Rol

Verhaal door René van DensenOp een gemiddelde werkdag, en ze zijn vrijwel nooit gemiddeld, komen veel collega’s met vragen naar me toe over hoe ze hun werk moeten doen. Ik vertel ze dan hoe ze hun werk moeten doen. Al het uitleggen hoe mensen hun werk moeten doen kost me makkelijk driekwart van mijn eigen werkdag.

Om tussen alle vragen door af en toe even mijn hoofd te legen, surf ik gekke dingetjes op Wikipedia. Zo heb ik inmiddels op een gemiddelde werkdag ontdekt wat een Tom Swifty is. Ik weet nu ook wat de Fermiparadox inhoudt, dat er ooit een lachepidemie was in Tanganyika, weet ik dat Mike de kip zonder kop achttien maanden doorleefde, weet ik wat Charles Martinet voor de kost doet, las ik met rode oortjes over de Mbielu-mbielu-mbielu, ontdekte ik het bestaan van de Dickin Medal en weet ik dat er botox-schandalen zijn bij beauty contests voor kamelen. Gemiddeld is het daarna tijd om vruchteloos huiswaarts te keren en me af te vragen wat mijn werk ook alweer inhield.

Er wordt een mail naar alle medewerkers gestuurd om de opleidingswensen, dus de behoefte om cursussen te volgen, in kaart te brengen. Ik loop de wc in. Aan de wand hangt een toiletrolhouder. Het simpelste model: een afdakje en een dun staafje waar je de rol om schuift. De rol is leeg. Op de grond ligt een nieuwe toiletrol waar al velletjes van afgescheurd zijn.

In de trein naar huis drink ik meestal een frisse halve liter bier.

Vaatwasser

Verhaal door René van DensenMijn baas staat aan mijn bureau en zegt dat ik al mijn werkzaamheden moet staken want er is een dringende kwestie. Hij zegt dat ik een handleiding moet schrijven. Sinds hij weet dat ik op internet verhaaltjes en gedichten schrijf komt elk regeltje tekst dat bij mijn werk geschreven moet worden, uit mijn toetsenbord. Mijn baas zegt dat ik mee moet komen. Hij neemt me de bedrijfskantine in en wijst naar het aanrecht. Boven de vaatwasser staat een berg vieze kopjes en bordjes. Plastic lepeltjes, broodmessen, longdrinkglazen met onbestemde substanties langs de randen. Ik kijk mijn baas aan. Hij opent de vaatwasser en wijst. Ik kijk. De vaatwasser bevat drie borden en één koffiekopje. Zichtbaar vies. Ik kijk opnieuw naar mijn baas. Hij zegt dat het personeel niet met de vaatwasser om kan gaan. Omdat hij altijd als laatste naar huis gaat moet hij steeds de vaatwasser inruimen. Hij wil dat ik een handleiding maak zodat iedereen weet dat de vuile vaat niet boven, maar in de vaatwasser moet.

Ik ga terug naar mijn bureau en schrijf dat de vuile vaat niet op, maar in de vaatwasser moet gezet worden. Ik schrijf meteen maar hoe het zeepvakje gevuld moet worden en hoe je de vaatwasser start: aanzetten en deur sluiten. Ik loop met een fotocamera naar de vaatwasser en maak illustrerende foto’s die ik in de handleiding plaats. Omdat ik wel eens wat boekjes maak, kan ik dus ook een afbeelding in een tekstdocument toevoegen. Ik loop over van veelzijdigheid. Zorgvuldig stuur ik het document naar alle collega’s. Ik print het bovendien uit en leg het bovenop de vaatwasser terwijl mijn baas mopperend het apparaat vult met vuile vaat.

Aan het eind van de volgende dag roept mijn baas me weer bij de vaatwasser. De berg vuile vaat is nog groter. Hij zegt dat dit zo niet kan. Hij zegt dat het niet aan mijn handleiding ligt. Dat hij een telefoontje heeft gepleegd en dat morgen iedereen verplicht een workshop vaatwasser vullen krijgt. Ik knik. Een verstandig besluit, zeg ik, en ik plaats mijn lege kopje koffie in de vaatwasser. De baas klopt me op de rug. Het komt goed, verzekert hij me. Het komt echt uiteindelijk wel goed. De mensen moeten het gewoon even zien.

