Hoi lieverd

Verhaal door René van DensenIn een benauwde treincoupé bedenk ik me ineens dat ik mijn verzonden berichten nog niet opgeschoond had. Ik heb een nieuwe tweedehands GSM. De nummers en ontvangen sms’jes heb ik al netjes gewist. Mensen vergeten hun eerstehands berichten altijd te wissen wanneer de telefoon tweedehands gemaakt wordt. En jawel, er staat een flinke boel berichten in naar nummers die ik niet ken. Vrijwel allemaal naar hetzelfde nummer. Ene Guus. Guus, ik tel 127 lege stoelen. Guus, ik tel 87 lege stoelen. Guus, ik tel 104 lege stoelen. Iets over een lijnmanager. Ik lees de sms’jes niet maar je ziet wel steeds het begin in de lijst. 105 stoelen, 84 stoelen, 122 stoelen. Geen idee of het veel of weinig lege stoelen zijn. Was dit van een conducteur die doorgaf hoeveel ruimte er nog in een bepaald deel van de trein was ?

Ik wis me door de lijst heen. Heel af en toe andere berichten. We zitten in ‘Doebai’, groetjes Willem. Of het eten al klaar is. Dat het dak er mooi bijla. Steeds kleine stukjes. Afgekapt. Van hoe weinig woorden Willem als man ook is, ik krijg nergens een volledig bericht in beeld. Of toch. ‘Oke.’ Dat hij er nog een punt achter zet, ontroert me.

Dan veranderen de berichten. 121 stops 57 pct gr W. Ruud 58 st Willem 126 s. Centr 127 st 94 pct. De berichten blinken uit in raadselachtigheid. De stops, tja. Het zal wel een buschauffeur zijn. Treinen maken niet bijzonder veel afwijkende stops. Dat percentage zal wel zijn hoe vol de bus was. Zou hij dat met een rekenapparaat hebben berekend ? Op zijn dashboard ? Of zouden die mooie moderne in- en uitchecksystemen dat gewoon melden ? Misschien de stops ook wel. En dan nog per sms moeten doorgeven hoe de eindstand is. Van jou en de andere chauffeurs. Van Ruud. En Akiv. En van jezelf. Willem.

Langzaam wis ik Willem. En Ruud. Delete delete delete. Stops en percentages. Steeds andere nummers. Kalme dagen, drukke dagen. Een verdwaalde ‘Ben geveld door griep’ ertussen. De dag erop duidelijk weer dapper achter het stuur. Bravo Willem. Aan je werkethiek ligt het niet. Stops en percentages, stops en percentages. Dan iets over een nieuw abonnement. Dat hij de vraag van de baas niet snapt. Dat hij vanavond later thuis komt. ‘Slecht nieuws’.

En dan wis ik bijna ‘Hoi lieverd <3'. Ik staar verbaasd naar het bericht. Dit was het eind van Willem's verhaal en hier begint dat van haar en mij.

