Badkuip

Verhaal door René van DensenAl sinds ik acht ben wil ik elke ochtend niet ontwaken. Ik wil dood. Ik moet door een kluwen van realiteit heen om mezelf uit bed te trekken. Daarna doorsta ik de dag op wilskracht. Weinig mensen weten dit. Als er uiteindelijk bedtijd aanbreekt wil ik niet slapen omdat er weer een worsteling om te leven op me wacht. Ik wil door op de kracht die ik heb en dan slapen en niet meer ontwaken. Dit is al mijn hele leven mijn strijd en ik word veertig dit jaar. Ongeveer maandelijks is er een week dat het extreem zwaar is. Mensen die geloven in de maan hebbben me ware dingen verteld over de flow van dingen en het merendeel van de tijd kan ik mijn leven daar inmiddels op inrichten.

Ik moet in een week dat ik verlof heb en bijna elke dag amper mijn bed uit kan komen naar een optreden van een vriend in een stad die ik haat. Ik zit in de trein erheen. De vriendin van een andere vriend zit mee in de trein. Ze praat opbeurend maar snapt de worsteling. Het is allemaal akkoord. Ik red dit. Ik kan dit. Ik weet dit omdat ik de hele week al mezelf zeg dat ik niks kan en waardeloos ben en er toch nog ben. Ik drink zo kalm ik kan een pintje uit blik. Ik probeer niet teveel te denken aan alles waar ik volstrekt waardeloos in ben. Want ik ben waardeloos in schrijven, waardeloos in mijn vriendschappen en relaties, ik zorg extreem slecht voor mijn kat waar anders niemand anders voor zorgt en laten we nooit spreken over hoe ik voor mezelf zorg.

Ik adem. Ik ben ergens heen onderweg. Ik ben aan het slagen daarheen te gaan. De trein doet het meeste werk maar ik ga toch maar mooi weer. Ik doe het toch maar mooi weer wel. Dat is mijn mantra als het niet gaat. Ik doe het toch maar mooi weer wel. Ik ben in mijn leven allang de tel kwijt hoevaak ik dat stilletjes in mezelf heb gezegd. Ik doe het toch maar mooi weer wel.

Mijn lief heeft mij nodig. Er zijn vrienden in beide steden waar ik verblijf die me nodig hebben. Mijn kat heeft zo’n verlatingsangst dat steeds als ik mijn jas aantrek. ze paniekerig op mij springt en springend en miauwend smeekt dat ik niet ga, zelfs al ga ik maar naar de supermarkt. Ik lig al de hele week minstens driekwart van de dag op bed, mezelf verwijtend dat ik er onvoldoende voor iedereen ben. Ik kan elke dag wel janken, maar na het janken trek ik me uit bed, zet koffie, en probeer nog iets van het laatste kwart van de dag te maken.

Ik zit in een stad die ik haat op een literaire avond. Ik haat dit soort avonden en het is zo karig bezocht dat als ik vertrek, ik een fors percentage van de opkomst uitmaak. Ik vertrek stilletjes naar het toilet. Er is een badkuip. Ik overweeg even om het bad te vullen en vanaf daar, kalmpjes tussen het badschuim, te luisteren naar het literaire interview. Maar ik weet dat elke schuimbubbel die popt me doet erkennen hoe weinig ik er toe doe. Als de bubbel zelf. Ik kijk in de spiegel bij het handenwassen. Til mijn shirt op. Ik word dik. Ik ben waardeloos en dik en zonde van alles wat er in mij geïnvesteerd is. Ik ben gewoon dik en stom. Boeie. Wie zou me missen.

Na de literaire avond die vooral draaide om een paar vrienden van me ga ik met hen naar een café. Het café heeft een draaitrap omlaag naar het toilet. Ik fantaseer alleen maar om eraf te storten. Maar dan denk ik aan alle shit die mijn vrienden zouden hebben als ze mij daar onderaan zouden vinden. Braaf doe ik mijn ding. Ik veeg mijn billen, was mijn handen, werk me de wenteltrap terug op.

Was het leven maar een badkuip. Of had ik het lef om daar in te liggen in mijn eigen vocht. Maar meestal lig ik er in in bubbels. Ik heb zelf een badkuip. De laatste keer dat ik er in lag, morste ik mijn koffie in het water en moest ik er uit. Dat was deze week. Ik ging er niet meteen uit. Vermoedelijk is er koffie in mijn huid getrokken. Ik ben nu vast veel zuiders dan ik was. In mijn huid. Niet moeilijk want ik ben een TL-albino. Witter kan ik toch niet meer worden. Mooi, dat white privilige.