De volgende dag zit iedere medewerker van het bedrijf bij de workshop. Een druk pratende en gebarende man in een kleurig pak praat over het belang van hygiëne in kantooromgevingen. Dat deze omgevingen doorgaans minder vaak schoongemaakt worden dan thuisomgevingen, ook wel woningen genoemd. De mensen lachen. Dat dat viezigheid en gevaar voor de volksgezondheid oplevert. De mensen knikken ernstig. De man toont de vaatwasser en trekt de korven naar voren. Hij wijst op welke plekken er allemaal koffiekopjes geplaatst kunnen worden en verzekert de mensen dat er echt genoeg plaats is. Ze knikken. Hij toont in het onderste rek hoe een bord in het rek kan. Ook het bestekmandje demonstreert hij. De mensen steken vingers op. Moet dat allemaal per se op die plaatsen, vraagt iemand. Nee, zegt de workshopmeneer, je mag als er genoeg ruimte is ook gerust koffiekopjes beneden stallen.

Hij demonstreert het vullen van het zeepbakje. De mensen kijken aandachtig toe. Hij toont het aanschakelen en geeft uitvoerige uitleg over de wasprogramma’s. Geknik en uhhuh. Hij verzekert ze dat het standaardprogramma genoeg is, dus aanzetten en – klik – de deur sluiten, dat is genoeg. Mensen knikken bewonderend elkaar aan wanneer ze het apparaat horen spoelen. Ze maken toch maar bijzondere dingen tegenwoordig he. De techniek staat voor niks. Ah, maar let op, zegt de workshopmeneer en wijst op de vloer. Er gaat zelfs een lampje op de grond schijnen, toont hij, als de vaatwasser aan staat. Dat is slim, zeggen de mensen. De workshopmeneer heeft een oefenvaatwasser meegenomen. Iedereen mag een kopje in het apparaat zetten en krijgt dan te horen dat ze het goed hebben gedaan. De mensen kirren van plezier om deze erkenning. Als afsluiter wordt er gedemonstreerd hoe de echte vaatwasser, die inmiddels zijn programma af heeft, geleegd moet worden.

Na afloop kletsen ze nog even met de workshopmeneer. Ze zeggen dat hij het heel, heel goed heeft uitgelegd. Hij schudt iedereen de hand en neemt dan afscheid. Langzaam gaat de ene na de andere persoon naar huis. Iedereen zet zijn vuile kopje op het aanrecht boven de geleegde vaatwasser.

Gefermenteerd

Verhaal door René van Densen“Ga je mee ? Wij gaan naar de supermarkt.”
“Oh, ja, nee kan niet. Ik moet naar de Albert Heijn.”
“Hoezo moet jij nou weer naar de Appie ? Loop gewoon mee man.”
“Nee, ik heb avondeten nodig.”
“Ja dat heeft de Em-Te toch ook gewoon ?”
“Nee want ik moet daar gefermenteerde sojabonen halen.”
“Gefermewattes ?”
“Ken je dat niet ? Gefermenteerde sojabonen. Is lékker jongen !”
“Okee jij moet weer moeilijk doen. Wat is er mis met gewoon een pizza ?”
“Ja, niks, maar daar heb ik vanavond zin in.”
“En die hebben ze niet bij de Em-Te ?”
“Nee, alleen bij de Appie.”
“Okee, ja mij is het best. Anders gaan wij ook naar de Appie.”
“Ja als jullie twee naar de Appie gaan, ga ik niet mee hoor.”
“Hoezo dat nou weer niet ?”
“Ja, die salades daar zijn keiduur, dan ga ik gewoon naar de Em-Te.”
“Ik zei al, mij is het om het even, maar hij moet naar de Appie voor die geëxplodeerde sojadinges.”
“Gefermenteerd.”
“Ja dat. Dus anders gaan we gewoon langs allebei ?”
“Gaan jullie naar de Em-Te ?”
“Ja daar zijn we dus nog niet over uit. De een wil naar de Em-Te maar hij moet weer specifiek geërodeerde sojabonen of zoiets.”
“Gefermenteerd. Superlekker, echt hoor.”
“Ja dat dus. Hoezo, wat moet je hebben van de Em-Te ?”
“Van die pastasoep. Weet je wel, die ik eerst ook altijd had ?”
“Ja hebben ze dat niet bij de Appie ?”

