Praaivassie

Verhaal door René van DensenDe zaal zit vol. Voor pakweg de helft met jonge, intelligent geklede jongmensen. Pakweg de andere helft zijn mensen die uitstralen vroeger rebels geweest te zijn. Die helft kijkt ongeduldig op hun rolexen. En strijken eens door hun creatieve, ogenschijnlijk massaal bij dezelfde kapper verworven haardos. Ik heb gaten in mijn jas en luister wat muziek op mijn oortjes. In de momenten tussen liedjes hoor ik vaag Guns n’ Roses en Bon Jovi.

Mijn voornaamste motief om naar lezingen te gaan is om me dom te kunnen voelen. Het publiek maakt dit mij met hun gesprekken niet makkelijk. Sommige mensen zwijgen, gelukkig, en prikken op hun belplankjes. Regelmatig zwaait iemand die nog een plek zoekt, in mijn richting. Vaak weet ik zeker dat ik de persoon niet ken en blijkt het inderdaad jegens een achterbuur.

Ik trek verveeld aan een gat in mijn jas. Wanneer begint het nou ? Het is een hele avond over praaivassie. Praaivassie is blijkbaar of heel leuk of heel interessant, want de zaal is ruimgevuld. Eindelijk dimmen de lichten. Een man naast mij verstuurt een bericht dat ik per ongeluk heb gelezen dat hij met iemand anders best hierna wel wil uitspreken maar dat het steeds moeilijker uit te leggen is thuis. De jongen in de rij voor mij verzekert zijn baas per sms dat hij hard aan de slag is en dat de deadline gehaald gaat worden.

De sprekers beginnen met het gekscherend ontmaskeren van enkele aanwezigen, over hun voorkeuren of verleden. Kunst: je moest je met naam registreren voor dit evenement. Maar het amuseert de mensen enorm. Dan volgen er allerlei toespraken en debatten. Een filosofische jonge vrouw begint aan een heel lang verhaal over de verschillende filosofische definities van filosofische opvattingen van het filosofische begrip vrijheid. Ik weet meteen weer waarom ik gestopt ben met filosofie te studeren.

Omdat ik wat weg begin te soezen, pulk ik nog wat aan de gaten. Zacht kraakt de stof. Harder als ik harder pulk. Ik kan al snel mijn hele hand in één zak steken. Een andere buurman kijkt op zijn prikplankje naar video’s van een vrouw en kinderen die spelen. En een andere man. Hij vertrekt geen spier, kijkt strak naar het schermpje. Op het podium onthult een hacker wat hij allemaal van het aanwezige publiek heeft opgepikt via hun prikplankjes en klapdoosjes. Ik steek mijn arm dieper in mijn jas. Als ik nog wat verder aan de stof trek…

Langzaam, zo onopgemerkt mogelijk, steek ik mijn arm tot mijn schouder in de voering. Dan mijn hoofd en andere schouder. Steeds dieper kruip ik in de jas. De zolen van mijn schoenen trekken het gat nog iets groter achter me, maar dat deert niet. Ik zit diep in de jas. Helemaal opgerold. Ik doe mijn oortjes in. Muziek harder. Ik kijk of ik nog dieper kan kruipen. Dat kan. Sterker, er komt geen eind aan. Ik kan doorkruipen en doorkruipen. Alles wordt steeds donkerder.

In de verte hoor ik mijn kat zacht en ongerust miauwen. Ik kan niet wachten om uit de jas te komen. Honderduit zal ik haar vertellen over mijn belevenissen in de jas. In mijn praaivassiejassie.

Tranen

Verhaal door René van DensenEr zwellen tranen in mijn ooghoeken op. Van die goeie, stevige biggelaars. Tranen moeten stevig zijn, net als regen. Gelukkig kunnen ooghoeken niet miezeren.