Ik drink wat na met mijn vrienden. Ergens wil ik niet eens dat ze gaan. Maar na enige tijd ben ik thuis. Ik zie van verschillende mensen nare berichten. En spam over jobs en penisverlengingen. Even rook ik een sigaret. Roken, dat is het laffe zelfmoord plegen. Ik check. Ik heb een heel groot pak sigaretten gekocht. Over de sigarettenrook zeg ik het stilletjes. Ik doe het toch maar mooi weer wel.

Niet akkoord

Verhaal door René van DensenDe woorden die u nu gaat lezen, zijn ongeveer een jaar oud. Toen heb ik dit opgeschreven. Toen Gent, en de wereld, Vos kwijtraakte. Fokking Vos, dedju. Terwijl ik het schrijf, kan ik het nóg niet geloven. Ik verwacht de hele tijd dat het een bizar slechte grap is. Dat hij als een duveltje ergens tevoorschijn springt en roept dat het allemaal voor te lachen was.

Ik kan dit niet nu publiceren. Want hij is niet dood. Hij is niet weg. Het kan niet, het klopt niet. Does not compute. Gent zonder Vos, dat is alsof de Dulle Griet weg is, of het Belfort. Als bizar slechte science fiction. Ik krijg het niet in mijn voorstellingsvermogen gepast. Bij ieder artikel dat een vriend, collega of bewonderaar op dit moment publiceert, met terugblik naar de schalkse, melancholische kwajongen die hij was, denk ik bij mezelf: Weer eentje erin getrapt. Hij is niet dood, mensen ! Hoe meer jullie schrijven, hoe zieker deze grap wordt. Ophouden nu !

Natuurlijk kende ik hem niet persoonlijk. Zoals zovelen had ik hem wel eens gesproken. Ik betwijfel dat het lang genoeg was dat hij zich mij nog herinnerd heeft. Sommige vrienden van mij mailden met hem, of belden hem zelfs. Ik kan me hun verdriet al niet eens voorstellen. Omdat ik het verdomme zélf ook zo erg vind. Voor de wereld, voor de mensen, voor mezelf. Voor een wereld die zelf zo weinig troost en hoop biedt.

Ik was iemand. Niet Iemand, maar wel iemand. Rondom hem was iedereen iemand. Zijn ogen bekeken je zoals een kind naar een volwassene tuurt. Verwonderd, respectvol. Je deed er toe. Uiteraard was hij ook kritisch. Maar de liefde voor de mens, de natuur en de aarde hing om hem heen. Zoals de dranklucht om de andere aanwezigen hing.

Want het was, boven alles, een idioot lieve jongen. Zijn columns kwamen uit een teder en nieuwsgierig jongenshart. Alsof geen enkele klap van het leven écht raak was geweest. Alsof hij alles fris als een kind, en tegelijkertijd melancholisch verlangend naar een tijd die hij nooit gekend heeft, bezag. Zo’n man waarvan je je verwonderd afvraagt hoe hij het tot hier gered heeft. Een anomalie. Een sneeuwbal in de hel. Een man die je daardoor onmiddellijk wil beschermen tegen die wrede wereld. Het rondwandelend kind in onszelf.

Ik zal nooit meer een Zone09 openslaan en die ontroerend dwaze smoel zien. Naast een stukje waar hij uiteraard weer met Rocky op het terras zat. En waar Rocky natuurlijk relativeerde waar Vos zich zo druk om zat te maken. Of waar Vos een flinke dosis romantiek in de starre opvattingen van Rocky bij goot. Rocky, god, ja. Voor hem moet het verschrikkelijk zijn. Voor ons allemaal moet dit verschrikkelijk zijn. We zitten nu even allemáál in ons eentje op het terras. Te wachten tot Vos toch daar in de verte aankomt.

