Halspuist

Verhaal door René van DensenHet is zo’n dag dat alles wat je doet op stroef schuurpapier gaat. Als ik een kater had, kon ik daar de schuld aan geven, maar het is de dag zelf. Ik ben volledig nuchter en heb zelfs goed geslapen. Dat is vrij uniek. Misschien ligt het daar dan aan. Mijn gemoed zakt in, de koffie werkt niet mee, alles wat ik doe wordt door nukkige systemen tegengewerkt. Met de tanden opeen werk ik me zo productief mogelijk de dag door.

Ik heb een halspuist. Hij zat onder mijn baard. Mijn baard laat ik groeien uit luiheid. En als ik moet optreden, doe ik dat niet zonder baard. Ik wil mijn gevoelige teksten niet naakt vertellen. Er hoort haar tussen mij en het publiek in te zitten. Maar mijn luie baarden gaan na verloop kriebelen en de huid gaat ervan irriteren. En soms krijg ik eens een puist. Vanochtend bij het opstaan merkte ik de puist al. Ik heb dit weekeinde opgetreden, en doe dat voorlopig niet meer. Dus de baard kon eraf.

De douche stroomde bijna over terwijl de baard zich verzamelde op het putje. Soms doe ik de baard in een potje en zet dat buiten. Vogels halen de haren wel eens op voor in hun nest. Ik doe hetzelfde met de pluis uit de wasdroger. Ik ben een dierenvriend. En anders heb ik al dat eten voor niets gegeten en heb ik voor niets geleefd en die baard laten groeien. Soms overweeg ik om een kussen te vullen met mijn baard. En met mijn hoofdhaar. En al die andere ellende die mijn lichaam maar blijft produceren. Je maakt wat aan, in zo’n leven.

Iemand verwijt me iets vergeten te zijn maar ik weet vrij zeker dat het een miscommunicatie was. Mijn maag knort, ik ben al uren aan het werk, nonstop. Ik overweeg snel even de supermarkt in te lopen, maar mijn kat miauwt dat ik niet weg mag. Ze gaat resoluut op mijn schoot liggen. Ik denk aan het optreden afgelopen weekend, en een moedeloos gevoel van zinloosheid wast over me heen. Ik produceer vanalles en volgens mij zit er niemand op te wachten. Buiten in de tuin komt er ook geen enkel vogeltje op het baardhaar af. Het is allemaal voor niets, zeg ik tegen de halspuist.

De halspuist zit in een soort vouwplooi. Hij wil niet weg. Ik werk en de kat snurkt en ik wacht tot de halspuist rijp is. Mijn hals maakt nog een hoek, misschien moet ik daar blij mee zijn. Al heeft een onderkin ook wel iets. Qua halspuistverwijdergemak dan toch. De wind waait buiten wat van mijn baardhaar weg. Misschien wel op avontuur, naar vreemde streken. Maar waarschijnlijk gewoon ergens in een putje of in de modder. En niet ver weg.

De meeste avonturen zijn ook maar overschat, besluit ik. Ze lijken verdomd veel op elkaar. Soms kun je beter dichtbij blijven. In de modder. Of in de put. Ik rek me uit en voel de halspuist knappen.

Ogen, overal ogen

Verhaal door René van DensenSecuur, zou ik het noemen. Zelfs letterlijk met het puntje van de tong rechts uit de mond. Het zwart maakte hij ook echt diepzwart. Toen hij een stap achteruit deed om het resultaat te bewonderen, zag ik het ook – hij had een oog geschilderd. Tevreden schudde hij nog even met zijn spuitbusje en stak die behendig terug in zijn jaszak. Vervolgens maakte hij zich haastig uit de voeten.

Mensen liepen massaal voorbij zonder één blik op het oog te werpen. Maar ik werd er nieuwsgierig van. Gehurkt inspecteerde ik de afbeelding grondig. Er was absoluut iets mee, maar geen idee wat. Ik hurkte andersom en volgde de zichtlijn van het getekend oog. Daar zag ik enkel een vertrapt frisdrankflesje. Even bleef ik zitten want misschien zag ik het fout, maar er was niets bijzonders. Het oog was op een kapot flesje gericht. Beteuterd stond ik op en liep door.