Beet

Verhaal door René van DensenZe kijkt me verbaasd aan als ik de keuken inloop. “Kon je niet meer slapen ?” Ik schudde nee: “Het werd zó slecht, lieverd.”
Zij, verbaasd: “Wat werd zo slecht ?”
“Hij werd dan dus eigenaar van die aasfabriek-”
Ze lacht: “Oh djiez, je hebt het over dat filmverhaal dat je aan het dromen was ?”
“Ja, dat ging nog even door, en het werd zo’n hollywoodcliché, vreselijk.”
“Oké vertel op.” Ze smeerde ondertussen boterhammen en schudde met de honingfles.
“Nou die ene kerel dus, zo’n echt Jason Bateman type-”
“Die uit Ozark, dat zei je ja.”
“Ja precies die. Dat is dus de eigenaar van een klein viswinkeltje. Typisch zo’n net drijvend blijvend zaakje, geen echte toekomst, en op een dag merkt hij verbaasd dat het aas dat enkele van zijn vaste klanten het fijnst vinden, niet binnengekomen is.”
“Ja, de doos was leeg, geen aas, hij vraagt zijn medewerker hoe en wat. Dit vertelde je net halfwakker toen ik opstond.”
“Die medewerker, echt zo’n laconiek Jeffrey Wright-figuur-”
“Wie is dat ?”
“Uit Broken Flowers.”
“Heb ik niet gezien.”
“Niet ?? Oh, die moeten we echt een keer samen kijken.”
“Maar vertel verder. Viswinkel, en dan ?”
“Ja, dus die vraagt zijn medewerker hoe dat allemaal kan. Die medewerker zegt ‘heb je het niet gehoord ? Die fabriek is failliet’ waarop onze Jason zoiets heeft van waaaat failliet hoe dan. Zegt die medewerker heel droog dat het aandeel stabiel was. Dus Jason verbaasd: maar is dat dan niet een goed ding, stabiel investeren ? En onze Jeffrey: ‘Niet in deze economie, iedereen wil actie in zijn investering, hoger rendement bla bla.’ Dus Jason even verbaasd, en dan ineens: ‘Kunnen we dat bedrijf kopen ?’ En zijn medewerker al even verbaasd: ‘Bij de huidige stand van de aandelen ? Waarschijnlijk kun je je net inkopen, ja.’-”
“En hij denkt natuurlijk: euj, dat gaan we doen, lekker mijn eigen bedrijf, visaas maken.”
“Ja, dat dus. Hij denkt vooral, superleuk, romantisch visaas maken met je handen of zo. Maar dat blijkt natuurlijk allemaal machinaal. Toch vindt hij het leuker dan de viswinkel en omdat hij feeling heeft met de klandizie, duikt hij er enthousiast in. Maar ondertussen is er ook een golddigger-”
Ze kreunt mopperend: “Sorry, ga door.”
“Geen golddigger ?”
“Nee, ik krijg de honing er niet uit. Die is gekristalliseerd.”
Ik probeer in de fles te knijpen maar het lukt inderdaad niet. “Laat mij maar even.”
“Maar vertel door, de golddigger ?”
“Ja die golddigger dus, zo’n Katherine Heigl karakter, met dure zonnebril en dure drankjes op zonovergoten terrasjes en zo-”
“Help me even.”
“Ja, dat probeer ik, maar ik krijg die honing er niet uit.”
“Nee, ik bedoel, Katherine wie ?”
“Heigl. Knocked Up.”
“Oh ja, die. Ga door.”
Ik pak een groot glas en zet de honingfles erin. “Die komt dan via alimentatie, nee, het was via een erfenis, de oude eigenaar van de fabriek is doodgegaan door de stress over het aandeel en zo, enfin, zij wordt mede-eigenaar van die visaasfabriek.”
“Oeeeeeeeeh…”
“Ja, je voelt hem al he ? En hij kan haar natuurlijk eerst helemaal niet uitstaan, en zij vindt die fabriek verschrikkelijk, maar ze moeten er allebei zijn, bladiebla. Oh en de titel was helemaal verschrikkelijk, ik noemde het ‘Bait’.”
“Beet ?”
“Ja, maar dan in het Engels. Dat het ook ‘aas’ heet. Super clever natuurlijk.”
“Wat ben je aan het doen ?”
“Nou, als ik dit warm water erover laat lopen, dan gaat die honing… kijk, daar zakt hij al.”
“Oh. Handig !”
“Maar goed, het hele verhaal klinkt kortom als iets wat we even luchtig zouden wegkijken zo van, nou, hebben we die ook weer gezien, next.”
“Ja oke maar zo slécht is het toch ook dan niet ?”
“Ja maar ik ga het echt niet opschrijven lieverd.”
Ze kust me. “Hoezo niet ?”
“Ik heb die roman al twee jaar stil liggen lieve schat. Die wordt ooit, ooit, echt serieus goed.”
“Waarom schrijf je die niet verder dan ?”
“Ja ik zit muurvast op het plot omdat alles niet meer klopt.”
“Dan schrijf je het toch gewoon kloppend ? Had je niet ook hulp van die ene schrijver ?”
“Dat klopt, maar die leest alleen maar na wat ik schrijf en geeft dan comments. En na twee jaar radiostilte kan ik nu alleen aankomen met een roman die af is.”
“Nou schrijven dan.”
Ik sputter: “Ik heb nog niet eens een eerste koffie op.”
Ze kust mijn voorhoofd: “En nú al een prima verkoopbaar cliché-hollywoodscript geschreven in je droom. Dus hop.”

Tien minuten later staar ik naar een laptopscherm. De knipperende cursor begroet me met een zacht giecheltje en vraagt waar ik al die tijd gebleven ben.