De mensen zien het. Ze zeggen: “Erg he, van Parijs ?” Ik beaam het allemaal maar. Het is heel erg. Mensen die zichzelf en anderen doodmaken om overtuigingen, om ideeën, dat is heel erg. Dat is altijd heel erg. Dat er naast deuren nu schoenen staan die nooit meer gevuld zullen worden, is heel erg. Er worden honden niet uitgelaten, geliefden niet gekust en toekomstplannen niet gesmeed omdat een handvol wanhopige gekken lood op een denkbeeldige vijand wilde afvuren.

Ik wil zeggen dat het heel erg is. En niet dat mijn ogen tranen omdat ik veel te vroeg wakker was vanochtend. Dat mijn vriendin op TV het binnendruppelende laatste nieuws wilde zien. Mijn vriendin is een betrokken mens. Ik ben voornamelijk vermoeid. Ik hoorde nevelig woorden mijn geest binnenglippen. Woorden als oorlogsdaad, beveiliging, grenscontroles. Ik lag in bed en voelde me heel moe. Als een vrij individu waar nu al veel te lang stukken uit gehakt zijn. Ik heb niks meer over.

Maar dat zeg ik niet tegen de mensen. De tranen in mijn ogen zijn in hun ogen voor de doden. En dat laat ik zo. Anders doen de mensen mij wellicht nog iets aan. Ik laat de mensen in hun waan en mis de mijne. Ook mijn eigen waan is verwaaid. Ik vraag me af wat er van mij mag overblijven. En wat er nu nog resteert.

Enkel nog tranen voor mijn ontglipte dromen. Zacht streel ik het beddegoed. Het is klam. Ook mijn slaap is nachtonrustig.

Scheef

Verhaal door René van DensenDe dag start scheef. Ik haat het wanneer dat gebeurt. Dan sta ik bijvoorbeeld vroeg op, maar bij het douchen moet er iets gerepareerd worden en dat lukt natuurlijk niet en gefrustreerd blijf ik ermee doorgaan en voor ik het weet loop ik achter op schema. Slaapdronken én voor niks. Dan is heel de dag eigenlijk al kapot.

Een verstandig man kruipt dan terug in bed en ziet morgen wel weer. Ik ben geen verstandig man. Of liever, dat hebben de mensen liever niet van me. Mensen houden niet van verstandige mannen. Mensen willen mannen die zich grijs en vermoeid in treinen hijsen en over trottoirs voortslepen naar een geestdodende baan van negen tot zes. Die bammetjes eten in de lunch en vergeten zijn te vragen waar hun leven heen is verdwenen.

Als compromis pak ik mijn dekbed mee onder mijn arm de trein in. Ik zoek een vierplekkenbank uit en strek mijn benen. Dan wapper ik de deken uit over de vier zetels. Mijn jas is een prima hoofdkussen. Ik slaap. De hele coupé kijkt ongetwijfeld toe. Maar mijn dag is toch al scheef.

Jengelen

Verhaal door René van DensenHet haalde het bloed onder haar nagels vandaan, maar moeders arm was in feite de laatste plek waar je nog lekker aan kon jengelen. En, bijna vanzelfsprekend, de eerste. De eerste arm waar het in je opkwam om je hele gewicht te verslappen, het irritantste, langgerektste geluid te maken dat je kon produceren, de volledige Weltschmerz je strot uit persen en al je opgekropte problemen iemand anders probleem te maken. Alfa en Omega, die arm: het was de arm die je deze wereld in sleurde, dus die arm zou het wéten ook.

Je kon het natuurlijk ook proberen aan papa’s arm. Ik weet niet hoe geduldig uw papa was, maar de mijne was daar niet zo van. Dat was hoppa, recht, en nou stil en je niet zo aanstellen. Wees een vent. Je kon pruillippen of nabuppen wat je wou, er was geen land te bezeilen met die arm. Nee, voor écht goed jengelen moest je toch bij je moeder zijn. Dat je haar daar ongetwijfeld grijze haren mee bezorgd hebt, tja, als kind ben je niet zo van de consequenties.