Tegen de dood, daar moest hij verdomme tegen beschermd worden. Zo iemand zou verplicht in de wereld moeten blijven. Iemand die zó onvervangbaar uniek is, mag niet weg. Simpel. In het café dronk ik gisteravond grote hoeveelheden bier op Vos, en brulde dat ik het niet accepteerde. Gewoon: nee. Nee, Vos. Niet akkoord. Jij hebt mijn toestemming niet om dood te zijn. Kom dus maar gewoon terug, verdomme. Kappen met die onzin. Luc De Vos is niet dood. Als we nu allemaal besluiten het niet te accepteren, dan heeft hij geen keus !

Ik kan, ik wil deze tekst een jaar niet zien. Ik ga hem herlezen wanneer hij automatisch op mijn site verschijnt. Als een tijdcapsule die geopend wordt. En dan hoop ik dat ik lach, om de dwaasheid. Want natuurlijk was het een grap, en was Luc De Vos niet dood. Haha, gekke René. Jij bent er ook al in getrapt. Sukkelaar.

Wereldvrede

Verhaal door René van DensenAchterin mijn keukenkastje vind ik nog een pakje oploswereldvrede. Ik was totaal vergeten dat ik oploswereldvrede in huis had, dus het verraste me nogal. Voorzichtig schud ik de verpakking. Het klinkt niet heel poederig meer. Ook als ik mijn vinger in het zakje prik, krijg ik het idee dat de wereldvrede er wat zompig aan toe is. Dat wordt geen wereldvrede vandaag, mompel ik wat voor me uit.

Nu ik de verpakking van de wereldvrede zo zie, word ik een beetje nostalgisch. Vroeger waren we nog dol op wereldvrede. Onder elk dak werd er wel enthousiast om geroepen. Het was wereldvrede dit, wereldvrede dat. Met stip was wereldvrede het populairste produkt in menig huishouden. Met vrolijk gebolde, rode konen droomden we als kleine snaken en boefjes van de wereldvrede die ongetwijfeld zou komen. We konden niet wachten.

Wat dat betreft was er met de wereldvrede als belofte niets mis. We hadden er zin an, met de marketing van de wereldvrede zat het wel snor. Rien à dire. Als je niét naar wereldvrede snakte, was er iets mis met je. Dan diende je natuurlijk ausgeradiert te worden. Raus ! Van die rare snuiters die niét reikhalzend naar de wereldvrede snakten, daar moesten we collectief niks van hebben. Dat kon je maar beter voor je houden, anders werd het oorlog.

En nu hebben we het dus. Al decennia. In elk keukenkastje. Beetje kokend water toevoegen en hoppakee. Wereldvrede. We zijn het helemaal tegengegeten. Het smaakt wat muf. Te weinig peper, dat is alvast zeker. Vers is het al zeker niet. En je weet nooit wat ze erbij doen he, in zo’n zakje. En zo laat je al snel een verpakking achterin de kast slingeren. Waar de wereldvrede langzaam beschimmelt. Ach. Ooit raakt het vast weer in zwang.

Met een zwaai werp ik de wereldvrede in de vuilnisbak. Morgen koop ik wel weer nieuwe. Mits ik het niet vergeet.

Bundels

Verhaal door René van DensenIk ben een frisse jonge meid, al zeg ik het zelf, zelfs na zeven wijn nog. Dat is niet iedereen gegeven. Toegegeven, vanavond vier ik alweer voor de vijftiende keer dat ik achtentwintig word. Al mijn vriendinnen zijn de tel kwijt, zowel van de wijn als van de jaren. Maar des te meer lol hebben we ! Terwijl ik de speciaal ingehuurde barman wenk om iedereen nog eens bij te vullen, beklim ik vlijtig het podium.

Het is hoog tijd om iets te declameren uit mijn eerste dichtbundel, Zat er maar bloed bij. Giebelend luisteren de vriendinnen naar mijn teergevoelige woorden, maar dat vergeef ik ze. Alles wat ik schrijf is natuurlijk onwijs ambigue en kun je ook als een enorme grap zien. Ik giechel ook maar wat, want ik wil erbij horen. Zo lees ik gniffelend voor waar mijn oom mij betastte. Hilariteit alom, zelfs wat traantjes in ooghoeken.

Ik buig me, toegegeven, ietwat oncharmant naar voren om mijn volle glas aan te pakken, waarbij mijn tieten net niet uit mijn hempie glippen. Ach, je wordt maar vijftien keer achtentwintig. Ik neem een diepe slok, hoest, veeg lachend mijn mondhoeken schoon en vervolg uit mijn recentere bundel, De biologische klok is getikt. Bewonderend luistert iedereen naar mijn thematisch brede oeuvre. Tussen de gedichten door drink ik mijn glas leeg, want de woorden moeten wel zwemmen in mijn mond.