Fostia

Verhaal door René van DensenIk kus mijn vriendin. Ze zegt “sst,” want ze zit helemaal in de film die we kijken. Ik kijk de film mee en zeg: “O, dit is die Duitse film, Fostia.” Boos kijkt ze me aan en zegt: “Nee, dit is die Amerikaanse film Fostia.” Ik twijfel even welke Fostia we aan het kijken zijn. Dan bedenk ik me dat we in bed liggen. Nooit, nooit kijken we films in bed. “Oh nee he,” tetter ik boven het geluid van één van de twee Fostia’s heen. “Wat is er ?” vraagt mijn vriendin. “We zitten in een droom,” mompel ik. “Echt ??” vraagt mijn vriendin. Ik knik en sta op. Met een haastig aangetrokken broek en T-shirt loop ik het huis uit.

Op de stoep roep ik tegen passanten dat we in een droom zitten. De mensen lopen met een boog om me heen. Ze vinden me raar, sommigen zelfs gevaarlijk. Het kan me niet schelen, zolang ze maar weten dat we in een droom zitten, potdorie. Om de hoek loop ik mijn vriend Robbbert tegen het lijf. Robbbert is kunstenaar. Hij kijkt me wazig aan en vraagt wat er is. Ik zeg dat we in een droom zitten, “O, interessant,” zegt Robbbert. “Kom, vertel me er alles over. Maar eerst heb ik een vriendendienst van je nodig.”
Robbbert is een goede vriend die eigenlijk nooit iets al te onredelijks vraagt. Vaak vind ik het eigenlijk best grappig. “Voor jou alles, Robbbert,” zeg ik. “Maar we zitten wel in een droom, dus pas op.” Robbbert zegt dat hij zal oppassen. Onderweg naar zijn atelier vraag ik of hij de Fostia heeft gezien. “Ja,” zegt Robbbert. “Gewéldige Franse film was dat.”

In zijn studio wijst hij me op een gebouwde kooi. De kooi is klein, één bij één, met een stoeltje erin. Hij zegt dat hij bezig is met een kunstwerk waar steeds een vriend een dag lang met bijna niks in de kooi gaat zitten. En dan komen mensen kijken. “Het mag ook een uur zijn, het is in ieder geval niet lang,” haast hij zich te zeggen. Maar mij is het prima, ik wil best eens proberen of ik een hele dag zou kunnen.
Ik vraag wat er wel en niet de kooi mee in mag. “Geen eten, dat krijg je,” zegt Robbbert. “En bijna geen spullen, gewoon een beetje kleren. Je moet je eigenlijk weer een beetje voelen alsof je in het wild aan het overleven bent, dus geen telefoon, geen portemonnee, geen sleutels, geen gereedschappen, geen schoenen.”
“Ik vind het een raar kunstwerk Robbbert,” zeg ik tegen Robbbert. Robbbert knikt. “Ik ook eigenlijk wel een beetje,” zegt hij weifelend.

We gaan eerst naar een ander kunstwerk dat nog in de maak is kijken, in een ander deel van het atelier. Daar zijn heel veel kunstenaars druk dingen aan het maken. Ze zien er allemaal hongerig uit. Tegen elke kunstenaar zeg ik dat we in een droom zitten. Ze lachen en kloppen op mijn schouder, gaan dan hoofdschuddend verder. Robbbert prutst wat aan zijn nieuwe kunstwerk, een soort papier maché kubus. Het duurt mij erg lang. Ik zeg dat ik wel moet gaan straks. Robbbert zegt, “oh, dat is goed, dan gaan we naar de kooi.”
Een vriend die onlangs kwam logeren en verhalen schrijft, komt toevallig net door het atelier gelopen. Gehaast begroet hij ons, hij moet een lezing geven. “Even,” zegt hij. Hij hoort dat we naar Robbbert’s atelier gaan en zegt dat hij dan zo ook wel even langs komt. “Gezellig,” zegt hij, “dan drinken we een biertje of zo.” Robbbert kijkt bedenkelijk: en zijn kunstwerk dan ? Ik ben het er ook niet mee eens, alles voor de kunst. Terwijl de vriend zich haast lopen we daarom stevig door.