Luisterend En Stuimig - René van Densen (2014 / dichtbundel)
Luisterend En Stuimig (2017)
Dichtbundel, 110 pag, full-colour
Price(EUR): €10.00

“Nee dus, daar heb ik van de week al gekeken.”
“Oh. Maar anders kijken we voor de zekerheid even ?”
“Nee, schijnbaar hebben ze die enkel bij de Em-Te.”
“Ja, hey, anders gaan jullie naar de Em-Te, ga ik wel in mijn eentje naar de Appie.”
“Voor je gesegmenteerde bonen ?”
“Ge-fer-men-teerd.”
“Ja whatever. Ik krijg wel honger van dit gesprek.”
“Gaan jullie naar de supermarkt ?”
“Ja, daar zitten we nog over te overleggen.”
“Gaan jullie naar de Plus ?”
“Nee, we gaan of naar de Em-Te voor pastasoep, of naar de AaHaa voor de geverteerde soja-”
“Gefermenteerd !”
“Geventileerde bonen.”
“Oh. Want bij de Plus hebben ze dat lekkere brood.”
“Laat maar hoor, zoeken jullie het uit. Ik bestel wel wat.”

Intercom

Verhaal door René van Densen“Dames en heren,” klinkt een krakkemikkig en verloren stemmetje door de intercom. “We komen zo aan. Op het station. Eindhoven.”

Er valt een pauze. “Bij aankomst op het station Eindhoven is het daar ter plaatse negen uur zesenveertig. Onze geplande aankomsttijd was negen uur dertig. We hebben kortom een vertraging -”

Nog een pauze. De intercom blijft aan staan. Even luister ik gespannen, om te horen of de man hardop zit te hoofdrekenen.

“- die écht heel erg lang is. Daarvoor bied ik u namens het treinpersoneel onze verontschuldigingen aan.”
Mooi opgelost. Maar de man is nog niet klaar. “Deze vertraging had allerlei oorzaken. Onder andere door de vertraagde sprinter die voor ons was. En door de hierdoor vertraagde goederentrein die eerst nog voor ging. Ook stonden we veel te vaak stil voor een rood sein. Hierdoor hebben we dan ook deze heel grote vertraging opgelopen.”

Ik verwacht nog een verontschuldigingetje en dat we op Eindhoven aankomen. Maar nee, de man is nog niet klaar.

“Zodra we zometeen aankomen op Eindhoven, is deze vertraging eigenlijk dan ook veel te groot geworden. Hierdoor zullen we met deze trein vanaf Eindhoven niet doorrijden, maar deze trein opheffen. Op die manier kan het overige treinverkeer weer hersteld raken. Helaas betekent dit dus wel dat u daar de dupe van bent.”

Gegrinnik alom. “Moet u dus doorreizen vanaf station Eindhoven, dan moet ik u helaas vragen de trein te verlaten. Als u een kwartier wacht op het perron, komt er een andere trein waarin u uw reis kunt vervolgen. Moet u echter bij station Eindhoven al uitstappen, dan heeft u een klein beetje minder pech. Op de eerder genoemde vertraging dan na, natuurlijk. En dat vinden wij zelf ook echt niet leuk, kan ik u zeggen.”

De trein staat stil. Zo te zien wacht de machinist tot het verhaal van de conducteur klaar is, voor we het station inrijden. Ik sta nog niet op uit mijn stoel.

