Vliegen


Verhaal door René van DensenMijn vliegenmeppers zijn fluokleurig. Zo hebben de vliegen een eerlijke kans op leven. Ze zouden bijvoorbeeld de mepper kunnen zien en weg kunnen blijven van mij. Dat is al met al niet te moeilijk. Ik lig al dagen moe op de zetel, dus zolang ze die vermijden komt alles misschien nog goed.

De vliegen zijn onverstandig. Ze verstoren mijn zwartgalligheid. Ik heb de deur opengezet zodat de kat naar buiten kan, de zon in, en na amper een minuut zijn de vliegen al binnen. Ik weet niet wat de vliegen hier komen doen, mijn woning is proper en er ligt ook op mijn koer niets te rotten. Misschien ligt het aan mij en ruik ik heel erg lekker. De kat is niet naar buiten en heeft zich zelfs onder mijn bankslaapzak genesteld. Ze kan heel goed vliegen vangen maar nu even niet.

De grotere vliegen zijn het irritantst. Ze blijven over mijn hoofd roetsjen met luid vettig gezoem en halen mij uit mijn lome duister. Ik weet niet meer hoe ik verder wil. Nog eens een nieuwe baan. Nog eens alle bureaucratische ellende. Nog eens een nieuwe liefde. Het is maar goed dat de dood een zekerheid is, anders was het een gat in de markt.

Als ik de vliegenmepper in de lucht hou, blijven de vliegen even weg. Maar zo kan ik niet blijven zitten. Ik wil mijn boek lezen. En stomme dingen op internet bekijken. Eigenlijk wil ik die beide dingen ook niet maar het is beter dan een vliegenmepper in de lucht houden. En enkel de vetzakken blijven weg, de brutale kleinere vliegen trekken zich er minder van aan.

Ik sta liever niet op. Al dagen sla ik vliegen uit hun vlucht. Woesj, tak pts. En daar liggen ze dan, kwetsbaar op hun zij, pootje nog traag nabewegend. Soms zijn ze maar bewusteloos en gaan ze even later voorzichtig weer kruipen. Ik wil ze dan redden door ze buiten te zetten. De vliegen werken niet mee. Als ik dan met de vliegenmepper hen stukje bij beetje naar buiten duw, beschadig ik vermoedelijk hun vleugels.

De vliegen zijn welbeschouwd ten dode opgeschreven als ze bij mij binnenvliegen. Toch blijven ze komen. Ik blijf maar stofzuigen. En dan weer moe op de bank liggen. Ik luister: er zijn alweer minstens vijf vliegen binnen. Nog één dan. Bij zes. Bij zes ga ik opstaan en op vliegenjacht. En dan maar weer een thee. Stapje voor stapje dichter naar een definitieve dood.

Episch

EPISCH / Het episch verhaal / van jou en mij: / We waren ooit samen / maar dat is voorbij.

Americana First


Verhaal door René van DensenHet was de voetbalwedstrijd, vreemd genoeg. Want toen ik de saloon binnenliep, was er niets te doen. Één van de serveersters onderhandelde met de ander wie er naar huis mocht. Maar de kok kwam steeds enthousiast uit de keuken om de match te volgen en hoopte vol passie op penalty’s. Amusant genoeg om er toch maar een cider te drinken. Ik hoefde nog niet naar huis, dus och. Niet dat de wedstrijd spannend was. Penalties, inderdaad. Maar de kok kwam er speciaal levendig naar kijken en we vermaakten ons wel. In het soort dive bar waar je zou willen dat Christophe Vekeman was meegereisd. Er was zelfs een band bezig met de opbouw.