Ik werp ferm al mijn bezittingen af en doe mijn schoenen uit. Ik ga de kooi in, klaar om het kunstwerk serieus te nemen. Een dag in een kooi van één bij één kan echter wel koud worden, denk ik. Ik vraag of ik de slaapzak uit de hoek van het atelier mee mag pakken. Robbbert twijfelt maar zegt, “als je dat wilt, moet je het doen. Ik zou het niet doen,” zegt Robbbert,” maar het is nu eventjes jouw kunstwerk, dus doe maar.” Ik besluit de slaapzak mee te nemen en sla hem in de kleine kooi om me heen.
Dan zie ik dat ik het fout heb begrepen. Ik begrijp eigenlijk alles altijd fout. Aan de kooi grenst een grotere kooi. Ik zal daar wel moeten zijn, denk ik, en laat de slaapzak achter. Er liggen grote brokken piepschuim als apenrotsen verspreid. Ik verstop me even achter één rots om rustig rond te kijken. Voor hetzelfde geld heeft Robbbert bedacht dat dit wel een heel leuk kunstwerk is als hij mij en een tijger samen in een kooi stopt. Je weet het nooit helemaal met Robbbert.

Middenin de kooi zit een oudere vrouw. Ze kijkt verward rond.

Ik uit een rare oerschreeuw en verstop me direct weer. Haar ogen schieten rond maar ze ziet mij niet. Dan klinkt er uit de andere hoek ook een gil, en een jongere vrouw, zonder schoenen, springt tevoorschijn. Ze danst als een wilde aap rond de bange vrouw, de echter blij kirt. “Oh, wat goed,” roept de vrouw uit. Ik snap de bedoeling even helemaal niet meer, dus kijk ik wat rond.
Er is al bezoek rond de kooi aan het kijken. Robbbert kijkt, temidden van het publiek, geconcentreerd naar de voorstelling. Hij heeft zijn handen gekruist. Iemand verliest zijn flyer van de voorstelling in de wind en die waait de kooi in. Het ding wappert naast de twee vrouwen, de een nog steeds zwaaiend en huppelend rond de kirrende vrouw. Ik snaai de flyer uit de lucht en lees even.

Er staat op de flyer dat de voorstelling als een droom aanvoelt. En rondom het oergevoel draait, dat het publiek als het ware moet krijgen. Ik denk, “oke,” en werp me vol in het spel. De jonge vrouw en ik gooien poep naar elkaar en gillen wat af. De oudere vrouw klapt in haar handen en loopt de kooi uit, waarna een man met een stropdas de kooi in mag. Wij apen lustig voort.
Zo lustig zelfs dat ik op een bepaald moment verbaasd kijk naar het rotsblok waar ik achter zat. Mensen hebben het rotsblok omgekeerd en zijn die als tafel aan het gebruiken. Er staat drank, er zijn drukke gesprekken over de betekenis van het kunstwerk, de gestegen olieprijzen en de nieuwe Pokémons bezig, en niemand let meer op mijn apengedrag. Robbert staat nu naar de mensen aan tafel te kijken. Buiten de kooi komt mijn schrijvende vriend staan, maar die is iets aan het teksten op zijn telefoon en kijkt niet op.

Ik besluit dat ik genoeg gekunstwerkt heb als het toch niemand interesseert. Stil trek ik mijn schoenen weer aan en doe ik mijn andere spullen in mijn broek. Ik laat het geroezemoes achter en loop het atelier uit. Even kijk ik om. Niemand volgt. De hele straat is leeg. Uit het atelier klinkt lawaai alsof er al honderden mensen bijeen zitten. Ze hebben het supergezellig.

Ik slenter naar huis door stille wijken en loop het huis van mijn vriendin terug binnen. Teder kus ik haar schouder. “Net op tijd,” zegt ze. Ze had besloten toch die andere Fostia maar te gaan kijken, het Japanse origineel dus, en de film begon net. “Mooi,” zeg ik. “Zolang je zometeen maar niet vergeet op te staan.” Dat vindt ze acceptabel.

El Cappo

Verhaal door René van DensenMijn vriendin kijkt geamuseerd naar haar prikplankje. “Ik weet nooit waar ze wonen,” begint ze.
Ik vraag wie er waar wonen.
“Ja nou, die mensen op Facebook,” vervolgt ze.
Die wonen allemaal bij elkaar in één reusachtig studentehuis, vertel ik. Ze lacht wat schamper en vervolgt.

