ongelovig. “Met de Lijn ?????”
Ik knik vrolijk van ja. Van tevoren heb ik me ingelezen en voorbereid. Drinken, eten en enkele boeken voor onderweg in de tas. Ik weet van verschillende routes de schema’s en overstappen. Ik weet enkel niet wat de reis kost. Vandaar dat ik het even bij de Lijn zelf ga vragen.

Hij kijkt me verbijsterd aan: “Zijde dan niet een beetje laat vertrokken meneer ?”
Een snelle blik mijnerzijds naar de klok. Half twaalf. Láát ? Om honderddertig kilometer af te leggen met Westers openbaar vervoer ? Het is toch potdorie niet een of ander stuk rimboe hier waar eens in de zes dagen de bus komt ?

Ik antwoord stellig dat ik het op internet heb nagezocht, “het duurt maar een uur of vijfeneenhalf.”
De man kijkt naar zijn scherm, naar mij, naar zijn scherm, naar mij. “Pfoei,” blaast hij, alsof ik geblinddoekt ga bungeejumpen aan een parachute in de bergen. Hij kijkt naar buiten, naar zijn scherm, naar mij, “Pfoei,” herhaalt hij.

“Het is wel enkele reis he, ik hoef niet heen en weer,” verduidelijk ik.
“Ha nee, enkele reis, dat begrijp ik,” roept hij spottend. Hij veegt wat denkbeeldig zweet van zijn voorhoofd.

Ik begin me ongemakkelijk te voelen bij deze vertegenwoordiger van het bedrijf waarvan ik tot enkele minuten geleden wel van verwachtte dat die me een relatief eenvoudige tocht, betrouwbaar zou kunnen doen afleggen. Aan wat voor avontuur ging ik mij hier overgeven ? Zou ik gestrand raken tussen velden en boerderijen ? Zouden er piraten zijn onderweg, de op passerende bussen loeren ?

Ik stel me ineens een dagenlange tocht in een gammele bus voor, met bagage en zwartrijders op het dak, langs steile ravijnen over modderige weggetjes vol steenbokkenstront. Waar elke dertien uur één plaspauze voor de passagiers wordt ingelast, en dan hop weer verder. Waarna je vier uur wacht, kilometers van de dichtstbijzijnste woning af, op een bus die in een horizonstofwolk aan komt hobbelen.

Hij zegt, “ik zal u een dagpas verkopen meneer,” op een toon die zowel vaderlijk-beschermend, als ik-zie-geen-andere-mogelijkheid klinkt, “en dan hopen dat u nergens te diep in de shit geraakt,” terwijl hij me mijn dagpas aanreikt.

“Dag he, meneer,” spreekt hij alsof het de laatste woorden zijn die ik nog zal horen, “en laat nog ‘ns weten of het gelukt is.”
Ik stap de Lijnwinkel uit en besluit een treinkaartje te gaan halen. Fuck this shit.

Heenreis

Verhaal door René van DensenDe bus hobbelt over de weg. Meter voor meter vraag ik me af of dit wel zo’n strak plan was. Ja, het heet inderdaad vakantiegeld. Maar dat je het krijgt, betekent niet dat je het daaraan moet uitgeven. Veel mensen doen dat helemaal niet. En zeker niet als ze zo weinig gekregen hebben als ik. Mijn overgemaakte vakantiegeld werd berekend over één gewerkte dag. Het betaalt net de busreis naar het kleine Belgische plaatsje. De heenreis. Hoe ik terugkom, weet ik nog niet. Wat ik er ga doen, weet ik nog niet. Ik heb verstandigere plannen in mijn kop gehad. Niet veel, maar ze wáren er wel.

Misschien kom ik wel helemaal niet terug. Bekijken ze het allemaal maar, in dat Nederland. Op zich vind ik dat niet zo’n erg idee. Alleen ga ik mijn kat wel missen. Die heb ik vanaf mini. Niet dat ze nu erg groot is. Maar minder mini dan toen ze mini was. En ze is Belgisch. En ze blijft dwars door alle ellende tegen me aankruipen. Nee, als ik wegga en niet terugkom, moet zij meegaan. En ze is nu niet mee. Dat helemaal niet terugkomen, dat gaat hem dus niet worden. Ik brom wat en kijk uit het raam.

Het is veel te warm voor een vakantie. En morgen moet ik ook gewoon weer allerlei dingen. Dagjestrips zijn geen vakanties. Slappe hap. Voor durfniks. Op en neer, terrasje doen en weer naar huis. Ik vind deze vakantie nu al verschrikkelijk. Impulsief druk ik op de knop. De bus remt scherp. Ik drukte net voor de volgende halte. Demonstratief zwaaien de deuren open en ik stap uit. Ik was pas twee haltes onderweg, dus de terugreis is nog prima te lopen. Wat gaat mijn kat blij zijn om me te zien. Zeker vijf minuten weggeweest. Je maakt wat mee, als dappere wereldreiziger.

Eersteklas

Verhaal door René van DensenIk zwaai wat vaag met mijn mobiel. Natuurlijk heb ik netjes per SMS betaald, maar niet alle buschauffeurs hebben zin om dat te controleren. De chauffeur knikt en lacht. Wanneer hij me ziet worstelen met mijn valies, roept hij, als geschrokken van zijn onhoffelijkheid, dat hij de tweede deur wel even opent. Ik vind dit nu al een fantastische chauffeur. Vind die in Nederland nog maar.

Een kleine kilometer verder roept hij de bus in “Jongeman, moest jij lijn 9 hebben ?” Een jongen schrikt wakker uit zijn verzonken gedachten. “Dan kun je best nu naar voren komen,” roept de chauffeur. De jongen haast zich niet. “Stap hier uit en ga zo snel mogelijk naar de halte om de hoek, want hier komt hij al aan. Om de hoek. En snél !” De jongen stapt uit en slentert naar de straathoek. Dan ziet hij lijn 9 voor zich langs passeren en rent er verschrikt achteraan. De chauffeur lacht: “Ik heb het nochtans twee maal gezegd.” Als het stoplicht op groen springt en ook wij de hoek om kunnen, staat de jongen niet bij de halte.

Collegiaal zit de man met de kleurrijke stropdas te kletsen met een openbaarvervoerscollega. Ik wacht. Hij wenkt, dat dit geen klant is en hij me best wil helpen. De collega blijft doodleuk staan terwijl ik mijn kaartje vraag. Hij vraagt hoe het kan dat ze nog op Windows XP werken. “Ahja, dat marcheert nog wel,” zegt de man wiens stropdas vol met NMBS-logo’s staat, “maar de security wordt niet meer gepatched. Maar ja, we zijn toch al verantwoordelijk geweest voor het grootste datalek in de mensengeschiedenis, dus dat we pas in 2015 van XP afstappen…” Ik grinnik wat, hij grijnst: “Voor de liefhebbers: de volledige gegevens van álle abonnementhouders stonden open en bloot online. Zes maanden.” Ik pfoe wat. Het is in zulke gesprekken zaak eerst te reageren en dan pas na te denken. Bij het nadenken besef ik me dat dat inderdaad een enorm datalek is. Maar we lachen, want het is altijd wat met de wereld.

In de trein loopt een oude vrouw vertwijfeld de coupé in. Ze kijkt op haar kaartje, dan naar de ruime, luxueuze stoelen. “Pardon meneer,” vraagt ze aan me, “is dit tweede klasse ?” Ik snap haar verwarring. Deze ochtend is álles eersteklas.