’s Nachts sta ik, met wijnrode lippen, ontkleed voor de spiegel. Ik zie allang niet scherp meer, maar zelfs dan is het eigenlijk allemaal een mistroostige aanblik. Ik zie mijn eigen bundeltjes op het nachtkastje. Beduimeld, kapotgelezen. Er liggen nog hele stapels van in mijn kledingkast. Zelfs mijn bundels willen ze niet.

Ik kruip onder de dekens. Bundels van dekens. En denk aan bundels. Aan samen gebundeld. Nee, geen tranen vandaag. Ik ben potverdorie al achtentwintig. Koppig rol ik een paar keer om, net zolang tot ik mezelf ingebundeld heb.

Woord

Verhaal door René van DensenDat ze alles zonodig telkens moeten veranderen. Dat is nog het vreemdste. Nu ligt dit hier weer open en moet ik aan de overkant lopen. En daar rijden de auto’s nu weer de andere kant op. Ach. Als het ze lekker bezig houdt, wie ben ik om me er druk om te maken. Ik steek een sigaret op en stap voort.

Er liggen dode bladeren in de straat. Toch is het geen herfst. Alles is grauw, ondanks het flitsbezoek van de zonneschijn. Mensen lachen achter kroegruiten, om grappen die ze al gehoord hebben. Of mogelijk heb ik ze al gehoord. Vandaag sluit ik niks uit. Mijn schoenen verslijten aan mijn poten.

Een man zit op een letter van een woord. Het woord vormt de naam van het plein. Iemand vond dit een goed idee. De man zit verloren voor zich uit te staren, met gekromde rug en een blik buiten deze werkelijkheid. De draadjes van zijn koptelefoon bungelen slap. Hij oogt niet alsof hij ergens nog zin in heeft. Ik weet niet of hij zal stoppen met op het woord te zitten.

Met slappe banden rijd ik de letters van het woord voorbij. Ik lees niks. Op sommige dagen hoop je enkel dat je thuiskomt, en dat het daar wel allemaal mee zal vallen.

Tot ziens, hè

Verhaal door René van DensenIk draal, meer kan ik er niet van maken. Er zijn een boel mensen aanwezig die zich nuttig maken en ik wil niet in de weg lopen. Mijn koffiekopje is leeg, maar daar ik ga ook niet om een refill vragen. Mijn oma ligt ziek op haar bed met professionele verzorgers om haar heen, mijn dorst is van nul belang.

Iedereen danst en schuifelt onwennig door het appartement. De dokter was op tijd, maar toch. Heel lang gaat het ook na vandaag niet meer duren, en nu moet ze ook eerst uit haar shock komen. Ze babbelt al wat. Ik ga ook maar even kijken. Onderweg naar haar slaapkamer loop ik kalm en voorspelbaar, om de chaos zijn weg te gunnen.

Mijn oma zegt dat iedereen zo goed voor haar is, met een zachte snik van ontroering in haar stem. Ze zegt dat ze een mooi leven heeft gehad. En dat ze haar best heeft gedaan. Zo heeft ze meer zinnetjes, die ze blijft herhalen, in willekeurige volgorde. Duidelijk mikt ze erop dat één van die zinnen haar laatste wordt. Het is een mooie selectie. Elk van de zinnen is prachtig als allerlaatste zin. Dat iedereen zo goed voor haar is, staat met stip op plek één. In de paar uur dat ik er uiteindelijk ben, herhaalt ze die zeker achttien keer.

In niets herken je nog de kranige, goedlachse en zorgzame vrouw die ze was. Of toch het kranige even, wanneer ze probeert rechtop te gaan zitten. Ze wil per se met de rollator bij de rest van de familie aan gaan schuiven. Het gaat niet meer. De poging stokt op de rand van het bed. Zwartblauwe benen bungelen over de rand en ze weet: dit bed kom ik niet meer uit. Ze leunt en knijpt in de handvaten van de rollator.