“Als u zometeen op station Eindhoven de trein verlaat, en dat moet u dus helaas allemaal doen, vergeet u dan vooral niet uw eigendommetjes mee te nemen. Er is geen enkele reden om deze ochtend nog vervelender te maken dan deze vertraging het al maakt. Alvast bedankt, en nogmaals echt onze welgemeende verontschuldigingen voor eventueel ongemak dat deze schandelijke vertraging u oplevert.”

De intercom schakelt uit. Show over, denk ik. Maar amper dacht ik het, of hij schakelt nog één keer aan.

“Dames en heren, station Venlo.”

Glazig

Verhaal door René van DensenVanaf dat ik ’s ochtends binnenloop, doe ik alsof mijn aanwezigheid hier, ook in mijn eigen ogen, belangrijker is dan thuis op de bank naast de kat. Ik kan overtuigend doen alsof. Soms doe ik zo overtuigend alsof dat ik zelfs langer blijf dan de bedoeling is. En me drukker maak dan ik eigenlijk kan menen. Want welbeschouwd is al het werk dat ik ooit gedaan heb, ronduit belachelijk. Maar ja, als je eenmaal een rol speelt, verlies je je er zo makkelijk in.

Mijn collega’s trappen er erg goed in. Of misschien spelen die ook wel een rol. Misschien spelen ze wel dat ze geloven dat ik niet acteer. Misschien heb ik dat zelfs wel door en acteer ik dat ik niet weet of zij acteren dat zij niet weten dat ik acteer. Of misschien acteren we niet maar doen we allemaal maar wat. Met een pokerface.

Onderweg naar en van mijn werk kan ik niet acteren. Dan dans ik huppelpasjes op de muziek in mijn koptelefoon. Of ik haal een biertje in de supermarkt en slenter in de zon. Ik glimlach naar de medemensen en probeer hun schaduwen te vangen. Die bui krijg ik niet altijd bedwongen als ik achter mijn bureau zit te acteren. Soms maak ik dan een speelse grap. Of tien.

Als dan de collega’s me vermoeid aankijken, met glazige ogen. Dan weet ik het ineens weer. Ik ben de enige die doet alsof. Stil staar ik dan maar weer naar mijn scherm, vervuld van medelijden. En werp een snelle blik op de klok. Straks. Straks weer.

Reizen

Verhaal door René van DensenReizen, ook al zoiets dat ik niet graag maar wel te veel doe. Ik ben liever ergens, dan ergens naar onderweg. Maar doorlopend moet ik reizen. Soms is het gelukkig maar naar de supermarkt. Dwars door verschillende wijken, dialecten, levensovertuigingen en paspoorten heen. Bij de winkel waar ik het liefst kom, lopen polen, creatievelingen en pinnige volksbuurtbewoners dwars door elkander binnen en buiten. Ik sjok. Liever was ik op mijn bank blijven liggen. Met mijn kat naast mij.

Op de bank, daar reis ik pas. Ik staar uit het raam en drijf met de wolken voort. Een andere keer neem ik een verfrissende duik de diepte van een glas in. Mijn neus leeft op bij de exotische geuren van een oud boek dat op mijn schoot uit elkaar valt. Het eten valt nooit tegen, en ik kan me moeiteloos inbeelden dat ik als een toerist door mijn tuin zwerf. De tuin is niet groot, maar mijn fantasie wel.

Maar dan moet ik weer naar mijn werk. Of naar een fietsenmaker. De meeste van mijn reizen zijn strontvervelend. En al het reizen vind ik strontvervelend, zelfs als de bestemming wél interessant is. Een beetje onderweg zijn. Wel heb ik een talent voor gelatenheid ontwikkeld. Moeiteloos onderga ik een reis. Ik sluit me van alles af. De passagiers bestaan alleen als ik het wil. Ik kan nieuwsgierig al hun kleine gedragingen observeren, of volledig alleen in een coupé zitten. Met een klein beetje concentratie is iedereen weg.