Enkele straten verder zag ik nog een oog. Op een schuingereden paaltje. Wederom bekeek het ogenschijnlijk niets bijzonders. Een hondendrol, met een uitgestreken voetafdruk erin. Straat verder, weer een oog. Blik op een platgewalst muntje op een tramrail. Een oog verderop bestudeert aandachtig een propje papier. Ik vouwde het open: boodschappenlijstje met enkel ‘brood’ en ‘fruit’ erop. Terwijl ik de boodschap probeer te ontcijferen, komt de knaap woedend aangelopen. Hij grist het papiertje uit mijn handen, frommelt het terug op, en plaatst het zorgvuldig in het zicht van het oog. Om dan de straat weer uit te struinen. Ik knipper even met mijn ogen en dan ga ik toch nieuwsgierig achter hem aanstappen.

De hoek om blijkt hij spoorloos verdwenen. Maar in alle richtingen zie ik ze. Ogen, overal ogen. Ze staren naar elke onbenulligheid die er in de straat te vinden is. Opzettelijk. Ik ga leunend tegen een muur zitten en staar naar een veertje waar een ander oog diepzinnig naar aan het staren is. Soms kun je maar het beste meedoen.

Dingen kunnen

Verhaal door René van DensenBronstig zingen powertools enkele huizen verderop hun productieve paringsliederen terwijl ik weer eens, met een koffie in de hand en pantoffels aan de voeten, over het pleintje voor mijn huis staar. Aan de andere kant van mijn straat zingen politie- en brandweersirenes hun repliek. Het is een kakafonie van menselijk kunnen en ze kunnen er wat van.

Ik ben vandaag niet zo zeker van de dingen die ik denk te kunnen. Dat kan gebeuren. Zo ben ik veel dagen best vaardig in het uit elkaar houden van mijn extreem eenkennige poes en de hondsbrutale, speelse jonge kater van mijn buurman, die haar tegen beter weten in de ganse dag hallo komt zeggen. Rennend, paniek zaaiend bij mijn gillende kat. Vandaag trekt hij zich niets van mij aan, ben ik duidelijk niet imposant. Kunst, met al dat lawaai in de buurt kan ik er moeiteloos nog bij.

Concentreren kan ik me vandaag ook al niet. Ik sluit de deur en strek me uit op het tweepersoonsbankje in mijn woonkamer. De kat springt direct op schoot. Ze herkent wanneer ik het allemaal even iets minder aan kan. Ik spreek tegen haar: “Ik kan het heus wel hoor, poes.” Ze knikt niet maar oogt toch beamend. “Als mensen me nu iets minder lastig vielen met die onpraktisch praktische zaken en ik me gewoon kon richten op de dingen die ik kan, dan zou ik ze misschien nog beter leren kunnen.” Poes knijpt de ogen eens bijeen. Ze spint. Dat betekent dat ik gelijk heb.

Plots zwijgen de powertools en begint een man luid te schreeuwen. Het lokt de sirenes aan. Oorverdovend jagen ze door mijn straat en ik vergeet wat ik ook alweer aan het denken was. Een slok koffie dan maar. En zo weer verder. We doen wat we kunnen, immers.

Onscherp

Verhaal door René van DensenIk heb de laatste tijd een nieuw talent ontwikkeld. Een manier om serieuzer genomen te worden door de mensen. Ik ben eerst heel onscherp in beeld als je me ziet, en word langzaam scherper terwijl ik met een strak gezicht naar je toe draai. Op het scherpst kijk ik je pas rechtstreeks aan. Het werkt wel.