Op de derde plek van de herhaalzinnen staat haar uitspraak dat ze hoopt dat men haar morgen vindt. Ze bedoelt: dood. Ze is er klaar mee. Dit is geen leven meer. Ze is op. En de hele familie, tot zelfs de achterkleinkinderen, is nog langsgeweest de afgelopen dagen. Iedereen heeft ze gezien.

Ze vraagt de verzorger om haar vriendinnen in de aangrenzende appartementen op de hoogte te brengen van hoe het met haar is. Ook als ze haar morgenvroeg zouden vinden. De verpleger springt hier warm maar verrassend routineus mee om. Geen bijzonder verzoek onder dit dak. Mijn oma wil weer liggen. Haar blauwzwarte voeten worden met een paar hulpzame handen terug op bed gelegd.

Ze mijmert wie er allemaal niet meer zijn. Vooral wijlen haar man, uiteraard. Veel te vroeg gegaan. En die en die. Veel te vroeg gegaan. Zij gaat niet te vroeg. Die gedachte komt niet eens in haar op. Ze vraagt of ze alsjeblieft de dokter niet meer willen bellen. Er hoeft niks meer gedaan te worden, zegt ze. Niemand wil ze nog tot last zijn. Achter mij rammelen zenuwachtig afgewaste koffiekopjes in de keuken. Ze zegt dat ze hoopt dat men haar morgen vindt.

Ze zegt enorm blij te zijn mij te zien. Ik moet niet alleen blijven, zegt ze. Dat is het verschrikkelijkste dat ik kan doen. Ze zegt dat ik zo goed voor haar ben. En dat ze een mooi leven heeft gehad. Dat ze hoopt dat ze haar morgen vinden. Ik knik en flap er ook enkele half inhoudsloze dooddoeners uit. We hebben elkaar nu even niets écht meer te zeggen. De Dood luistert mee.

Als ik met de jas in de hand wat later afscheid neem, zegt ze net tegen de verplegers dat ze zo goed voor haar zijn. Dan kijkt ze mij aan en zegt precies wat ik denk. Ze zegt dat ze hoopt dat ze me nog terug zal zien. Ze bedoelt niet in dit leven, is echter te horen in haar stem. Ik knik en zeg dat ik dat ook hoop. Dan zegt ze: Tot ziens, hè.

Ik verlaat het appartement, blij dat dit haar laatste woorden naar mij zijn. Ik haast me, voor ik kan opvangen hoe goed iedereen voor haar is.

Nul

Verhaal door René van Densen“En, hoe gaat het met de kaarten ?” vraagt ze me direct wanneer ze gaat zitten. Ik glimlach. Toch een indruk gemaakt. “Ik vind dat zo gek, van die kaarten van jou,” vervolgt ze, “ik zie nooit kaarten op straat. Dat is écht gek, hoor.”

Ik haal mijn schouders op. “Ik heb het verpest, bij de kaarten,” zeg ik. “Sinds ik je verteld heb dat ik ze regelmatig vind, kruisen ze mijn pad niet meer. En de kaarten die ik hád, heb ik een voor een terug losgelaten in het wild.” Ze lacht: “Dus nu heb je helemaal geen kaarten meer ?”

“Jawél !” zeg ik triomfantelijk. Ik haal eerst mijn camera uit mijn jaszak en toon haar de foto’s. Nieuwsgierig drukt ze op het rechtse knopje. In chronologische volgorde ziet ze, op straat:

  • Een bijna onherkenbaar kapotgereden harten tien, met daarnaast een al bijna even erg beschadigde schoppen twee;
  • Een puntgave ruiten aas;
  • Een morsige schoppen vrouw;
  • Een kartelige schoppen negen;
  • Een vunzige ruiten acht;
  • Een ordinaire schoppen zeven;
  • Een doorregende klaveren aas;
  • Een kraakhelderen harten zeven

“Zo zo,” zegt ze verbaasd. “Een boel kaarten ineens ! En zelfs plaatjes ! Weet je ook al wat ze betekenen ?”
Ik knik ja en zegt dat ze verder moet klikken. De volgende foto’s zijn van een kapotgereden kaartendoosje, en van een stoep vol verdwaalde speelkaarten. Even is ze stil. Ze kijkt naar mij. Ik haal mijn schouders op: ik was er niet bij en weet niet wat er gebeurd is.

Uit mijn binnenzak vis ik een kaart. “Dit is de laatste die ik tegenkwam uit dat deck,” zeg ik, en geef hem aan haar. Het is een joker. Droef zegt ze: “Een joker zonder spel heeft nul waarde.”