Natuurlijk zou het tegenwoordig helemaal anders kunnen zijn. Volgens mij waren de moeders in mijn tijd niet erg mondig en luidruchtig. Er werd geen viskraam bijeen geschreeuwd in een plat lokaal accent als je net over de vervelendgrens heen hobbelde. Of misschien deden mensen dat toen net zo goed. Maar herinner ik me dat niet. Of deden ze dat minder in de kringen waar mijn ouders zich in bewogen. Niet dat dat zulke rare kringen waren – geld, macht en glamour tieren niet in mijn bloedlijn. Ik wil vooral zeggen, mogelijk romantiseer ik. Daar schijn ik een handje van te hebben.

Maar dat jengelen dan, vraag ik me af. Was dat nou écht zo lekker ? Om niet al te raar over te komen, maak ik eerst een surrogaatarm thuis. Wat kleren stevig bijeen geknoopt, een broekspijp eromheen, wat geïmproviseerde stoffen vingers. Stap achteruit. Ja, de verhoudingen kloppen wel omgeveer. Een goede moederarm. Even aan trekken. Hij houdt, zo lijkt het toch. En zo hang ik nog geen vijf minuten later, een volwassen man van eind dertig, blèrend en spartelend aan een zwik kleding aan mijn zoldertrap. Ik laat me helemaal gaan. De ruiten trillen. Heerlijk.

Opgelucht rook ik een sigaret op de bank. Morgen ga ik eens proberen of mijn vriendin hier ook open voor staat.

Vijf

Verhaal door René van DensenVijf minuten vertraging. Ik zie de zakkenroller alweer naar mijn rugzak kijken. Tenzij hij van lezen houdt, zit er niets van waarde in. Toch alvast bijna niets dat onvervangbaar is. Ik kijk dus maar weer weg.

Ze moest er zelfs om huilen. Zo erg snapte ze het niet. Waarom ik niet zuiniger op mijn spullen was. Letterlijk: tranen, zo verschrikkelijk vond ze het. Begreep er volledig niets van, dat ik mijn laptop zo verslonsde, dat ik mijn jas zo mishandelde.

Woedend brulde ze dat ik echt zorgvuldiger met mijn bezittingen om moest springen als ik wou dat wij enige kans hadden. Ik begon dat laatste dreigement een beetje beu te worden onderhand. Bovendien snapte ik de ophef niet: het waren maar spullen.

Ik haal een koffie en geef wat briefgeld. Ik krijg muntjes terug. Het voelt pakembeet kloppend dus ze gaan ongezien de portemonnee in. De rekken onder en rondom de kassa schreeuwen dat ik echt ook nog wat andere dingen moet willen. Ik loop met de koffie de deur uit en negeer ze.

O ja, en als ik toch bezig was zuiniger op mijn dingen te zijn, moest ik ook meer van mezelf leren houden. Dat heb ik een kwartier intensief geprobeerd. Niet dat ik wist hoe dat moest, maar een kwartier lang probeerde ik dan maar mezelf te waarderen. De uitkomst van dat kwartier was dat ik enorm dol ben op kwartieren. Ze zijn niet te kort, niet te lang, het woord is mooi. Je kunt in het woord wonen. Bovendien zitten er vier in een uur en dat aantal rijmt.

Ik staar met mijn koffie in mijn hand naar de wolken. Ik ben een makkelijke prooi. Al mijn bezittingen zijn, met wat vlugge behendigheid, van mij te plukken als vers fruit van een boom. Het kan me niet schelen. De zon streelt mijn gesloten oogleden. Ik zou zo prima een kwartier kunnen blijven staan.

Welcome in the House Of Filth

Verhaal door René van DensenZe heeft nog het lef om het te zeggen: Welcome in the house of filth. Ik kijk rond en zie één plukje haren ronddwarrelen. Alles is verder spotschoon. Of toch minstens vergeleken met mijn eigen woning, die schoon is vergeleken met mijn vorige woning, die schoon is vergeleken met de vorige zolder waar ik verbleef, die schoon was vergeleken met het vierkoppig mannen- en driekoppig kattenhuishouden waar ik woonde.