Edoch is het even oefenen, kan ik je zeggen. Je hebt het niet zomaar te pakken, dat onscherp zijn. Het concept heb ik niet van mezelf, dat heb ik van die superserieuze internetfilmpjes. Waarin meisjes in hoofddoeken of kindjes het ook doen, vanuit onscherp beeld met strak gezicht het hoofd naar je toe draaien. Ze zeggen niets. Dat hoeft niet. Wat ze zouden willen zeggen, zou stom klinken als ze het hardop zouden uitspreken. Hun taak is simpel: onscherp, strak gezicht, aankijken. Om toch iets te zeggen, verschijnt er dan tekst naast of onder hun hoofd.

Dat van die tekst, dat wil nog niet helemaal lukken. Ja hallo, ik was al best trots op dat onscherpe. Probeer jij maar eens te blurren. Toe dan. Hup hup. Nee he ? Valt niet mee he ? Dus. Met je kritiek.
Maar die tekst lukt dus nog niet. Er komt nooit helemaal uit wat ik wil. Nu is het nog een beetje lukraak, wat er naast mijn hoofd verschijnt. Zoals ‘Vergiet nachtkastje abstractievermogen’ of ‘Baksteen fondue appelbediening’. Ja ik weet ook niet wat die dingen betekenen. Niets, denk ik.

Om niet teveel voor schut te staan, oefen ik in de fietsenstalling. Ik blur me daar suf en probeer mijn teksten te verfijnen. En zo kom ik langzaam in beeld, met naast mijn kop de woorden ‘Tandenmond stil achter’. Een vrouw die net haar bakfiets uit het rek haalt, kijkt mij aan. In haar bakfiets zit een pop die net zo groot is als een echt mensenkind. In een kinderzitje. Bijna verlies ik mijn concentratie door die crash test dummy in de bakfiets. De vrouw kijkt me vurig woedend aan. “Doe niet zo vaag,” bijt ze me sissend toe.

Smullers

Verhaal door René van DensenWe zitten een beetje verveeld rond te kijken ondanks het enthousiasme toen we begonnen te praten. Eigenlijk vinden we het nu een beetje stom. Maar ja, er werd zo hard jaaaaaa geroepen, ook door de wildvreemden aan het tafeltje naast het onze. Dus nu moeten we wel. We beginnen een bandje genaamd Smullers.

Voor we het weten, hebben we ons eerste optreden. De presentator van de avond belooft het publiek dat het heel erg vet wordt. Maar dat we het met een korreltje zout moeten nemen allemaal. Smullers kijkt wat sip in het rond. Het is nog niet eens onze beurt. Eerst staat in het voorprogramma Febo En De Rookworsten.

Niemand durft toe te geven dat we allemaal eigenlijk alleen maar honger hadden. Nu zitten we eraan vast. Hopelijk biedt niemand ons een platencontract aan.

Schroom

Verhaal door René van DensenNatuurlijk, haar kinderen hadden het, dat is al vaak een slecht teken. Vervolgens zijzelf. Dus waarom was ik zo arrogant te denken dat ik de dans zou ontspringen, vraag ik me af, terwijl in twee richtingen tegelijk zich mijn avondmaal mijn lijf uitperst. Daar ging de heerlijke tomatensoep uit het kerstpakket – wellicht had ik hem toch beter bewaard voor de Feestdagen. En wat er vanonder uit loopt wil ik niet eens weten, maar het is dun, het spettert en het lijkt mijn bilharen weg te schroeien.

Hijgend hang ik boven de smurrie in de gootsteen, spugend en kokhalzend. Als het nou was omdat ik teveel gedronken had, dan kon ik ermee leven. Maar vandaag dronk ik enkel water en koffie. Oh hee, ik zie ook wat koffie tussen de soep. Ik roer verwonderd wat met mijn vinger in de plotskots terwijl er verse spetterpletter op het porcelein klettert. En ja hoor, natuurlijk komt er nóg een golf naar boven. Ik kledder het erbij in de gootsteen en vraag me af hoe lang nog. Dit is alvast de tweede ronde vannacht en slapen doe ik op dit moment in korte etappes van een uur, waar ik zwetend uit wakker word.

