Tweevijftwee en tweevijfdrie

A.L.SnijdersZo sta je op zaterdag lekker rustig op. Koffie’tje, knus in de dekens, zonnetje komt rustig op buiten: top ochtendje zo. En dan zie je op Twitter dat, oh ja, die A.L.Snijdersprijs, dat was blijkbaar vandaag. Ach, ik deed toch al niet meer mee, dus was ik extra blij dat ik lekker thuis zat. Mijn goede vriend Joubert heeft blijkbaar derde prijs gewonnen. Proficiat, maat ! En dat meen ik. Zijn uitgever zal ook blij zijn: zoiets zet je natuurlijk vol trots op de kaft van zijn volgende boek (begin 2015).

Toen ik al niet bij de longlist bleek te zitten, vroegen mensen me welke van de 1200 verhaaltjes van mij waren. Ik deed expres geheimzinnig en zei dat ze moesten stemmen op het verhaal dat zij het beste vonden. De meeste andere schrijvers riepen massaal hun lezers op om op verhaal nummer zoveel en zoveel te stemmen, maar ik niet. Nu de prijs uitgereikt is, zal ik het maar zeggen: van mijn hand waren 252 en 253. En hieronder publiceer ik ze nog even opnieuw. Verhaal 1 heeft in iets langere versie op deze site gestaan, verhaal 2 stond in Prozacstad: Je Bent Er.

252 Wellesnietesfeest

Elk jaar is het weer raak in de plezierhaven. Het gemeentebestuur is het beu. Soms begint het aan de linkerover, soms rechts. Plots staat daar een Boze Man. Die begint te roepen. Aan de overzijde verschijnt een Boze Overzijdeman, ook roepend.

Bij beiden voegt zich al vlug een menigte. Maandenlang bergt iedereen in de directe omgeving zich. Vlug worden ‘hetisweerzover’-vakanties geboekt, familie in andere steden krijgt lange, onaangekondigde bezoekjes, pretparken zijn vol van roepvluchtelingen.

Aanvankelijk zocht het gemeentebestuur naar inhoudelijke argumenten. Immers: als de menigten roepen vanwege een maatschappelijk probleem, valt het wellicht op te lossen. Toen de gescandeerde kweste opgelost was, stond de menigte het jaar erop echter weer.

Het bestuur besefte: de kwestie is maar decoratie. De mensen willen brullen. Lekker samen in het eigen gelijk. Massaal individueel iets vinden. Een progressieve, ambitieuze jonge wethouder bedacht een lumineuze nieuwe traditie.

En dus startte afgelopen zomer, het eerste Wellesnietesfeest. De eerste die startklaar aan de kade staat, mag ‘WELLES’ roepen. De andere kade roept ‘NIETES’. En zo gaat het feest door, tot de jaarwisseling. Dan gaat iedereen weer naar huis en is het weer een maand of zeven, acht wachten.

Het festival enthousiast ontvangen. Ook buitensteedse toeristen kwamen kijken. Wellesnietesfeestgangers werden op TV geïnterviewd. Presentatoren riepen jolig mee: “Welles! Nietes!” en het publiek kirde in koor. Applaus. Welles, nietes!

253 Thee

Hele liters thee werden er dagelijks door dat keelgat gejaagd. Soms stond hij er zelf versteld van hoeveel ze kon drinken van het warme goedje. Het ene doosje na het andere belandde leeg in de oud-papierbak. Gedachteloos schonk ze kop na kop vol. En al even gedachteloos goot ze kop na kop leeg, dat keelgat in.

De smaakjes konden ook niet dwaas genoeg zijn. Rozebottel-brandnetel. Salmiak met munt. Gecarameliseerde peer. Lentebloesem met herfstbladeren. Met whisky aan zijn lippen keek hij toe hoe weer een nieuw smaakje uitgeprobeerd werd. Hij dronk altijd hetzelfde. Merk- en smaakvast. En in heel bescheiden hoeveelheden. Hij kon makkelijk drie uur genieten van zijn glaasje single malt. Dat hoorde ook zo. Ondertussen verdween, achteloos, pot thee na pot thee.

Vandaag stond er een doosje met “het geheim van Toetanchamon” op het aanrecht. Half leeg al. Hij krabde aan zijn buik en zocht naar koffie. De koffie was uiteraard op. Overal stond enkel thee. De keukenkastjes waren veroverd door de theedoosjes. In agressieve kleuren gromden ze hem toe, vastberaden hun zuurveroverde territorium tot de laatste snik te verdedigen. Het zou niet lang meer duren voor hij vertrok, besefte hij ineens.

