Prozacstad 2

Gratis voorwoord (1)

Zo af en toe kan ik dat niet laten, door een boekwinkel dwalen en de kaften strelen. Ik stel me daarbij voor dat een camera mij volgt. Met messcherpe focus op mijn vingers, de miniemste huidlijntjes en oneffenheden cinematisch in beeld, de winkel onscherp in een pastelkleurige achtergrond. Al die veelkleurige kaften versmolten met elkaar in bonte vlekken.

Alleen dát beeld al. Eindelijk al dat kleurgeweld verzacht, onschadelijk gemaakt. Wie ooit een burn-out heeft gehad, weet hoe luid de visuele schreeuwen kunnen zijn. Als je geen filter meer hebt. En alles rechtstreeks op je netvlies, in je kop belandt. Vormgevers mogen zich daar best wat meer bewust van zijn. Boekverkopers trouwens ook. Wat is er mis met de boeken op kleur ordenen ? Het boek dat we zoeken, vinden, lukt toch zelden of nooit. Bijna altijd moet je alsnog even schuchter een medewerker benaderen met je storende en ongetwijfeld domme vraag.
Lees meer

De stille luidernis

Met mijn nagel kras ik over de laag. Hij is nog altijd hard. Ik wacht nog even en staar in de ogen van de man aan de andere zijde. Koud staart hij terug.
Hoe lang geleden heeft hij mij hier gevangen ? Ik ben gekmakend gewend geraakt aan mijn gevangenis. En altijd die kille staar aan de andere zijde. Zodra ik zelf kijk. Staart hij terug. Hoe weet hij het steeds ? Moet hij nooit eens naar de wc ? Op bezoek bij zijn moeder ? De was doen ? Lees meer

Artiesten

Ik woon in een wijk waar veel artiesten zeggen graag te wonen. Net als hen woon ik hier vooral omdat mijn woning in deze wijk wel betaalbaar is. De artiesten in mijn wijk zeggen de wijk de leukste wijk van de stad te vinden. Wanneer de artiesten hun huis moeten verlaten en in een andere wijk gaan wonen, is dat de leukste wijk van de stad. Ik durf ‘s avonds in bijna heel mijn wijk alleen over straat te lopen en dat is ook al heel wat.
Lees meer

Catsitter

De catsitter mompelt dat hij het woord catsitter maar een raar woord vindt. De catsitter zou de catsitter niet zijn als ik geen catsitter nodig had. De catsitter is veel in Gent, ik ben minder in Gent, mijn kat is constant in Gent. De catsitter rolt een sjekkie en likt zijn vloei. De catsitter drinkt mijn bier op. De catsitter legt zijn voeten op mijn woonkamertafel. De catsitter snuffelt tussen mijn films. De catsitter eet mijn fruit. De catsitter veegt zijn voeten nooit. De catsitter schept soms de kattebak leeg met mijn spatel, ontdek ik wanneer ik mij een ei wil bakken. De catsitter heeft de tray van het bier leeg op tafel achtergelaten als sein dat er boodschappen gedaan moeten worden. De catsitter heeft enkele van mijn boeken op straat verkocht maar betaalt me volgende week terug. De catsitter heeft iets onbestemds tegen het plafon geplakt en het valt nog altijd niet naar beneden. De catsitter wil nog wel eens in een existentiële crisis zitten op het toilet. De catsitter schreeuwt op zondag teksten van obscure Duitsche schlagers. De catsitter staat eigenlijk liever. De catsitter spreekt altijd de naam van mijn kat verkeerd uit. De catsitter luistert met een half oor terwijl hij naar zijn telefoon staart. De catsitter hoor je van heel ver aankomen. Ik vertel de catsitter dat ik Wim Paeshuyse wel eens een verhaal heb horen vertellen waarvan elke zin steeds hetzelfde begint. Ook vertel ik dat dat verhaal ooit Joubert Pignon heeft doen opstaan, naar zijn kast lopen, een boek pakken, bladeren, en een verhaal voor te lezen waarvan elke zin steeds hetzelfde begint, waarna Joubert Pignon demonstratief het boek open op tafel voor mijn neus neerlegde. De catsitter zegt dat hij nooit een boek leest. Mijn kat is al dagen kwijt.
Lees meer