Beneden op de naar koorts stinkende bank rammelt mijn maag. Ja, dat snap ik. Daarstraks at ik een appel. Dacht nog, dat gaat wel goed. Ging niet goed. Zo oneerlijk. Dan doe je eens een dag gezond. Zie daar de halfverteerde stukjes maar eens van de gootsteen door te krijgen. Morgen drink ik gewoon weer bier.

Bookleg

Verhaal door René van DensenOp het terras vraagt een wildvreemde man of ik zijn boek wil signeren. Ik ken de man niet en verkoop al mijn boekjes zelf, behalve mijn debuut dat wél goed verkocht. Ook sta k in wat bloemlezingen, dus het kan, dat ik de man niet ken. Ik zeg goed.
Hij geeft me een boek aan dat dezelfde titel draagt als mijn laatste prozabundel. Maar in sierlijk dameshandschrift op de kaft geschreven met eronder een streep en dan mijn naam. Het handschrift oogt herkenbaar. Verwonderd keer ik het boek om. Er staat een foto afgebeeld van mij als klein kind, in zwembroek, in een rare houding. Ik herken de foto: ik deed of ik een postmodern kunstwerk was.
Thuis bel ik mijn moeder. Ze geeft toe dat de bookleg van haar is. Ze zegt dat ze trots iedereen mijn verhalenbundel liet lezen maar dat hij daarvan uit elkaar begon te vallen. Dus dat ze toen kopietjes heeft gemaakt maar dat de kaft wat moeilijk was. Dus had ze die zelf gemaakt. Ze zei dat ik alles ook gratis laat lezen via mijn website. En dat ze zo hoopte me zoveel mogelijk lezers te bezorgen.
Ik zeg dat ze gelijk heeft en dat ik van haar houd. Ja ik kom snel op bezoek. Ik hang op en kauw wat op het stuk beschuit dat ik in het park vond.

Het beste heden

Verhaal door René van DensenHet was een klein kind, een meisje, met spiderman schminck op haar gelaat, Vos. En ik las jouw woorden, want die lees ik altijd als mijn ziel wat zalf behoeft, en dronk een pint, zo een uit blik, maar dat geeft niet, in de trein heeft men doorgaans geen bar. Toch niet de treinen waar ik mee rijd. En hij zat stampensvol, Vos. De mensen verdrongen zich om een staanplaats in de gangen. En het meisje was haar mama kwijt en aan het wenen.

Nu zat ik, letterlijk, niet in een positie waarin het evident was om haar te helpen. Gewedged tussen volk in het uiststapdeel van de coupé en de deur van de conducteursruimte. Maar een medeslachtoffer in dat deel van de trein, een leuk meisje zelfs, ontfermde zich direct over het kind en ging mee haar mama zoeken. Ze toog achter het kind aan, de coupédrukte in. Ik benijdde haar niet, maar was lafjes opgelucht dat zich iemand over het kind ontfermde en dat ik het niet moest zijn. En ik las door. Hoe je woordelijk langs de twee rivieren in Gent flaneert met een pul bier en je verwondert over de druktemakerij. Kalm zalfde ik mijn ziel en mijn keel.

Een bizar knappe man die ook nog eens het lef had welgekleed te zijn, stond tegenover mij, en hij las de beduidend minder zalvende woorden van de krant. Iets met een dode baby en een rugzak, op de voorpagina. Je zou de krant meteen niet meer verder willen lezen als het zo al begint, maar de bizar knappe welgeklede man blijkbaar wel. Hij verdiepte zich in de zakelijke omschrijvingen van de ellende in de wereld. Beter had hij een boek van jou gelezen, Vos, maar ja, dat geldt voor iedereen uiteindelijk. Ik heb nog ooit een lief gehad die jouw woorden volledig niet kon waarderen. De relatie hield op de lange termijn geen stand. Dat had evenwel niets met jouw woorden te maken, of wellicht zullen we het nooit weten.

