Putjes
De putjesschepper
Wordt aanbeden
Door kuilen
Die onuitputtend
Hoop putten
Om bergen te verzetten
Om nooit in de put te zitten
Om diepgravende inzichten
Om wat water
Om de snakkende ziel
Mee te laven
Lees meer
De putjesschepper
Wordt aanbeden
Door kuilen
Die onuitputtend
Hoop putten
Om bergen te verzetten
Om nooit in de put te zitten
Om diepgravende inzichten
Om wat water
Om de snakkende ziel
Mee te laven
Lees meer
Het is elk jaar weer raak in de plezierhaven van Prozacstad, en het gemeentebestuur is het beu. Het begint soms aan de linkerover, dan aan de rechteroever. Vroeg of laat staat er een Boze Man, en die begint te roepen. Al snel staat er aan de overzijde een Boze Overzijdeman, ook te roepen.
Lees meer
Meestal blijf ik er ver bij weg, maar zo af en toe, wellicht uit masochistische neigingen, moet ik toch een blik in de beerput werpen. Het is een fascinerend verschijnsel, zo’n beerput. De lucht alleen al die in je gezicht slaat, is nergens mee te vergelijken. Heel warm, vooral. Je huid tintelt. Toch voelt iedere laatste porie dat dit geen gezonde zeebries is.
In de beerput spartelen mensen. Ooit heb ik me wel eens afgevraagd of ik de mensen uit de beerput moest helpen. Maar de mensen zijn graag in de beerput. De beerput is hun hele leven. Ze gooien handenvol stront naar elkaar, en heffen daarna wanhopig hun armen ten hemel en roepen op hoge toon dat iedereen hén moet hebben. En dan pakken ze weer wat stront en wordt er nog een keer gegooid.
Lees meer
Mijn terrastafelgenoot denkt even na. “Ik noem het dan wel vakantie,” zegt hij, zijn woorden zorgvuldig wegend, “maar in feite heb ik die tijd ook niet verspild of zo.” Vervolgens weidt hij honderduit over cursussen die hij gevolgd heeft, boeken die hij gelezen heeft, onderwerpen waar hij zich gigantisch in verdiept heeft. En ik luister, en bedenk me dat ik met mijn ‘vakantie’ eigenlijk helemaal niet zoveel gedaan heb.
Lees meer
Ik zou best een rapper willen zijn in een puriteins land. Amerika of zo. Waar ze piepjes of stiltes inlassen wanneer je woorden zegt die je niet hoort te zeggen. Alsof er woorden bestaan die je niet hoort te zeggen. Maar sommige woorden dienen blijkbaar vooral niet gehoord te worden. En daarom mag je ze niet zeggen.
Lees meer
Het is superirritant, want nog altijd niet voorbij: ik ben een burnout. Of héb ik een burnout ? De literatuur over mijn ziekte – want dat schijnt het te zijn – loopt op dat punt nogal uiteen.
Héb ik een burnout ? Ja, zo ver ben ik nu wel. Na de ellende in het begin die me keihard met de neus op de feiten drukte. Het is verschrikkelijk om te hebben, want je hoort er schamper over te doen. ‘Van een beetje stress is nog niemand kapot gegaan,’ hoor ik mezelf meermalen in mijn leven denken en zeggen. Daar leefde ik ook naar. Ik ben een kind van mijn wereld.
Je kunt het ook niet zien. Ik loop, ik praat, ik fiets. Een tijdje terug werkte ik ook weer. Het ging niet van harte, en mijn energiepeil van vroeger komt wellicht nooit meer terug. Maar men ziet mij lopen, praten, fietsen, werken. Dus ik ben niet ziek. Men ziet niet hoe ik daarna kapót op de bank lig en minimaal een paar uur echt niets meer kan doen.
Lees meer
De ochtenden zijn het ergst. Vanuit een vredige droom word je gewekt door een dwars miauwende poes die iets wil. Wát, is niet eens direct helder. Ze duwt haar neus -boenk- in je gezicht en miauwt nog eens. Dan maakt ze een gravende beweging waar je deken en je lijf bijeen komen.
Je tilt de deken op om te zien of ze erbij wil kruipen. Dat was het. Eventjes toch. Ze gaat spinnend tegen je aan liggen maar is binnen een halve minuut weer weg. En dan weer terug. Natuurlijk is dit de dagelijkse dans: ze wil naar buiten. Maar je bent nog niet klaar voor buiten. Je zit nog binnen. Heel erg binnen. Met een wild uitwaaierende bos sprieten op je bol.
Lees meer
De Opperpater drinkt uit zijn blik. “Ik ben verliefd, knikker,” stelt hij. Ik hef mijn eigen blik en feliciteer hem. “Ja, knikker,” zegt hij en drinkt. “Ze eet elke dag bij het minima-restaurant.”
Ik laat de Opperpater graag praten. Bij de Opperpater is het nooit nodig om te vragen om informatie, die komt er vroeg of laat wel uit. “Ze is vierenzeventig, knikker,” vult hij direct aan. Ik ben een tikje verbaasd. Niet dat de beschrijvingen van de andere vriendinnen van de Opperpater verrassende topmodellen schetsten, maar toch.
Lees meer
Mijn vriend de jonge schrijver had het me aangeraden. “Je doet er langer over, maar het scheelt zo tyfusveel geld, man. Je bent een dief van je portemonnee als je het niet doet. De tréin, pffff… Daar kun je echt vier keer van met de bus, geloof me.”
Dus daar sta ik, in de Lijnwinkel. Dat ik graag met de bus van Gent naar Tilburg wil reizen.
Lees meer
Het kind loopt over straat, hoewel het lopen nauw tegen huppelen aanschurkt. Het weer belooft een mooie toekomst vol vrije dagen, dus de tred is licht. Ook zijn schoenen hoeven nog niet tegen teveel tegenslag bestand te zijn. Groeit hij binnen enkele maanden weer uit, op naar een nieuwe voetmaat.
Gepiep achter hem. De tred stopt, het kind kijkt om. Een kooi op wieltjes. Het kind doet nog een stap maar blijft kijken. De kooi volgt. Bizar, besluit het kind, maar richt de blik terug vooruit. We waren onderweg naar een mooie horizon, laten we dat niet vergeten.
Lees meer