“Maar deze man hier dus he, die heeft nu dus een selfie van zichzelf op de bank. En altijd met een cappuccino. Dus nu met zijn vrouw en kinderen, ‘het is Cappuccino Time ! Bam.’ En dat zegt hij dus elke keer.”
Elke keer ? Vraag ik verbaasd.
“Ja, kijk, hier is hij bij het zwembad, Cappuccino Time, Bam. Bij de garage met zijn auto, Cappuccino Time, Bam. Net uit bed, Cappuccino Bam.”
Ik grinnik wat. Spelt hij cappuccino wel juist, vraag ik.
Ooit had ik een lief die er een hekel aan had als mensen cappuccino fout spelden. Dus sindsdien let ik automatisch overal op of cappuccino goed gespeld is.
“Twee cees, twee pees,” zegt mijn lief. Ik knik goedkeurend.
Ik besluit dat de man vanaf nu El Cappo heet.
“Maar ook steeds dat Bam ! erbij,” vervolgt ze onverstoorbaar. “Waarom doet hij dat ?”
Ik zeg dat hij het waarschijnlijk expresso schrijft. Ze lult er over heen.
“Hier ook, Kerst, Cappuccino Time, Bam. En honderdachtendertig mensen vinden dit leuk. Waarom vinden mensen dit leuk ?”
Ik zeg dat het geruststellend is. Om de tijd te weten. Blijkbaar is het Cappuccino Time. Ik zie al voor me dat wanneer de man een belangrijke verjaardag viert, komt er een speciaal boek, getiteld Cappuccino Time, met al die selfies ingebonden.

Mijn vriendin begint grapjes mee te maken. Maar ineens luister ik niet meer. Ik wil nu dat boek. Ik wil het boek Cappuccino Time, selfies met Cappucino. Bam, op mijn koffietafel. Van El Cappo.
En ik heb zin in koffie om kwart over elf ’s avonds.

Krassen

Verhaal door René van DensenOf ze niet wou wachten tot thuis, stelde ik voorzichtig voor. Want stel dat. Dan zouden we een reden hebben om terug te komen. Naar dit land. Naar dit gevoel. Naar dit moment. Maar nee. Zij wou het meteen weten. Dus ik gaf haar een muntje en nam er zelf ook een. En daar gingen we.

Het laagje kraste simpel weg. Het bood geen merkbaar verzet. Alles was onvermijdelijk. Ik wist al van tevoren dat er op dit lot geen prijs zou zitten. Soms voel je dat. En dan kun je enkel het laagje wegkrassen en je gelijk constateren. Zie. Je. Wel. Kras kras kras, voila. Zoals verwacht. Ze vraagt welke symbolen ik heb. Ik slik een cynische grap in en meld braaf welke plaatjes er op mijn lot staan. Zij zegt die van haar.

Het zijn zonnige plaatjes die mensen vrolijk maken. Andere mensen. Niet mij. Zeker niet nu. Daar staan we, buiten de winkel, allebei te krassen. Zoals verwacht is mijn lot prijsloos. Het hare ook. Ik haal mijn schouders op en grap dat we tenminste geluk hebben in de liefde.

Eigenlijk is dit het moment dat alles al voorbij is. Kon ik het maar onder een kraslaagje bewaren. Ik zou het nooit meer wegkrassen. Gewoon daar houden. Weten dat het is zoals het is. En gewoon voorzichtig opbergen. Stil verfrommel ik het kaslot en gooi het in de vuilnisbak.

Kaas nummeren

Verhaal door René van DensenHet kilgele koelkastlicht spat in mijn gezicht. Slaperig zoek ik even, maar ik kan toch echt maar drie soorten vinden. Met vermoeide nijlpaardogen spied ik over het aanrecht, maar daar ligt ook geen vierde soort kaas. Met mijn vingers woel ik wakkerdronken door mijn haardos.

Ze zei het echt. Mijn wekker ging af, want ik kan op werkdagen niet tot ’s ochtends blijven slapen. Als ik niet vanuit mijn eigen bed opsta, loopt heel de ochtend in de soep. Ik drukte de wekker op snoezelen, ze nestelde zich tegen me aan en zei: “Lieverd, je moet zo niet vergeten de kaas te nummeren.”

Ik moet haar aangekeken hebben met die blik die ik trek wanneer ik bluf dat ik nog weet waar we eerder over gesproken hebben. Of dat ik heus niet vergeten ben wat we afgesproken hebben. Dus ik knik. Stellig vervolgt ze: “Vooral de vierde kaas is heel belangrijk.”