Ah, en de conducteurs droegen bij aan de jolijt. Even meldden ze dat we in Brussel-Zuid zouden aankomen, om direct te corrigeren dat het vanzelf Antwerpen was en we niet ineens een stuk landkaart versprongen waren. Alle druk bijeengepakte mensen moesten gniffelen. Alle mensen aan boord van de trein waren maar mensen. Veel mooie mensen, zowel mannen als vrouwen, maar gelukkig allemaal maar mensen. Daar kan zich iemand mee troosten.

Ik bedacht me dat je binnenkort een eigen dag krijgt, Vos. Ze herdenken je. Met mensen die komen optreden en zo. Je zou het wellicht zelf wel leuk gevonden hebben. Of teveel eer. Of precies genoeg. We zullen ook dat in feite nooit weten. Maar het belooft wat te worden. Uiteraard is het in Gent, wat dacht je dan zelf. Een Vos-dag hou je niet in Antwerpen of Brussel of Bavikhove.

Er waren veel dwaas verklede mensen in de trein, nochtans dat het geen Carnaval was. Een vrouw liep binnen, met een reusachtige rugzak en een plastic baby. Ik keek nog eens naar de krant in de handen van de bizar knappe man. Hij had de vrouw niet gezien. Het gezelschap naast mij, allemaal opgepoetste aantrekkelijke jonge kereltjes, amuseerden zich met zeer flauwe grapjes. Ik kon er wel tegen. Na twee stations rende het meisje plots de coupé terug in. “Voila se,” lachte ze. “Kindje terug bij mama !” Ah, is het echt, vroegen de kereltjes, waar was de mama ? “Ze was vér se, geloof mij,” zuchtte het meisje tevreden. “Ik wou soms dat ik me het lot van andere mensen niet zo aantrok, maar ja. Ik kan dat niet aanzien he. En het is daar een jungle hoor,” wees ze naar de drukte. “Ïk heb vandaag mega veel excuseer gezegd. Maar ja, ik ga nu wel naar de hemel.” Ik wist niet zeker of ik ironie hoorde, dat kon aan jouw woorden liggen.

“En wat zei de mama,” vroegen de kereltjes. “Niets !” slaakte het meisje lachend. “Gewoon, ah, daar ben je, terug van je uitstapje ? Geen dankjewel, niets. En toen ben ik dus terug naar hier gekomen.” Er werden wat blikken bier geproost. Ik glimlachte in het mijne.

Je schreef ondertussen dat het heden het beste heden is dat er ooit is geweest. Ik was het roerend met je eens.

Een paar verlegen studenten vroegen de conducteur, uitleggend dat ze opdrachten moesten doen, of ze iets mochten omroepen. Ze moesten dat doen vóór Gent Sint-Pieters. Het volgende station was Gent Sint-Pieters. Oei, zei de conducteur, en wat moet je dan omroepen ? Dat mag alles zijn, zeiden de studenten. Okee, zei de conducteur, dan mag je wel omroepen wat ik anders toch omroep. We komen aan op Sint-Pieters, hierna gaat de trein door naar Kortrijk. Oke, zeiden de studenten.

En ze riepen exact dat om, Vos. Met enkel een fijn weekend aan iedereen namens hun studentenvereniging. Geen rebellie, geen rock ’n roll, gewoon braaf wat ze gevraagd was. Ik ben daar dan maar uitgestapt en heb even een sigaret gerookt voor het station in de regen, me afvragend of ik iets anders had gedaan. We doen toch meestal maar gewoon wat ze zeggen dat we moeten doen. Het is nu eenmaal zo, het is nu eenmaal zo.

Toestandindewereld

Verhaal door René van DensenHij kijkt me diep in de ogen en vraagt krachtiger dan ik verwachtte: “Waar was je vannacht ?”

