Ik werk bij een importeur-exporteur van eierdozen. Wie een pallet eierdozen bij ons afneemt, krijgt een speelgoedmotor, is de nieuwe promotie. Geen motor die speelgoed aandrijft, maar een vroemvroem motor nagemaakt als speelgoed. Een plastic prul met twee wieltjes dus. Wat de connectie is tussen eierdozen en motoren, ontgaat ons ook. Maar de baas heeft een exemplaar van de speelgoedmotoren gestolen en nu zijn de poppen aan het dansen.
Hij kruipt overal over de vloer achter de motor aan, op ellebogen en knieën. Vroemvroem, pruttelt hij met de motor in zijn hand. Vroemvroem, terwijl die door de gang, de trapleuning af, het magazijn door vroemvroemt. Zijn broek en overhemd zien er niet uit maar hij kruipt urenlang door het hele bedrijf. We weten wel telkens waar hij is, dat wel. Volg de vroemvroem.
Oh nee, hij heeft ergens een pot brillantine gevonden en zijn haar in een kuif gevet. Here comes the Fonz, roept hij luid. Vroemvroem, eeeeeeeejj ! Hij laat iedereen naar het magazijn roepen terwijl hij daar in strakke blauwe jeans en een leren jas rondloopt. En een wit T-shirt dat hij in de kleedkamer vond. Met papier en merkstift heeft hij een zonnebril gemaakt met kleine gaatjes om door te kijken. Eeeeeeeejj ! roept hij met de motor in zijn handjes.
Het voltallige personeel moet op de rug in een rij gaan liggen. Met archiefmappen heeft hij een schans gemaakt aan beide kanten, en daar gaat hij, van twintig meter af. Vroeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeee – nu in een hogere toon omdat hij via de schans over ons gelanceerd wordt – oeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeee – en nu weer in een lage, abrupte toon omdat hij landt en met een grote bocht trots nabrult – oooeeeeemmmmmmmm !
Eigenlijk vindt heel het personeel dat dit bedrijf zijn beste tijd heeft gehad, maar dan zien we hem een plastic haai opblazen.