Smurrie

Verhaal door René van DensenZo’n dag dat het buiten niet wil en binnen ook niet echt. Dat er inktzwarte smurrie in je zakdoek belandt als je snuit. Of wellicht wat voor rood moet doorgaan. Dat je vermoedt dat er een wel zeer grondige reinigingsbeurt door je heen gehaald zou moeten worden voor je terug puur bent. Zo je dat al ooit was.

En dan dwarrelen de flarden binnen. Oh ja, dát had ik ook nog gedaan gisteren. Oh shitshit. Echt ? Ja, echt. Je hoopt dat iedereen die daarbij aanwezig was, net zo ver kapot is vandaag als jij en enkel jijzelf nog weet dat dat óók gebeurd is. Mag het ‘hopen’ heten als het tegen beter weten in is ? Een zalm zwemt toch ook ?

En dan plots drupt er smurrie langs je raam. Donkerzwart, of wat wellicht voor rood moet doorgaan. Verbaasd staar je terwijl het raam verduistert. Je rent de trap af, maar bij elk raam komt het. Je staart de tuin in terwijl die aan het zicht onttrokken wordt. En dan kruipt de smurrie, in de mix van het natuurlijke pikkedonker en elektrisch licht, onder de deur op. Naar je toe. Stap achteruit. Het heeft geen zin, en dat weet je ook. De smurrie komt je halen.

Hoe lang was ik weg ?

Verhaal door René van DensenDit is nieuw. Toch ? Ik kijk nog eens goed maar weet het niet zeker. Zou het er al die tijd al gestaan hebben, of kersvers in de afgelopen maanden neergeplempt ? Even sta ik stil. Hoe lang was ik weg ? Telkens veranderen de dingen, gewoon, brutaalweg zomaar. Alsof ze tegen me willen zeggen: had je maar niet weg moeten gaan.

Ik loop door, maar alles voelt vreemd. Ik lijk op stuiterig rubber te lopen en de lucht ruikt ongewoon. Het licht schijnt anders dan ik me herinner, ook. En hadden ze hier altijd al déze stoeptegels ? De wieltjes van mijn reistas ruisen en klakken in een ander tempo dan voorheen. Of misschien heb ik alles weer verkeerd onthouden.

Mijn geheugen en de feiten liggen nogal eens overhoop met elkaar. De een zou zeggen: laat ze maar, kijk, ze spelen. Er is niks aan de hand. Ze doen gewoon alsof. Een ander zou zeggen: jezus, hou die voorgoed uit elkaar want een dezer dagen maken ze elkaar af ! En dan zou paniekerig mijn geheugen in één kamer opgesloten worden en de feiten in een andere. En er volgde dan een lang gesprek boven dampende thee over dat dit zo niet verder kan.

Maar dan klikt het op z’n plek. Het gevoel. De rust in mijn normaal turbulente borstkas. Ik ben thuis. Ik ben weer thuis. En thuis is uiteindelijk niet veranderd. Ik was zelf gewoon te lang weg.

Galerij

Verhaal door René van DensenMijn kop hangt in een galerij. Heb ik dat. Daar hang ik, denk ik dan. Tussen een stel andere smoelwerken van mensen waar ik iets mee gemeen heb. We zijn allemaal iets geweest en slechts één is het nog. Ik niet meer. Maar enfin, hij hangt er wel. Mijn kop. In de galerij.

De muur is wel mooi wit. Of toch een tikje gebroken. Een beetje grijs eigenlijk. Vijftig tinten wit, zeg maar. Ik denk even aan de kroonprinses, die gaat al naar de middelbare school. Ik dacht dat dat kind drie was. Dat was ze gisteren tenminste nog. Nu is ze ineens elf. Ik vraag me af wat ik die acht jaar uitgevreten heb. En of ik dat wil weten.

In die acht jaar kwam in ieder geval mijn kop in een galerij. Het is toch iets. In mijn jaszak zitten gevouwen vellen papier. Ik heb geen idee wat erop staat, maar ik moet het zo voordragen. In haast geschreven. Ik neem nooit iets serieus, en de tijd al zeker niet. Laatst zag ik een borsthaar die grijs was. Of vijftig tinten wit. In een galerij van bruin. Exact in het midden. Heb ik dat.