In vergelijking tot al die plekken is deze woning zo ongeveer medisch minimum. Ik zou hier geopereerd kunnen worden aan mijn lever en dan nog zouden de tegels schoon zijn. De kat kijkt me vanaf een leeggezogen hoekje uit haar kattenhuisje aan. Ik leg mijn bagage bij de tafel en zie de gepijnigde blik van de gastvrouwe: voor ik slaap, ligt dat vuile ding naast mijn logeerbed, vooral niet in de woonkamer meer.

Ik kom net uit een wereld waar pijn de grote gemene deler is. Waar bedrukte velletjes papier of geslagen schijfjes metaal een reden tot het verlaten of verraden van de medemens zijn. Waar een auto of zelfs een mooiere jas een scheve, beangstigende blik oplevert. Ik stap uit een universum vol hebzucht een plek binnen waar een biertje koud staat en waar één dwarrelend vlokje kattenhaar de woning The House Of Filth oplevert.

Ik drink mijn biertje. Ik zeg niks van de dwarrelende vlok. Ik kijk uit het raam. Ver uit het zicht slaan mensen elkaar de koppen in, in opdracht van anderen die denkbeeldige lijnen op een kaart willen verschuiven, want daardoor worden ze zelf rijker. Uit het zicht worden oude vrouwtjes voor dood achtergelaten om een paar flappen die ze uit een muurautomaat haalden.

Ik zeg niets omdat dit het huis is van mijn beste vriendin. Ze schaamt zich voor de toestand waarin ze mij ontvangt. Ze beseft niet in welke toestand de mensheid mij elke, maar echt élke, dag ontvangt. Ze schaamt zich echt kapot. Ik slaap verrukkelijk op een vers verschoond logeerbed. Als ik ’s middags het huis verlaat, ruik ik in haar gang de drie flesjes bier die ik leeggedronken heb. Ze stinken overwelmend.

Ik vraag me af of een woning, waarin vier flesjes bier de boel kunnen overheersen, überhaupt een titel verdient. Misschien de hemel. Ik haal diep adem en stap de deur uit, naar buiten.

Dromen

Verhaal door René van DensenCommotie in de ooghoek. Daar woelen, in een kroet, al mijn geaborteerde dromen. Ik kan ze natuurlijk de hoek uit wrijven, maar daar is het woelen niet mee opgelost. Dus laat ik de kroet waar hij is, en de woelboel ook.

Mijn kat, zij, zij is klaarwakker. Ze rent rond als een opgewekt klein kind en springt op alles. Kunst, denk ik. Als ik zo makkelijk kon slapen en dromen als zij, zou ik nu ook wakkerder zijn. Slaap is voor haar wat geld is voor rijke mensen: iets vanzelfsprekends. Voor ons normale stervelingen is dromen gewoon keihard werken. Ik zeg het haar, maar ze is intensief bezig met een touwtje.

De dromen roeren zich flink vandaag. Ik kan natuurlijk de wekker de schuld geven, maar die doet ook maar zijn werk. Ik was erbij, ik heb hem zelf ingesteld, zelf met hem afgesproken op welk tijdstip hij mijn natuurlijke slaapritme mag afkappen. Ik vraag de dromen om een beetje meer begrip. Minstens voor de wekker. De dromen hebben me niet merkbaar gehoord.

Met een zucht wrijf ik ze dan toch maar uit mijn ooghoek en flak ze de kamer door. Ik hoor ze verdorie nóg. Even strek ik me uit op de bank en staar naar het plafond. Terugdenkend aan de helse periode dat ik ook vroeg opstond, maar daar eigenlijk geen goede reden voor had. De dromen mogen niet klagen, vind ik.

Ja, jij wel.

Verhaal door René van DensenDe woorden klinken bijna als een verwijt. Het onderwerp is dronken worden en controle verliezen. “Ja, jij wel,” had hij geantwoord na zijn biecht dat hij het niet kan. Dat hij het te eng vindt. Meteen probeer ik terug te denken of ik hem wel eens dronken heb gezien. Fors aangeschoten, dat wel. Maar echt laveloos, dat niet.

