“De jouwe zijn echt bloedmooi,” zegt ze. Ik kijk naar de schelpjes in mijn hand en probeer te zien wat zij ziet. Het zijn schelpjes. Ik pakte een handvol uit verveling, vooral. De andere schelpjes knesperen onder mijn grote lompe voeten. Zij blijft schelpjes uit het zand opvissen die ze op een of andere manier van ver al zag.
Ik bewonder stilletjes haar enthousiasme. Dat klinkt klinisch. Opnieuw. Ik word warm van binnen van haar blijdschap over de schelpjes. Ik kijk wat rond. Misschien was ik te vaak op dit schelpenstrand. Ik zie het niet meer. Ik weet gewoon waar alles is. Aan het ruisen van de zee weet ik wanneer mijn voeten nat gaan worden. De winkeltjes langs de kade ken ik allemaal van binnen en buiten. De eetkraampjes ook.
Zelfs de meeuwen lijken me wat blasé te begroeten. Haar volgen ze nauwlettend. Ik begrijp dat want ik ook. Ik kijk nog eens naar de schelpjes in mijn hand. Met haar blik zien ze er inderdaad mooier uit. Ik schik ze een beetje en zie een opvallende schakering ontstaan. Ze zag het beter dan ik. Af en toe denk ik dat ze alles beter ziet dan ik.
In mijn eigen gedachten verzonken knerps ik wat verder. Sommige schelpen klinken luid, waren waarschijnlijk groot. Sorry schelpen. Ik word dik op mijn leeftijd. Of eigenlijk ben ik alweer wat afgevallen, schijnbaar, maar dat maakt me nog altijd niet terug slank. Schuld van de pilletjes, denk ik stilletjes. De zee ruist stil het liedje in mijn hoofd mee. Mijn oogleden sluiten. De kleur is rood. Roodbruin ? Zwart kun je dit niet noemen. Nog nooit was het zwart als mijn oogleden sluiten. Leer mij zwart kennen, dit is niet zwart.
Dan blijkt dat ik te snel doorliep. Ze zegt dat ze niet zo snel kan, dat ze al haar best doet mij bij te benen. Ik wacht wat, kijk hoe ze andere schelpjes raapt. De schelpjes zijn niet belangrijk meer. Dat ze hier bij mij is, is uniek. Ik probeer het vast te houden. Kon dit moment maar blijven duren. Kon dit moment maar blijven duren. Kon dit moment maar blijven duren. De zee spoelt over mijn tenen en pakt enkele schelpjes mee.