Meningen


Verhaal door René van DensenIedereen vindt er maar op los, in het dolle, dezer dagen. Verplichting van meningsuiting. Je moét wat vinden, tegenwoordig, van alles wat er maar in de wereld en dit en dat. De meeste mensen hebben dan ook geen enkel probleem ermee om over álles meningen te uiten. En toch waren er reclames dat je met je mening geld kunt verdienen. Ik heb die reclames zelf niet gezien want ik kijk geen televisie. Maar lieve mensen die meedogen hadden met mijn situatie afgelopen jaar hadden het me doorgestuurd. En dat leek me ergens wel wat.

Ik ben niet echt een rücksichtloze eroplosvinder. Maar een mening over iets geven, dat kan ik wel. Immers: een schrijver. Die zouden toch wel dingen moeten kunnen vinden. Zou je denken. Dus ik probeerde het een tijdje. Ging uiteraard om enquêtes invullen. En om aanbiedingen te bekijken. En meer van die dingen. Telkens werd een kleine vergoeding beloofd.

Dat van die aanbiedingen, dat heb ik een maand gedaan. Toen bleek dat ik in die maand wegeteld veertien cent had verdiend. Die harde euro’s van de enquêtes, waar die heen zijn, dat is mij ook onduidelijk. Het schoot alvast niet op. Ik had waardevolle marketing-informatie aan derden verstrekt die lekker niks terug verstrekten. Dat kon anders.

Vroeger zei mijn beste vriend: “Weet je wat ik vind ? Ik vind een sleutelhanger.” En hij had gelijk. Een sleutelhanger vond je makkelijk. Die lagen destijds met honderden tegelijk op straat. En je hoeft niet heel veel televisie te kijken om te weten: ook de meningen zijn tegenwoordig van de straat.

Dus ging ik de straat op. Eerst probeerde ik het op de straathoek. Met een groot kartonnen bord. Mening, 10 euro. Ik wou me niet te goedkoop prijzen, maar zeker ook niet te duur. Ik woon niet in een stad waar mensen veel te besteden hebben. Heel veel bewoners liepen me voorbij, sommigen zagen het bord. Men dacht dat ik een grapje maakte en lachte eens hoofdschuddend.

Ik besloot, nee, ik vónd – een prima oefening – dat mijn aanpak te passief was. Ik zou de hort op moeten. Dus liep ik door de straten en klampte ik iedereen aan die ik daar trof. En die gaf ik ongezouten mijn mening. Voor minder doe ik het niet, dacht ik nog: als ik de volle prijs vraag voor mijn mening, moet het wel een goéde zijn.

In de wachtkamer van de huisartsenpost snapte ik ineens waarom andere mensen hun mening vooral via het internet geven. Het is een mooie uitvinding, dat internet. Vind ik tenminste.

Veel / weinig


Verhaal door René van DensenIk ben op de terugweg van een sollicitatiegesprek. Het gesprek was ver weg. De trein wacht nog met vertrekken. Dit station is een van de eindpunten in Nederland. Vanzelfsprekend vraag ik me een beetje af: zou ik hier willen en kunnen werken ?

Het is de volgende dag en ik heb een kater. Van een kater word ik hitsig. Ik probeer me te beheersen. De zon schijnt. Dat helpt ook niet. De wereld spant tegen me samen. Ik krab op mijn schedel en kijk de wereld rond. Ziet er eigenlijk wel goed uit, vandaag. Ik heb nog maar een paar dagen over om me te misdragen. Benieuwd wat ik vandaag nog zal uitvreten. Ik heb nog heel veel dag.

De conducteur roept wat om en mijn telefoon gaat. Ik spreek een man die ik eerder deze week sprak. Één dag voor dit gesprek zelfs. Hij vraagt me hoe ik het gesprek vond gaan. Ik antwoord dat ik zijn bedrijf een fijn bedrijf vond, want dat vond ik ook. Leuke mensen, die er tevreden uit zagen. En een van de weinige bedrijven waar ik zelfs met de grootste fantasie ter wereld moreel niks tegenin kan brengen. Maar dat alles zeg ik natuurlijk niet. Enkel dat eerste.

Daar ligt mijn ene schoen. Daar mijn andere. Mijn rugzak zit onder het zand. Ik kan wel raden wat er gebeurd is. In de brandgang achter mijn woning word enkele dagen gegraven. En ik ben dronken naar huis gegaan. En in feite ga ik altijd langs mijn achtertuin mijn woning in. Vul het verhaal in en kleur de plaatjes.