Alvast zeker niet het punt dat mensen tegen je praten alsof je een kind bent, en je kalm ergens heen begeleiden waar je niet heen wil. Naar buiten. Of naar huis. Of het punt dat je verbaasd ziet dat tafeltjes tegen je opbotsen en dan achterover vallen. Of omhoog, dat doen ze ook nog wel eens. Meestal nemen ze dan wat grond mee. De wereld wordt heel gek met een borrel op.

Wat wel fijn is, is hoeveel er voor nodig is om op dat punt te komen. Het is een dure grap en veel werk. Lukt niet zomaar elke dag. En je moet er echt stevig voor doordrinken. Maar het is zo lollig. En dan krijg je eens een klap tegen je kop, of een vloer tegen je wang. Kan gebeuren, en zó verdund als je bloed is, zal het wel weer reuze meevallen met de blauwe plekken.

En de mensen. Nuchter zeggen ze eigenlijk nooit iets interessants, maar nu is alles fantastisch en fascinerend. En persoonlijk vooral. Man, wat stellen ze zich ineens ontroerend open. Ze zijn mijn broeder ! Ik hou van ze ! En de verhalen, die open ziel, ik ben straks alles weer vergeten maar nu is het mijn hele wereld. Wat een harten, wat een hersens, wat een stem, wat een bloed.

Daarna heb je een heel lange kater de tijd om na te denken. De wereld geeft je daartoe alle ruimte, want ineens sta je er niet meer middenin, maar half buiten. Ik ben dol op mijn katers. Ze duren soms wat lang, maar dat neem je er dan maar bij. Alles gaat zo traag. Dingen pak je gewoon een voor een op, ze zijn overzichtelijk en eigenlijk best simpel. Je brein werkt niet helemaal meer mee, maar je hebt prachtige gedachten. Ja, geef mij maar gerust een goeie kater op zijn tijd.

En daarna. Als die éne katerdrol je lijf uit is waar al het laatste gif in was gestopt. Daarna. Ben je zo leeg, zo bevrijd. Zo gereinigd. Blootgespoeld. Klaar om nieuwe fouten te maken. Nieuwe zonden te begaan. Een nieuwe middelvinger op te steken naar de wereld. Opnieuw de verwijtende woorden te horen uit iemands mond: ja, jij wel.

Ik probeer heus

Verhaal door René van DensenIk probeer het heus wel eens. Meestal zelfs. Of ik er écht mijn best voor doe, dat is een andere vraag, maar ik probeer het wel. Een beter mens te zijn dan ik ben. Meestal zet dan iemand echter bier voor mijn neus neer, of oppert een idee dat zó idioot is dat het schreeuwt om uitvoering. Zulke dingen, daar valt niet tegenop te proberen.

De idioot in mij moet ook ademen, schiet het door mijn hoofd als ik weer eens naast iemand ontnuchter. De vraag gaat zometeen zijn: waar is mijn bril ? Waar slingert mijn telefoon rond ? Waar zijn mijn sleutels ? Al de rest: daar kom ik wel uit. Ik strijk met de handen door mijn haar en hoor mensen naar hun werk vertrekken, buiten. Maar voor mij is de wereld nog niet klaar met draaien.

Dan wordt zij ook nog eens wakker. En alsof het allemaal nog niet erg genoeg is, rolt ze zich meteen, en gewillig, bovenop me. Gretig gebruik makend van een ochtendeuvel dat wij mannen wel eens hebben. Langzaam wordt ze bovenop me wakker en versnelt het tempo. En net voor ze kan climaxen, breekt het bed. Verbijsterd liggen we samen, in elkaar verstrengeld, schuin omlaag met onze hoofden tegen de muur. Dan begint zij te schaterlachen.