Buiten de lege coupé vindt te veel leven plaats. Vogels vliegen, auto’s toeteren, massa’s kleine en grote drama’s voltrekken zich. Ik heb zin in een sigaret. Thuis zou ik die gewoon nu op kunnen steken. Echt, welke idioot heeft ooit dat reizen bedacht ? Ik moet er niks van hebben. Met een bonk leun ik tegen het treinraam en staar naar de wolken. Ik vraag ze zacht of ze straks weer mee naar huis gaan. Dan kunnen we weer samen spelen.

Een

Verhaal door René van DensenEen lange, maar écht verdomd lange dag. Een kantoor waar het veel te warm is geweest en waar het nu muf en zweterig ruikt. Een verrukkelijke klik van het slot. Een straal in de ogen van de ondergaande zon. Een plaagwindje – toch maar de jas dicht. Een vermoeide tred naar het station.

Een groep lachende toeristen. Een frons. Een setje oortelefoontjes en een prettig muziekje. Een veel te vol hoofd om er ook nog buitenwereld in te laten. Een weerspiegeling in een winkelruit – ben ik dat écht ? Een zucht. Een kromme rug en een ferme vervolgpas.

Een graai in de binnenzak wanneer het incheckpaaltje bereikt is. Een leegte. Een verschrikte leegte. Een koude hand om het hart. Een voorzichtige controle van de andere zakken. Een vloek. Een vertwijfelde blik in het rond. Een luidere vloek. Een sjacherijnige tocht over de zojuist betreden paden terug.

Een grimas wanneer weer het station terug opdoemt. Een lege jaszak, nog steeds. Een loket. Een stel mensen met veel te langdurige vragen. Een blik op de stationsklok, maar ja. Een vrij loket, een bediende, een vertwijfelde vraag. Een vrolijke lach en een triomfantelijk gepresenteerde treinkaart met mijn naam erop. Een mededeling dat mijn naam ook nog omgeroepen was terwijl ik vertwijfeld langs de weg aan het zoeken was.

Een opgeluchtte tocht de fietsenstalling uit. Een terras in de ondergaande zon, en een goede vriend. Een tussenhalte, een koud bier. Een heel koud bier. Een welverdiende slok. Een klok, in de verte, als verdrongen waarschuwing.

Een kater. Een vroege zonnestraal. Een in alle windrichtingen piekende puinhoop op mijn kop en een klotsende stroop vanbinnen. Een diepe zucht, en daar gaan we maar weer.

Zeven

Verhaal door René van DensenAls ik een kater heb, ga ik ervaringen zeven. Mij amuseert dat wel, maar de lijn is ver te zoeken. Ik proef de wijn nog. De extreem galante gastheer bood mij een uitmuntende wijn aan, die zelfs lekker rook, wat wijn zelden doet. Ik wou per se de vieze. Dat ik een kater zou hebben de volgende dag, stond immers al vast, en daar wil ik geen goede wijn aan verspillen. Dan liever met een vieze nasmaak de afgrond in.

Daar loop je dan, vent. Iets rustiger dan de rest, en beduidend onbekommerder. Onbekommerder ? Ik laat het schieten. Je staat op een roltrap en drie kindjes voor je gillen enthousiast want de roltrap is spannend. Achter mij staat hun moeder en ze zegt: “Tschüß !” Vertwijfeld herhalen de kindjes: “Tschüß”. Het gespeelde vaarwel ontoert me stilletjes.

Bovenaan de roltrap zit ik ineens tegenover twee mensen. Ik zeg sorry. De mensen zijn onhollands gekleed en praten zacht Engels tegen elkaar. Door de stroop in mijn hoofd twijfel ik even of een Engels sprekend mens wel ‘sorry’ verstaat. Ik zeg het nog eens, harder: “Sorry !” Ze lachen en knikken.

Als ik uit het raam kijk, sta ik daar met iemand te zoenen. Ik proef het op mijn lippen. Sterker, ik sta in innige omhelzing. Haar lijf voelt fijn tegen het mijne. Als ik mijn ogen open zit ik echter aan de waterkant, in de zon. Ik vraag me af hoe laat mijn trein rijdt.