Ik wil niet antwoorden en kijk wat naar mijn schoenen. Ze moeten nodig gepoetst worden. Mijn schoenen moeten al heel lang gepoetst worden. Ik heb poets gekocht. Met de bedoeling ze te poetsen. En toen deed ik het niet. Want ik had een optreden. En beschadigde schoenen doen het goed bij mijn kostuum. Ik heb echter heel weinig optredens. Dus zo heel nodig is het niet dat ze ongepoetst blijven. Ik heb zoveel te doen, denk ik even. Maar ik probeer even te onthouden dat ik mijn schoenen toch binnenkort maar eens moet poetsen. Daar gaan ze langer door mee. Schijnbaar.

Ik schraap mijn keel. “Ik, eh.”

“Ja ?” antwoordt de Toestandindewereld fel.

“Ja, nou,” draal ik wat. Ik probeer me te herinneren waar ik vannacht was. Ik had dingen te doen geloof ik. Maar volgens mij heb ik ze niet eens gedaan. Volgens mij heb ik gewoon een show van Jim Jefferies opnieuw gekeken. En gelachen. En wijn gedronken. Ik drink bijna nooit wijn. Maar zo’n fles gaat er rustiger door dan de blikjes bier. En nog los van die kostenbesparing was er toevallig ook wijn. Ik had die gekocht om met mijn geliefde aan het water te drinken. Dat ging niet door omdat ik zonodig een filosofische discussie met een ingenieur moest voeren op een terras. Gelukkig vond ze dat wel oke. Zelfs toen bleek dat allang de fietsenstalling dicht was en we terug moesten lopen. Het regende niet. Ik opende optimistisch de fles op een bankje twintig meter van mijn woning, langs het water. Ze nam één slok en begon tegen mijn schouder te soezen. En te rillen. Ze had het koud. Ik niet. Ik was klaar om tot de ochtend, met wijn in mijn mik, naar de verdwijnende nacht te staren. Eerst gaf ik haar mijn jas nog. In de hoop dat dat zou helpen. Ze deed het onmogelijke: in mijn altijd warme jas kreeg ze het nog kouder. Het was helder dat we naar huis moesten. En die wijn stond er dus nog. En was geopend. Dan heb je maar zoveel tijd. Dus moest die wel op. Ik wil niet bijdragen aan de afvalberg. Of de afvalsloten in het riool. Dat maak ik mezelf wijs terwijl ik wijn inschenk en probeer niet te denken aan dat ik het straks toch uitpies. Uitkotsen gaat niet gebeuren. Ik heb weer eens per ongeluk een zeer goede wijn uitgekozen. Dronken. In de nachtwinkel. Iedereen heeft zo zijn of haar talenten.

“Ja nou, de kat en zo, die wou gezelschap. Dus ik zat gewoon lekker bij de poes thuis. En daar heb ik geen televisie,” schouderophaal ik.

De Toestandindewereld snuift minachtend. “Er is internet.”

“Jahaa dat is wel zo,” geef ik toe, “maar er was ook facebook en zo. En een of ander nieuw filmpje met een man die een pen en een appel beweerde te hebben. In een liedje. Het is supergrappig. Heb je het gezien ?”

De Toestandindewereld fronst. Staart me lang, zwijgend, aan. “Waarom leef jij eigenlijk nog ?”

Ik haal mijn schouders op. “Genetica, denk ik. Ik doe mijn best verder hoor.”

Meewarig wordt er hoofdgeschud. “Belangrijkste moment in de geschiedenis van de mensheid. En zoals altijd let meneer weer niet op. Je let nooit op. Leest alles achteraf. Het kan je gewoon niet schelen. Beetje op terrassen zitten en mensen observeren. En drinken. En lachfilmpjes kijken. Is dat echt wat je wil doen met je leven ?”

Ik sputter tegen: “Wat ben jij dan allemaal aan het doen ondertussen, meneer Toestandindewereld ? Jij maakt er toch ook een potje van.”