Ja, hij vond het dus ook een leuk gesprek, zegt hij. En hij vraagt of ik maandag al wil beginnen. Even denk ik dat mijn telefoon niet goed werkt. Pardon ? Hij herhaalt zijn vraag. Het is echt. Ik zit al een jaar thuis, maar deze vraag is echt. Een eeuwigheid zoeft in een flits voorbij en ik zeg ja. De trein begint te vertrekken. Weg van mijn andere gesprek. Ik krijg sterk het vermoeden dat ik zo wakker zal worden en zal ontdekken dat ik me verslapen heb voor dit gesprek. En dat dit telefoongesprek niet heeft plaatsgevonden. Het voelt ineens alsof ik nog maar heel weinig dag heb.

De glazen klinken. We proosten. Iedereen is blij voor me. Ik heb een moeizaam jaar doorstaan en elke cent die ik kon besparen, bespaard. Ik heb er geen plezier en geen gekkigheden op bespaard. Ik heb mijn trots en mijn ruggegraat behouden. Het viel niet mee. Maar we leven nog. En we klinken. En we drinken. Hoe we ons morgen voelen, dat merken we dan wel weer. Wellicht zal de zon schijnen.

Tukje


Verhaal door René van DensenHet overkomt me ’s avonds vaker de laatste tijd: ik sukkel pardoes in slaap. Het is maar een paar uur, maar knal, ik ben weg. Om daarna duffig te ontwaken, niet zelden rond het tijdstip dat ik eigenlijk naar bed had willen gaan. En natuurlijk blijf je dan toch nog even op. Wachten tot je weer moe bent.

Zo ontwikkelt zich een soort tweede dag. De eerste is tussen het ’s ochtends ontwaken en die tuk in, de tweede is tussen tuk en nachtrust. Van nature heb ik een nachtritme, maar al het hele jaar dwing ik mezelf tot een dagritme. Ik wil zo employabel mogelijk zijn. Ook al zijn er veel dagen waar dat vroege opstaan niets toevoegt. Ja, een ochtend die je kunt horen wegtikken. En een zonsopgang. Als je de tijd neemt ernaar te kijken.

De tweede dag breidt zich langzaam uit. Ook is het tukje onverbiddelijk. Ik vecht er soms wel eens tegen. Met alle macht. Dan rek ik het wakker zijn enkele seconden, soms minuten. Maar altijd: bam. Ik ben weg. Soms ben ik vertrokken terwijl ik er nog tegen vecht. Dan kom ik er twintig minuten, half uur later, vechtend weer uit. Eventjes. Met het gevoel van potver, toch in slaap gevallen. En even later: bam, weer weg.

Als een olievlek drijft de avonddag, met aan zijn rand de tuk, naar de overdagdag. Met duidelijk snode bedoelingen. Je schiet er toch niets mee op, fluistert de tuk in mijn oor. Dat vroege opstaan is nergens voor nodig. Je kunt alles ook later op de dag doen. Nee, nee, nee, verbijt ik mezelf. Binnenkort heb ik werk. Dan moeten we elke dag er weer vroeg uit. Binnenkort, binnenkort, sputtert de fluweelzacht verleidelijke tuk, dat beloof je al een jaar. Geef je er aan over. Steek over en blijf bij ons. Het is hier goed in avonddag.

Ik zet mijn wekker en dwing mezelf naar bed. Daar lig ik klaarwakker naar het plafond te staren. Ik heb geen slaap meer.

Paaseiland


Verhaal door René van DensenIk zit achterin, naast mijn neefje. Voorin zitten mijn vader en mijn broer, zijn vader. Die twee hebben wel een rijbewijs, wij niet. Ik was amper ingestapt of mijn neefje riep uit: “Nee he, daar heb je die gekke fantasieverzinmeneer weer !” Ja, dat moet je natuurlijk niet tegen mij zeggen.

Eerst hou ik me nog een beetje in. Ik heb een lichte kater. Mijn neefje vraagt of het waar is dat mijn huis gesloopt gaat worden. Ja, dat klopt, zeg ik. Waarom dan, vraagt mijn neefje. Ik zeg dat mijn huisje heel oud is en dat er mensen in mijn buurt nieuwe huizen willen bouwen. Maar dan hoeft jouw huisje toch niet kapót, roept mijn neefje. Mijn moeder zit naast ons beiden en kijkt glimlachend toe. Mijn neefje is net zo’n druktemaker als ik schijn geweest te zijn.