Sneller

Haar ooghoeken zijn licht met roervocht aan het glinsteren wanneer ze mij haar collectie toont. “Deze is van zomer 2003,” herinnert ze zich nog goed. “Het was nipt, zelfs bijna niet gered, maar ik wist toch nog net vóór die man in de rij te belanden. En hij me toch een partij boos in de handvaten van zijn rollator knijpen, joh ! Ja, een mooie dag was dat.” Ze blaast er voorzichtig een dun laagje stof af. “Let alsjeblieft niet op de rotzooi hier, ik kom te weinig aan schoonmaken toe.”
Lees meer

Geiten

Het is feest in Prozacstad en dat mag gevierd worden vinden de mensen. Ze staan in een dikke drom voor het doorkniplint de burgemeester aan te gapen. De burgemeester praat lang en vooral onverstaanbaar. De reusachtige dure speakers aan zijn weerszijden galmen dwars door elkaar heen. De mensen trappelen stilletjes en hopen dat hij snel de ceremoniële schaar zal pakken. Zodra het lint officiëel twee linten is gemaakt, stroomt de drom mensen toe. Ze moeten de winkel binnen.

In de reusachtige winkel verkoopt men vlees, in alle soorten en maten die je in de andere grotere steden ook vindt. Eindelijk, nu ook thuis verkrijgbaar, verzucht de drom. Een oudere man met droevig gelaat staat achterin de drom maar houdt zijn mond. Hij heeft geleerd enkel in stilte nog aan zijn winkeltje te denken dat tegen de vlakte moest. Hij verkocht ambachtelijke lariekoek. De laatste lariekoekbakker van het land. Maar de tijden zijn veranderd en de mensen kopen geen lariekoek meer. Zijn droom is verkruimeld en overwalst.
Lees meer

Vaatwasser

Mijn baas staat aan mijn bureau en zegt dat ik al mijn werkzaamheden moet staken want er is een dringende kwestie. Hij zegt dat ik een handleiding moet schrijven. Sinds hij weet dat ik op internet verhaaltjes en gedichten schrijf komt elk regeltje tekst dat bij mijn werk geschreven moet worden, uit mijn toetsenbord. Mijn baas zegt dat ik mee moet komen. Hij neemt me de bedrijfskantine in en wijst naar het aanrecht. Boven de vaatwasser staat een berg vieze kopjes en bordjes. Plastic lepeltjes, broodmessen, longdrinkglazen met onbestemde substanties langs de randen. Ik kijk mijn baas aan. Hij opent de vaatwasser en wijst. Ik kijk. De vaatwasser bevat drie borden en één koffiekopje. Zichtbaar vies. Ik kijk opnieuw naar mijn baas. Hij zegt dat het personeel niet met de vaatwasser om kan gaan. Omdat hij altijd als laatste naar huis gaat moet hij steeds de vaatwasser inruimen. Hij wil dat ik een handleiding maak zodat iedereen weet dat de vuile vaat niet boven, maar in de vaatwasser moet.
Lees meer

Bookleg

Op het terras vraagt een wildvreemde man of ik zijn boek wil signeren. Ik ken de man niet en verkoop al mijn boekjes zelf, behalve mijn debuut dat wél goed verkocht. Ook sta ik in wat bloemlezingen, dus het kan, dat ik de man niet ken. Ik zeg goed.
Hij geeft me een boek aan dat dezelfde titel draagt als mijn laatste prozabundel. Maar in sierlijk dameshandschrift op de kaft geschreven met eronder een streep en dan mijn naam. Het handschrift oogt herkenbaar. Verwonderd keer ik het boek om. Er staat een foto afgebeeld van mij als klein kind, in zwembroek, in een rare houding. Ik herken de foto: ik deed of ik een postmodern kunstwerk was.
Lees meer

Jaja buurman

Vanuit zijn ooghoek zag God hem komen en vloekte binnensmonds. Kauwend op zijn sigaar leunde de buurman op het tuinhekje dat zijn domein van dat van God scheidde. “Jaja buurman,” sprak hij op een vlakke toon, als iemand die nergens ooit haast bij had. “Universum aan het bouwen ?” Hij wees met zijn bruine sigarenvingers naar de hemel en aarde die God aan het scheppen was.

God veegde het zweet van zijn voorhoofd. Waarom was het ook zo héét vandaag, verdomme. En moet die rotkerel nu net weer buiten komen staan te roken ? Het schoot al niet op met dat universum, dat hielp ook niet. De andere Goden in zijn straat deden het er zo makkelijk uitzien. Schroefje hier, klikje daar, hoppa, weer een universum af. Maar God zat altijd een tijd aan te prutsen. De sigarenrook prikte in zijn ogen.
Lees meer