Zou het nog uitmaken welke kaas kaas één is ? Zelf zou ik voor die frisse jonge Goudse gaan op de bovenste koelkastplank. Maar die is natuurlijk wel heel alledaags. Zij gaat denk ik meer voor de blauwe stinkkaas bijna onderin. Dat is echt haar kaasje.

Of toch de knoflookkaas. Ik twijfel. Even wil ik terug de gang in lopen, naar de slaapkamer. Vragen welke kaas nu kaas 1, kaas 2 en kaas 3 is. En waar die kaas 4 dan is. Die zo belangrijk moet zijn.

Dan sluit ik de koelkastdeur. Ik besluit dat zij en ik allebei nog dromen. Even lach ik. Kaas nummeren. Dwaze meid. Zometeen gaat de wekker. Dan ploffen er weer bommen, zinken er weer boten en hebben er weer vliegenkindjes geen eten. Laat staan genoeg kaas om te nummeren.

Festivalding (slot)

Verhaal door René van DensenAngstig zit ik verscholen, tot het geluid van de bevrijding zal klinken. Krampachtig klem ik mijn bezittingen tegen mijn borst. Zo dicht voor het einde, zullen ze mij niet te pakken krijgen. Ik zal het verdomme overleven. Het moet. Ik ben zó ver gekomen, nu zal ik niet sneuvelen.

Er klinkt rumoer om me heen. Mensen beginnen met hun tenten te slepen. Ik twijfel nog. Stel dat ze te vroeg zijn. Dat het nog niet voorbij is. De ongelukkigen. Maar het ongeduld wint het toch van de twijfeling. Ik pak haastig mijn spullen en mijn schuilplaats bijeen. Een mok valt in de dikke modder. Verloren, besluit ik. Aan de andere kant, in de vrijheid, daar zal ik een nieuwe mok kopen. Het zal de eerste mok zijn na deze beproeving. Een mok om te vieren. Een mok waaruit koffie nooit meer hetzelfde zal smaken. Stil groet ik de verloren mok en hoop dat die ook nog ooit een nieuwe eigenaar zal vinden.

Armen vol en in euforische stemming sjok ik naast mijn vriendin door de modder. Onderweg naar de auto. Mijn vriendin zegt dat ik altijd zo overdrijf. Maar ik luister niet. De vrijheid is in zicht. Het is voorbij ! De ellende is voorbij ! We mogen naar huis ! Ik zou iedereen wel kunnen zoenen. Stiekem kus ik even de lucht. De lucht van een nieuwe toekomst.

Festivalding (3)

Verhaal door René van DensenOveral zijn mensen, overal zijn ogen. Met gescheurde, vieze lappen stof aan ons lijf en vegen in ons gezicht bewegen ik en mijn geliefde ons behoedzaam door het kamp. Het is puur overleven geworden, proberen de volgende dag ook te halen. Rond ons heen loerend zitten we samen de wacht op ons kleine hoekje in deze wildernis. Vaag herinneren we ons de beschaafde wereld van weleer. Andere tijden. Morgen is de nieuwe horizon.

We communiceren met grommende, algemene geluiden. Taal zijn we vergeten. Als iemand ons kampement nadert, krijsen we luid alarm. Gehurkt en geschrokken wacht de indringer af. We staan schouder aan schouder voor onze voorraad. Aarzelend graait hij in zijn modderige lompen. Ik ben klaar om in actie te springen als hij een wapen trekt.

Het is een stuk fruit. Voorzichtig toont hij het ons. Verbaasd inspecteren we het nader. Fruit ! Echt, heus fruit ! Zoals vroeger ! We leven al zo lang op zompige happen en kunstmatig voedsel dat we ons amper voor de geest kunnen halen hoe vitaminen smaakten. Voorzichtig ruiken we. Heerlijk. Demonstratief heft de indringer het fruit achter zijn hoofd. Poppetje gezien, maar niks is gratis ! Vervaarlijk grommen we hem samen toe. Hij gromt terug, een zakelijke, waarschuwende keelbrom.

Nors hmpfend reiken we gespannen in ons vieze, gescheurde kampwoninkje. Ik trek een blik tevoorschijn. De bezoeker zet grote ogen op. Ik laat het logo op het blik zien, om te bevestigen dat het echt is. De bezoeker lacht enthousiast. Ik werp hem het blik toe, hij ons het fruit. Samen storten we ons op het verse voedsel, terwijl onze visite zich uit de voeten maakt. Trots en blij, met een blikje bier dat géén Heineken is.