“JA !” schreeuwt Toestandindewereld fulminerend. “En meneer neemt niet eens de moeite even er acht op te slaan ! Ik doe dit allemaal voor jou ! Meneer de schrijver. Meneer de Grotere Geest. Meneer de Meninghebbert. Ik geef je mijn allerbeste materiaal en je kijkt niet eens. Je luistert niet. Je negeert me gewoon. Al weken, nee, al maanden. Al járen ! Beetje met vrienden rondhangen, en met dat lief van je. Ik zag jullie wel, aan die waterkant. Met je fles wijn. Romanticus die je bent. Beetje mijmeren. Ze vond het niet eens leuk. Ze had het koud. Weet je hoe moeilijk het is om het koud te maken eind September als er verdomme een opwarming van de aarde op het programma staat ? Ik deed er werkelijk alles aan jou terug aandacht aan de realiteit te doen schenken. Maar nee, meneer neemt het ervan. Interesseert hem niks, al die moeite die ik erin steek. Werkelijk, ik vraag me soms af waar ik het nog voor doe.”

De Toestandindewereld slaat kwaad zijn benen over elkaar heen. Ik wil sorry zeggen maar weet dat ik het niet zou menen. Misschien is het beter dat we elkaar voorlopig niet meer zien. Ik schenk een glas wijn in. Toestandindewereld rolt met zijn ogen en zucht.

Is dit een stiltecoupé ?

Verhaal door René van Densen“Wajoo, ik heb trouwens kapot goed nieuws. Ik ben óver !”
“Echt ??? Woeee proficiat !” Vier paar handen hi-fiven en er klinkt luid gegiebel.
“Waar zijn we nu ? Boxtel ? Het is nu ineens een sprinter, watdefok !”
“Moeten we er hier niet uit dan ?”
“Nee dit is Boxtel, niet Eindhoven.”
“Weet je hoe ik weet dat dit niet Eindhoven is ? Dan staat daar een grote bol. En daarachter priem. En ark.”
“Ja maar die ark verdwijnt dan wel achter de bol.”
“We moeten wel een treinleven selfie maken he, dan komen we morgen in de krant.”
“Ja weet je, als jullie er niet hadden gestaan, had ik zo ingestapt. Zelfs al was het een goederentrein.”
“Ik heb twee vieren, een vijf, een zes en de rest zevens en achten.”
“Echt zin in deze vakantje, wajoo.”
“Ja ofnie.”
“Deze trein gaat echt kapot langzaam.”
“Auw, trut ! Dat doet kapot pijn als je zo slaat.”
“Ja toch echt niet met een natte doek, dat doet veel meer pijn.”
“Ik had dus zo met een natte doek geslagen, gewoon tegen mijn pa. Hele rode vlek. En hij had de volgende dag een meeting.”
“Okee lachen iedereen.”
“Nee ik ben nog niet klaar, ik ben gaten in deze krant aan het maken jo.”
“Schiet eens op.”
“Ja hallo hij wil niet.”
“Dan moet je scheuren.”
“Ja oke nu.”
Klikgeluidje, één seconde zijn de dames stil.
“Zien !!” (Vierstemmig, gevolgd door galmend gegiebel door de lege coupé)
“Eej serieus, doe eens rustig. Is dit eigenlijk een stilte-coupé ?”
“Ja wat als dit dus helemaal geen stiltecoupé is. Waar kun je dat zien ?”
“Ja straks is dit het wel en is iedereen boos op ons en krijgen we klappen of een boete weet ik het.”
“Ik kan nu echt geen boete gebruiken jonguh.”
“Misschien weet die meneer achterin het wel.”
“Meneer ?”
Ze zei meneer tegen me.
“Is dit een stiltecoupé, weet u dat misschien ?”
Ik aanvaard mijn rol van in hun ogen oudere, wijzere man en schud stil het hoofd. “Dan staat het op de ruiten.”
“Oh, fijn, dank u meneer !”
Ik had bij hun volgende giechelbui spijt van mijn eerlijke antwoord en vroeg me af of ik niet echt al oud ben geworden.