Ik schatte de dame die naast me buiten kwam roken op een onschatbare leeftijd. Ze verontschuldigde zich dat ze normaal gezien niet rookte. Ik zei dat ik normaal gezien wel rookte. Ze sprak van de road trip die ze de afgelopen week met een roker had gemaakt. Dat had haar terug aan de saffies gebracht. Maar ook een epiphany. Als singer-songwriter – mijn goede vriendin zou later bij het verhaal schimpen dat hier iedereen singer-songwriter is – had ze honderd-, nee, vijfduizend-, nee, zei ze, het aantal was uiteindelijk niet belangrijk, liedjes geschreven, en nu zag ze een groot totaalverhaal voor zich door de reis dat alles met elkaar verbond. Ze ging alles aan elkaar schrijven als een film, of een miniserie. En die zou ze wel even aan Netflix gaan verkopen en ze zou miljoenen gaan verdienen, dat wist ze zeker. De tekenen waren er, let maar op. Ze stak nog een sigaret aan en ik vermaakte me genoeg om er ook nog een op te steken.

Alles in de directe omgeving ging naar de kloten, wist ze. Het is hier niet zoals in Europa, stelde ze, sowieso terecht. Ze hebben hier geen oude gebouwen, geen echte wortels, dus ze halen alles steeds maar weer plat om er andere dingen neer te zetten. Er waren teveel tech companies en hipsters en zo verdween alles wat echt was. Alles werd maar Americana. Maar genoeg daarover. Haar film of miniserie. Die zou niet gericht zijn op volwassenen maar the kids. Want het zou zo te horen over álles gaan, autisme, trauma, verkrachting, zelfmoord, ze zou the kids duidelijk maken dat all that shit happens in life en hoe je ermee om zou kunnen gaan. En van de miljoenen die ze ermee zou verdienen zou ze al haar deadbeat artist music friends in elke stad waar ze er kende, een paar duizend dollar geven en hen opdragen iets voor een veteraan te doen. Ik vond het een nobel verhaal.

Ondertussen was de band binnen klaar met soudchecken en begon te spelen. Ik maakte mijn derde sigaret uit en gaf aan dat ik naar mijn biertje terug wou. Ze schudde mijn hand, so nice to meet you en informeerde wat mijn naam ook alweer was die ik nog niet had genoemd. Ik zei mijn naam, ze verschoot. Well, very nice to meet you, René, my name is Renée, lachte ze. Om eraan toe te voegen: Renée First. Remember that name !

Saniteren


Verhaal door René van DensenIk ben ergens waar ik normaal niet ben. De mensen hier doen dingen heel anders. Zo hebben ze rubber handschoenen aan om je geld aan te nemen en wisselgeld terug te geven. De mensen die een belegd broodje voor je bereiden moeten eerst de handschoenen van het vorige broodje weggooien. Overal staan pompflesjes met watervrije saniteerzeep die je dient te gebruiken. En het bestek bij een maaltijd komt in een speciale papieren zak die meldt dat het bestek gesaniteerd is voor jouw veiligheid. Ook voor jouw veiligheid staan achterop de gebeden van verschillende geloven vermeld. Ik zie het nut er wel van in. Als je in gelovig gezelschap bent en de eer krijgt om het gebed voor te gaan kun je op je bestek spieken. Ideaal.

De straten zijn hier ook opvallend schoon. Op de plek waar ik normaal wel ben liggen de bermen en straten vol met zwerfvuil. Hier bijna niets. Er rijden overal auto’s af en die moeten toch af en toe vast wel eens asociaal iets uit hun raam gooien. Maar bijna niets. Ik slenter over straat en kijk goed rond. Op elke straat staan bordjes dat mensen de straten kunnen adopteren. Dat zal het zijn. Dat adopteren zal wel betekenen dat ze actief die straat schoonhouden. Er rijden ook veel elektrische auto’s. Ze maken een namaakgeluid alsof ze een benzinemotor hebben, zodat je ze hoort aankomen. Het amuseert me wel.

Het is bewolkt en een beetje benauwd. Ik zweet heel erg en veeg even mijn voorhoofd. Druppels vallen op het voetpad. Ineens word ik in mijn zij vastgegrepen en opgetild. Voor ik het weet ben ik in een donkere ruimte gezwaaid. Een motor start en de ruimte trilt. Ik kijk verbaasd om me heen maar zie niet veel. Dan kijk ik omhoog. Er hangt een enorme handpomp met watervrije saniteerzeep boven me. Terwijl de blauwige, onnatuurlijk geurende derrie me bedekt denk ik, ik snap het wel. Soms kun je mij ook beter even saniteren.