Het is puur overleven geworden. Proberen de volgende dag ook te halen. Morgen is de nieuwe horizon.

Festivalding (2)

Verhaal door René van DensenOp het festivalding zijn heel veel optredens en andere gekke activiteiten te bezoeken. Teveel om allemaal te zien en te horen. Daarom rennen de lokale campingkindjes rond en jengelen rond me als ik katerig naar het toilethok sjok. Ze bieden aan om dingen voor me te bezoeken en te beluisteren. Voor een klein bedrag kunnen ze zeker zes bands voor me gaan luisteren, of een workshop bergklimmen in de sauna volgen, wat ik maar wil.

Ik sta stil. Het is eigenlijk pas dag een van het festivalding en ik heb nu al geen zin meer. De kindjes roepen nog wat extra aanmoedigingen. Ze hebben honger naar geld. De deal klinkt me niet gek in de oren. Mijn vriendin is ergens zich al uitgebreid in het feestgedruis aan het storten. Ik ben nog lang niet zo ver. Als de campingkindjes alles voor me bezoeken, kan ik lekker bij de tent een boek lezen en een biertje drinken. Of toch in de tent, want het regent verdomme alwéér. Ach. Slechte ogen heb ik al.

Ik ben blij met de regen. In de zomer loop ik erbij als een wildeman. Waanzin in de ogen, zweet in gutsen langs mijn kaken, strompelend als een zombie. Warm weer en ik boteren niet. Althans, warm weer trekt zich natuurlijk weinig van mij aan, maar andersom ik wel. De regen is welkom dus. Maar de tent lekt. Al vier van de negen boeken die ik meegenomen heb, zijn nu onleesbaar door de lekkage. Ik heb zes pagina’s gelezen sinds ik hier ben. Van twee verschillende boeken.

Terwijl de campingkinderen verdwaald lopen in reusachtige massa’s voor de luidruchtige podia, luister ik naar de vogeltjes die de regen fluitend trotseren. Ritmisch tikt het tentlek mee op pagina dertien. Tik, tik, tik. Veertien.

Festivalding (1)

Verhaal door René van DensenZe is nogal eigenwijs, dus dat ik zeg dat ik niet van feestjes en festivals ben, wil er niet in. Ik moet mee. Naar een festival dat door gigantische hoeveelheden mensen bezocht wordt. Ik word al zenuwachtig in een kleine bruine kroeg zonder lege stoelen. Dus dit gaat goed aflopen.

We zitten in een volgepropt oud Lelijk Eendje en denderen over modderige wegen. Het regent. Op dit festival schijnt het altijd te regenen. Hittegolf ? Zolang dit festivalding er middenin valt, valt het wel mee. Het voorwiel van ons Eendje glibbert in een slijkput. Geen cliché blijft me bespaard, bedenk ik me, als ik achter de wagen sta te duwen en de modder zich spattend op mijn kleren slingert.

We laten de auto ergens achter waar andere vierwielers ook droevig en eenzaam voor zich uit staren. Natuurlijk is er geen praktische ingang. Het is nog een flink eind stappen. En dan volgt er een controlepost waar we moeten wachten terwijl alles gecontroleerd wordt. Want het festivalding heeft tachtigmiljard regels voor wat wel of niet mag. We hebben overal rekening mee gehouden maar gaan er toch maar van uit dat we een grootse controle krijgen. Ik heb schijnbaar een drugssmoel.

We sjokken vooralsnog door een onherbergzaam modderig woesternijlandschap. Beiden zwaar bepakt, al ben ik iets zwaarder bepakt. Met mijn grote voeten plomp ik me vooruit in de dras. Ik kan enkel denken dat ik nu warm op de bank zou kunnen liggen. Met de kat op schoot. Een biertje op tafel. Mijn vriendin vermeldt dat, trouwens, het bier op dit festival sinds dit jaar Heineken is.

Ik sta stil. De regen striemt mijn gezicht, mijn haren, de bagage. Verbaasd kijkt ze me aan. Ik kijk om. De terugweg is lang. Maar het overwegen waard. Zo sta ik er minstens vijf minuten voor ze me verder doorgesleurd krijgt. Plomp, plomp. Ik hoop dat mijn kat lekker ligt. Op die warme bank.