Terug in Tillywood

Ik sta sinds deze week in een glossy. Met een column. De glossy heet Tillywood en de kaft lijkt een beetje op die hiernaast. Als u dat blad dus ergens ziet liggen (meest waarschijnlijk: in Tilburg) dan blader het eens door tot u mijn smoelwerk ziet. Het ‘stukje’ is, zo heb ik gehoord, ‘leuk’. Of ‘leuk, hoor’, was een andere stevige recensie.

Ik hoor sommige lezers denken: Tillywood, Tillywood, waar ken ik die naam toch ook weer van ? Ja, klopt: daar stond ik al in. Maar dat was een ander Tillywood, onder ander leidersschap. Omstreeks 2006 of 2007 schreef ik een reeks columns voor het toenmalige Tillywood. Ik was toen Nachtburgemeester van Tilburg. De toenmalige uitgeefster van dat blad, Angela Henkelman, gaf ook mijn debuut uit. Je moet maar durven, een paar pallets bestellen van het eerste boek van een relatief onbekende jongen. En dat het boek dan ook nog eens Tilburg: De Anus van Nederland heet. Maar dat waren dus andere tijden.

Dit is het Tillywood van nu. En dit is mijn column van nu. Voor mensen die niet naar Tilburg kunnen of willen komen: naar het schijnt komt het blad ergens deze week ook gratis online via hun site. Dan kunt het ook gewoon lezen. Is natuurlijk wel iets minder glossy.

Dat je leeft

Er waren tijden dat ik nu zou denken dat ik leef. Dat het door mijn kop zou schieten. “Zie je wel,” zou ik denken, “ik lééf, verdomme !” Misschien waren die tijden er nooit écht, maar in mijn herinnering waren ze er. Dat ik, zoals nu, gehurkt, draden uit mijn mond, proestend en hoestend boven de WC-bril, vervuld kon raken van de zin van het bestaan.

Nu niet. Op dit moment wil ik enkel slapen. En daar komt godver alwéér een golf aan, voel ik, en ik zet me schrap. Jawel: nog een stuk avondmaaltijd perst zich antiperistaltisch een baan mijn lijf uit. Kutzooi, is het enige dat ik denk. En dat het verdomme lang duurt. Mijn hele nacht is al zo goed als naar de klote.
Lees meer

Treinvriendjes

In de eerste baan die ik, op een onverstandig moment, ‘serieus’ noemde, had ik een collega die elke dag dezelfde man tegenkwam. Hij heen, de ander weer. Ze zwaaiden en zeiden hoi. Elke ochtend: “Hoi.” Meer niet. Ze wisten elkaars naam niet, waar de ander heen ging, niets. En ze groetten elkaar zo al ruim vijf jaar. Mijn collega legde eens uit: “Dat is mijn hoi-kennis.”

Ik werk inmiddels weer in dezelfde stad als waar dit plaatsvond. Ik wil ook een hoi-kennis. Maar daarvoor is alles nog te pril, blijkbaar. Wel heb ik twee treinvriendjes. Die moeten ook, op ongeveer dezelfde tijdstippen als ik, van dezelfde stad vertrekken en in dezelfde stad uitstappen.
Lees meer

Vluchten

Door mijn vingers kijk ik toe, vanaf de bar. Wat verschrikkelijk: ook déze act is bizar goed. Ik voel paniek. De ene na de andere performance is geweldig en ik moet helemaal op het eind nog. Waarom zeg ik altijd ja op deze dingen ? Ik giet mijn biertje in mijn keel en wil weg, weg.

De bus naar huis rijdt niet meer. Dus dat is alvast niet handig. Ik wenk de barman om me nog maar een biertje te geven. De trein, dat zou nog kunnen. De trein naar die andere stad, dan toch. Naar mijn eigenlijke thuis. Maar bovenal: weg hier, wég. Een volgende dichter treedt op en ik luister. En jawel hoor: ook alweer goed. Godverdomme.
Lees meer

Zenuwen

De Opperpater kijkt voor zich uit, naar de TV. Met een blik waarvan je je moet afvragen hoeveel hij registreert. In een stabiel tempo drinkt hij zijn halveliter bier leeg en rookt hij zijn sigaret. Blik aan lippen, filter aan lippen. En nog eens. Zoals een ander gewichtheft. Of de Vierdaagse loopt. Links, rechts, links, rechts.

Dan zwaait zijn oog naar zijn linker ooghoek. Rechtstreeks kijkt de Opperpater mij aan. Ik zit te staren en ben betrapt. Hij kijkt als een wild dier. Een wild dier dat nog niet zeker weet of je prooi, vriend of bedreiging bent. Een instinctieve respons. Hij draait zijn hoofd nog niet, maar hij heeft gezien dat ik zit te kijken. Als ik blijf kijken, zal hij zijn hoofd wel draaien en er iets van zeggen.
Lees meer