“Weet je wat jij moet doen, jij moet springveren onder je huisje zetten,” zegt mijn neefje. “En als ze dan met die grote bal komen, dan stuitert zo je huisje weg. Hoeft het niet kapot !” Ik zeg dat dan alle glazen uit mijn keukenkastje kapot vallen, en mijn kat waarschijnlijk misselijk wordt, en dan moet ik allemaal scherven en kots opruimen. Mijn neefje is niet overtuigd en houdt vol dat zijn oplossing een goede is.

We passeren een autodealer met een model auto op het dak. Ik vraag aan mijn neefje hoe die daar bovenop gekomen is. Mijn neefje weet het niet. Zou hij gesprongen zijn, vraag ik. Neeeeeee, gekke fantasieverzinmeneer. Gereden dan ? Neeeeeheeeeeeee hahaha. Zou hij gezwommen hebben ? Neeeeeee ! gilt hij. Mijn broer vindt dat mijn neefje moet dimmen. Ik hou me vanaf daar zo goed mogelijk in als gekke fantasieverzinmeneer.

Op de terugweg speelt hij met twee plastic oogbollen. Ze kunnen springen. Ik vraag of mijn neefje weet waar de Paashaas nu is. Die is er nu niet, zegt mijn neefje, want het is geen Pasen ! Ja, dat weet ik, zeg ik, maar hij moet toch ergens zijn ? Jaaaaa, zegt mijn neefje: hij is op Paaseiland ! En dan barst hij in lachen uit. “Paaseiland bestaat helemaal niet dat heb ik net verzonnen !”

Ik zeg dat Paaseiland echt bestaat. Ik ben natuurlijk meteen weer een gekke fantasieverzinmeneer. Mijn moeder zegt ook dat Paaseiland bestaat. Even twijfelt mijn neefje, maar ook haar gelooft hij niet. Mijn broer zoekt Paaseiland op met zijn mobiel en laat een foto zien. Maar zelfs zijn papa gelooft hij niet. Zó veel volwassenen die stellig volhouden dat Paaseiland bestaat, dan kán het niet waar zijn. Die komt er wel, denk ik stilletjes.

Ik verkoop niet zomaar aan iedereen mijn boekjes.

nahh-deniedIk ging hier eerst geen bericht over schrijven, want ik vond het iets tussen mij en degeen die me mailde. Uiteraard heb ik ook het laatste mailtje even ter info doorgestuurd naar… Nee, wacht, ik begin even bij het begin.

Ik kreeg gisteren een best interessante bestelling (zeg maar gerust: een exemplaar van alle boekjes die op dit moment nog bij mij verkrijgbaar zijn) per mail binnen. Normaal: geweldig ! Zal ik ze zelf komen brengen ? Wil je ze gesigneerd, wil je er een gratis Kerk van de Kalebas bumpersticker bij, wil je mijn eerstgeboren kind ? Maar toch heb ik de bestelling vriendelijk geweigerd te leveren en de afzender bedankt voor zijn interesse.

Vandaag werd er, op beleefde toon, toch nog aangedrongen. Ik heb daarop een mailtje teruggestuurd waarmee wat mij betreft de kous af is en dat nog steeds neerkomt op ‘nee, bedankt’. Mijn principes staan in de weg van deze verkoop. En zoals ik al zei, ik ging hier verder geen bericht over schrijven. Wel heb ik de verwikkeling van de zaak naar één van de betrokkenen doorgestuurd, en onder mijn facebookvriendjes gedeeld. En één ervan vroeg ineens of de mailwisseling online gezet mocht worden. Vanwege mijn specifieke standpunt.

Dat kon ik niet echt weigeren. Als je opkomt voor je principes, dan mogen die ook openbaar gemaakt worden. En nu staat het hele verhaal dus hiero te lezen. Dan hoort er ook een beetje bij dat ik het op deze site meld. Dus bij deze. Weet u ook weer waarom ik een dergelijk grote bestelling toch geweigerd heb.

Mens, leer ontvangen !

Een appel is geen peer
enkel omdat hij
ook aan een boom hangt

Iemand is niet crimineel
enkel omdat hij
hoger beroep zoekt

Een overheid is er niet
automatisch voor een volk
omdat dat volk ervoor gestemd heeft

Een persoon die opkomt
voor een ander
hoeft daarom niet meteen ‘deaud’

Een mens dat graag een
traditie koestert
is niet meteen daarom racist

Niet achter elke glimlach
schuit vanzelf
een levensgevaarlijk medemens

Niet iedereen die boos wordt
om vernield eigendom
is een geldwolf

En wist je ?

