Op het terras vraagt een wildvreemde man of ik zijn boek wil signeren. Ik ken de man niet en verkoop al mijn boekjes zelf, behalve mijn debuut dat wél goed verkocht. Ook sta ik in wat bloemlezingen, dus het kan, dat ik de man niet ken. Ik zeg goed.
Hij geeft me een boek aan dat dezelfde titel draagt als mijn laatste prozabundel. Maar in sierlijk dameshandschrift op de kaft geschreven met eronder een streep en dan mijn naam. Het handschrift oogt herkenbaar. Verwonderd keer ik het boek om. Er staat een foto afgebeeld van mij als klein kind, in zwembroek, in een rare houding. Ik herken de foto: ik deed of ik een postmodern kunstwerk was.
Thuis bel ik mijn moeder. Ze geeft toe dat de bookleg van haar is. Ze zegt dat ze trots iedereen mijn verhalenbundel liet lezen maar dat hij daarvan uit elkaar begon te vallen. Dus dat ze toen kopietjes heeft gemaakt maar dat de kaft wat moeilijk was. Dus had ze die zelf gemaakt. Ze zei dat ik alles ook gratis laat lezen via mijn website. En dat ze zo hoopte me zoveel mogelijk lezers te bezorgen.
Ik zeg dat ze gelijk heeft en dat ik van haar houd. Ja ik kom snel op bezoek. Ik hang op en kauw wat op het stuk beschuit dat ik in het park vond.
Dit ZKV verscheen in
“Prozacstad 2: Het houdt niet op”
Tien jaar na het eerste deel van Prozacstad, dat niet speciaal supergoed verkocht en geen rimpels veroorzaakte, vond René van Densen het ineens nodig om een vervolg te publiceren, en er zelfs twee keer zoveel verhalen in te steken. Niemand vroeg daarom, het kwam er toch. Nieuwe avonturen met de Opperpater en andere kleurrijke karakters in het stadje Prozacstad dat eerder een way of life is (alhoewel) dan een fysieke plaats.