Maar dan volgt een hele dag waarop ik me stellig voorneem toch weer een beter mens te zijn. Want kapót. Ik sleep me naar mijn werk, door mijn werkdag heen, en van mijn werkdag af terug. Vermoeid kijk ik voor me uit in de trein en ben ik, namens andere mensen, blij dat ik geen auto rijd. In de fietsenstalling kijkt een oude vrouw met strohaar me deemoedig aan. “Weer een dag voorbij,” zegt ze retorisch. Toch knik ik. Bevestiging. Ze verzekert me dat de dagen sneller gaan naarmate je ouder wordt.

Die kende ik al. Van heel veel volwassenen gehoord. Zit onder het kopje Fabeltjes opgeborgen, naast de andere leugens die ze je vertellen, en alle keren dat je ontdekte dat ze ook maar wat doen in het leven. Ik hoop dat het me vanavond wel lukt. Ik ga het alleszins weer proberen.

Nog tien jaar aan vast

Verhaal door René van DensenEven twijfelde of ik het wel moest doen, maar je doet het uiteindelijk toch wel. Dus dat werd vroeg opstaan en door de kou naar het stadhuis. Want ik moest mijn identiteit verlengen. Blauwbekkend liep ik het overheidsgebouw binnen, waar de verwarming lustig erop los brandde. Een prikkerdeprik later had ik een briefje met een lettertje en een nummertje en moest ik wachten.

Je kunt me bij zoiets beter niet te lang laten wachten. Ik twijfel dan nog wel eens. En jawel hoor, daar ging ik. Als ik mijn identiteit nu eens niet verlengde, kon ik dan zomaar ineens iemand anders zijn ? Kon ik mijn identiteit inwisselen voor iets heel anders ? Eigenlijk kon ik best een nieuw kettingslot gebruiken. Of een paar nieuwe schoenen. Veel meer verwacht ik niet voor mijn identiteit te krijgen.

Ik staar naar de identiteit die ik in mijn handen heb. Het is maar een identiteit van niks. Een laagje reflecterend materiaal en wat papieren. Met een bruinig kaftje. Stempeltje erop. Wat krassen. De identiteit gaat al een tijdje mee. Enkele reisstempels, maar niks imposants. Mijn identiteit is een tikje honkvast en niet bijster avontuurlijk aangelegd. Veel onbeschreven bladzijden ook. Knisperende onschuld.

Aan zo’n nieuwe identiteit zit je nog langer vast, had ik gehoord. Ineens tien jaar. Tién ! Ik vraag me elke dag al af of ik deze identiteit nog wel wil volhouden, maar zo’n overheid pint je er gewoon een decennium op vast. Zonder pardon. Hoppakee. Dit bent u, de komende tien jaar. Weten wij dat, weet u dat, veel plezier ermee. Volgende. Hoe meer ik naar mijn identiteit staarde, hoe meer ik wou wegvluchten.

Mijn nummer en mijn letter verschenen echter op het scherm. Verdomme. Toch maar naar het loket. Snel geholpen. Volgende week kunt u uw identiteit afhalen, bla bla. Dat was vorige week. Nu zet ik weer mijn fiets in hetzelfde rek. Opvallend: weer is het het enige vrije rek. Ik loop dezelfde trap op, en dezelfde verwarming staat er weer op los te stoken. Zo’n overheid verandert ook niet veel.

Omdat ik een tikje dwars wil zijn, heb ik mijn uiterlijk gesnoeid. Mijn wilde lokken zijn op een kappersvloer beland en mijn baard in een doucheputje. Ik zie eruit als een lid van een jaren ’60 jongensband. Een stropdas ontbreekt. Mijn identiteit echter ziet eruit als een zwaarbehaard holemens. Ik sta voor het loket waar ik mijn holemens moet ophalen.

De loketdame twijfelt. Ze kijkt. Naar mij. Naar mijn identiteit. Dan naar mij. Dan naar mijn identiteit. Ik snap het wel. Het is een verschil van één week, maar ik zie eruit alsof ik een lid van een sleeper cell ben die bevel tot actie heeft gekregen. Ze twijfelt nog wat langer. En ze zit niet eens in de wachtkamer.