Als je wijst naar een ander
kijk goed naar je hand
er wijzen drie vingers terug

Ja, zenden, dat kunt u wel
het staat buiten kijf
en waarvan akte.

Maar mens,
waar en wanneer bent u
verleerd te ontvangen ?

Brief aan een organisator (4)


Verhaal door René van DensenHoi Steven,

ik ga stoppen met beweren dat je geen Wim heet, want op termijn gelooft niemand dat meer. Dat werkt averechts. Dus noem ik je vanaf nu Steven, zodat er verwarring blijft over je achternaam. Steven Paeshuyse. Haha, nee, grapje.

Ik heb je posterontwerp bekeken voor de dichtersavond. Niet om kinderachtig te doen, maar het is belachelijk dat mijn naam op dezelfde lettergrootte staat als de andere optredende artiesten. Ten eerste ben ik de enige buitenlander en dus speciaal. Ik heb keihard geploeterd om in het buitenland geboren te worden. Daar wens ik toch wel wat erkenning voor te hebben. Er wordt in jouw land veel te weinig benadrukt dat buitenlanders als ik uit het buitenland komen. Sowieso is daarnaast mijn naam korter, dus enkel door de toevoeging “(NL)” kom ik nu ongeveer aan dezelfde ‘lengte’ als de rest.

Ik hoor je al denken: het is niet de lengte die er toe doet. Dat zegt jouw vriendin zeker ook ? Natuurlijk doet die er wel toe. Gekke Steven. Ze zegt dat enkel om je fragiele ego te beschermen, Steven. Als je me niet gelooft, moet je maar eens wat aandringen. Dan zal ze heus wel schoorvoetend zeggen dat een beetje méér best zou mogen. Maar dat je bijvoorbeeld zo’n ontzettend lieve oorlel hebt, en dat dat ook wat waard is. Met een aai over je krullebol.

Maar ik ben natuurlijk wel superveel beter dan die anderen. Ik heb al acht boeken uitgebracht. Ácht ! En ze zijn allemaal geweldig. Dat weet jij ook. Gisteren nog kreeg ik een grote bestelling van de Tilburgse Universiteit: ze willen al mijn boeken opnemen in de Brabantse Collectie. Kwade tongen riepen daarna onmiddellijk dat zij alle boeken opkopen die ook maar een beetje een connectie hebben met Brabant, maar daar heb ik niet naar geluisterd. Ze kwamen niet voor niets bij mij uit: ik ben verdomme een levende legende.

Mijn optredens worden internationaal besproken en er zijn spectaculaire beelden van online. De rest van je line-up zijn zeker van die mannen die met een T-shirt en een colbertje en een spijkerbroek, hakkelend wat speelse versjes komen oplezen van een geprint velletje papier. Bij mijn performances worden normaal gezien in programmaboekjes gezondheidswaarschuwingen afgedrukt. Niet geschikt voor al te tere zielen, mensen met een zwak hart, en vrouwen die hun libido niet onder controle kunnen houden.

Ik hoop dat er nog wat aan gedaan kan worden. Ik ben al tevreden als mijn naam ongeveer 130% de grootte heeft van de overige namen. Het hoeft niet té flashy. Als ik echter constateer, over drie weken, dat mijn naam verhoudingsgewijs de huidige grootte heeft behouden, dan sta ik niet in voor de risico’s. Dan ga ik ook gewoon daar staan, in een T-shirtje met een spijkerbroek en colbert. En een printje. Beetje hakkelen. Op melige, korte versjes. Als het zo moet, Steven. Als het zo moet.

Je René

Nights In Black Cotton XXX

empty_dvd_coverMijn videotheekmeneer was eerst áán, en toen op de fles. Toen is-ie doorgestart, over de kop gegaan, en met het geld gevlucht. Ik vind het niet erg, want daardoor verdwijnt mijn boete. Nu zit er een nieuwe videotheekmeneer, eentje die van kansen droomt in een land dat van oorsprong niet het zijne is. Hij groet me enorm vriendelijk als ik binnenloop en ik ben telkens bang dat hij achter me aan gaat lopen om te vragen of hij me kan helpen. Zo onopvallend mogelijk loop ik langs de rekken richtig het deel van de zaak waar gordijntjes hangen.