Er vliegt een meeuw laag over en hij verliest een veer. De veer landt zacht op het water, lichte rimpelingen, en laat zich dan door water en wind vervoeren. Hij is los uit de meute en hoeft niet meer terug. De reis heeft een onbekende bestemming. Ik dobber met hem mee, trappel wat met mijn flippers en kwaak. Dan schep ik wat water en schud het van mijn snavel.

Vanaf een wolk zie ik wat ik allemaal doe. Van hier af is het grappig om mezelf te zien strompelen tussen de meutes op het perron. Iedereen heeft een koers, ik heb ontwijking. Een mooi meisje loopt me voorbij, zij weet waar ze moet zijn. Als ze de trein instapt, sta ik bij de wc te wachten tot we gaan rijden, zodat ik kan kakken. Ze geeft mij een verwonderde blik. Ik hoop niet dat ze zich gaat afvragen wat ik op het toilet ga doen. Zo goed kennen we elkaar nog niet, om nu al die ideeën bij me te krijgen. Ik vind haar erg onbeschoft.

Ik stap een trein uit en een andere in. Ik kom allicht ergens. En als je een serie kijkt die opgenomen is in een stad die je goed kent, kloppen de locaties ook niet. Dus wat geeft het. Gewoon lekker doorzeven, jongen, hoor ik mijn moeder zeggen.

Langszij

Verhaal door René van DensenBijna alle mooie meisjes zijn best stom, en deze twee dus ook. Ze hebben viesvettig ruikend eten bij zich en keuvelen boven mijn muziek uit. Ik prik het volume omhoog maar weiger te vluchten. Ik zat eerder in deze coupé dan zij. Als je niet kunt vluchten, dan kijk je maar uit het raam. Ik zie mezelf gespiegeld. En ik zie een trein langszij.

De trein rijdt iets trager dan de onze en dus passeren er, traag, raampjes met mensen. Ik zie iemand met een kleurige spreadsheet op zijn laptopscherm. Een man kijkt heel uitgeblust. Een jong meisje met een bril en haar haar in een vlecht kijkt naar onze treinraampjes. Een olijke man bijna vooraan in de trein, in de eerste klasse, heft een halveliterpul bier naar ons. En dan zijn we bijna vooraan.

Maar onze trein vertraagt. Of de ander versnelt. Wie zal het zeggen. En ineens trekt dezelfde stoet in omgekeerde volgorde voorbij. Bierpul, vlechtmeisje, blusman, kleurtjes. En dan kijk ik ineens pontificaal de staart van de trein in. Daar zit een machinist. Hij rijdt niet. Uiteraard niet, want dan zou de trein de andere kant op gaan. De machinist kijkt langszij naar mij omdat hij ziet dat ik kijk. Even voel ik de neiging om te zwaaien.

De meisjes stinken en kletsen vast nog, maar ik ben gefascineerd naar de niet-machinist aan het kijken. Hij zit lui achterover te niksen. En dan trekt de trein ineens weer achteruit. Komen ze weer hoor. Spreadsheet, blus, bril. De bierman zit in gedachten verzonken. Of op een mobieltje te lezen, dat kan ik zo niet zien. En weer gaat de boel terug. Tot ik opnieuw de staart zie.

Ik kan net de luierende machinist niet meer zien. Mijn raam hangt nog net te schuin er langs. En dan schuift hij weer terug naar links. Maar ik krijg niet de hele zwik meer te zien, de treinen rijden ongeveer gelijk op. Ik vraag me af of de machinist klaar is voor vandaag en nu in feite de trein naar huis neemt. Je weet het niet. Alleen van de bierman heb ik het vermoeden dat zijn werkdag er wel op zit. Tenzij proosten naar treinen langszij zijn werk is.

En dan versnelt de trein, koerst omlaag en rijdt onder mijn spoor door. De mensen gaan naar Amsterdam. Toch een aantal mensen in de trein gaan naar Amsterdam. Er gaan vast ook mensen in de trein niet naar Amsterdam. Ik ben blij dat ik niet naar Amsterdam ga. Maar als ik er toch zou moeten zijn, zou ik een bier willen drinken. Met biermans en de machinist.