Ik heb immers een gezonde culturele interesse en het is maandag. Het gordijntje is veranderd, merk ik. Vroeger was het doorrookt roodbruin en pakweg protestants van dikte. Het is nu zwart en zwaar. Voorzichtig schuif ik het opzij, maar het ding is zwaar en maakt al rumoer als je er naar kijkt. Een minder man was hiervan teruggeschrokken, haastig doorgelopen naar het familierek en had met een rooie boei een animatiefilm voor de kids gehuurd. Ik heb gelukkig geen schaamte en loop door.

Verschrikkelijk ! Mijn oude, vertrouwde volwassenenhoekje is inktzwart geworden. Van de doosjes zijn alle hoesjes verwijderd. Verbaasd kijk ik rond, maar het is echt zo: enkel zwarte doosjes. Nieuw beleid, vermoedelijk, maar zo is het verrekkes moeilijk kiezen ineens. Waar eerst hondderdduizenden borsten en blonde pruiken me toelachten, zie ik nu in stemmig blinkend zwart mezelf weerspiegeld. Mijn gezicht kijkt geschrokken. What. The. Fuck. Is. This. Shit.

Ik trek enkele doosjes uit de kast. Op de voorkaft staat, met etiketsticker, de titel aangegeven. Oké, dat is toch iets. Maar opgewonden word ik er niet van. En informatief is ook anders. Ik pak de meestbelovende film Nights In Black Cotton XXX mee. De vriendelijk lachende man geeft mij een olijke knipoog als hij de dvd in het doosje doet. Tot snel, zegt hij, op een licht geheimzinnige toon.

Thuis wacht een enorme desillusie. De film blijkt een volledig gesluierde en in doeken geklede vrouw te volgen. Eerst over straat, tot ze haar voordeur dicht doet. Even springt mijn hart op van verwachting, wanneer ze haar sluier af lijkt te doen. Zit er potdorie een sluier ónder. We zien haar avondeten met een sluier om (wat overigens een prestatie blijkt te zijn, én niet geheel onpraktisch). Na een nogal vervelend kwartier volgt er nóg een hoopsprongetje wanneer ze naar bed lijkt te gaan.

De vrouw kleedt zich om achter een scherm. De sluier en andere doeken worden er overheen gezwaaid. Kom maar op, denk ik nog, met die Nights In Black Cotton. Onwillekeurig neurie ik het hoogtepunt van het verwante muzieknummer van The Moody Blues. Ja, daar komt ze achter het scherm uit, in ! … een pyjamaburka. Je ziet enkel haar ogen. Ze bidt eerst netjes. Vervolgens kruipt ze kuis en in haar eentje onder de dekens. Het licht gaat uit. Je ziet nog net het bed, met een zwarte massa er in.

Ik spoel een stukje vooruit. Het kan toch niet dat dit het is. Bed, zwart. Bed, zwart. Bed, zwart. Even afspelen. Wie weet doet ze nu stiekem stoute dingen onder de dekens en horen we nog wat.

Nee hoor. Ze snurkt.

A.L.Snijdersprijs, helaas niet op de longlist

A.L.SnijdersDe jury van de A.L.Snijdersprijs 2014 heeft geen van mijn beide ingezonden verhalen geselecteerd voor de longlist (de eerste selectie). Ik kan wellicht nog per ongeluk de publieksprijs winnen, met mijn twee verhaaltjes temidden van pakweg 1200 andere. Ach, wie maak ik wat wijs: andere auteurs geven hun fans de nummers van hun verhalen door zodat ze kunnen stemmen (de inzendingen staan anoniem in één lijst onder elkaar). Ik niet. Ik hou wel van het eerlijke element dat het anoniem is. Ik ga u dan ook niet vertellen welk van de verhalen die je hier kunt lezen, van mij zijn. Kortom: ik maak helemaal geen kans. Maar ja, dat is niet nieuw. Of nee, natuurlijk bedoel ik: ik ben ontroostbaar verdrietig en het enige dat u kunt doen om de pijn te verzachten is massaal boekjes van mij aanschaffen. Snik. Snik. Neussnuit.

Dit lot is minimaal één schrijversvriend van mij ook beschoren geraakt. Een ander niet: mijn vriend Joubert Pignon staat tussen de 57 verhalen die kans maken op een positie in de shortlist. Dat gun ik hem van harte. Omdat hij toch al zo uit zijn mond stinkt. En één korter been heeft. En een bochel. En een ooglap. En altijd poep in de broek. Altijd. Poep in zijn broek.