Zonnebril

Stop met uw straks
Dat strakke wanhopen
De ogen niet open
Voor je heidense nu

Weg met je later
De holle paniek
Draait je ziel ziek
Voorgewend voorwensel

Wie ben je nog straks
Zonder adem in het heden
Zagend verlaten verleden
De cirkels onrond

Spin je weefsel weg
Middel jezelf weer open
Met je dromen rondlopen
Hou toch op, hou toch op

Zet de zonnebril op.

VERZANDIGD

Ik laat ze steeds meer los, de woorden
want de honger is weg

Ik heb er zelden nog een zin in
en steek ze dan maar

In loze spinsels die verdampen
en even, heel even

Vraag ik me af of ik ze toch niet
beter opgeschreven had

Maar de zolder is vol en er past
niet eens meer een punt achter

Ze klauwen en groeien zich uit mijn kop,
mijn ogen, mijn neus uit, ad neuseum

Dus: in dozen, in zakken, prop ze in een bundel
en leer ze geduldig, later als ze groot zijn

Dat er bloemen bloeien
in de stilte.

Dooruit maar weer

Niet,
niet omkijken,
niet staren naar
toen ik nog
tweezaam was.

Smaak van
zoutpilaar in mijn
mond, gekoekt op
woorden die hun
smaken allen verloren.

Kauwen, kauwen
om het kauwen en
misschien uitspugen
of stilletjes en beschaafd
doorslikken.

Er zitten er nog
genoeg in de
verpakking van het
verschiet.

De tijd kruipt

De tijd
kruipt
als een kind
onbeholpen

Of als roep
in de woestijn
klauwend zand
zonder graven

De tijd grijpt
De tijd stort
De tijd keilt
De tijd trekt

De tijd stuit
en herbegint.

Wijsje

Mijn neus doet
een wijsje
naar de buitenwereld

en gedwee
open ik
de deur.

Buiten is alles
een beetje meer dood
dan gisteren

Regen wast,
maar spoelt de
resten van zomergenot
niet weg

En dan nog
alles, echt alles
dat ruit.

Als nu eens
uit de veren
nieuwe vogels
zouden groeien ?

In mijn gedachten
vreet het afval
al het leven kaal

En voor ik het weet
fluit ik
een wijsje.

Valse muiterij

Het is scheverende schijn en
louterende onwaarde

Praten over piraterij en
leuterend met onbewaarden

Het is verdomme
valse muiterij !

Een stil trommende munt
die niet meer klinken kan,
De man van een schaduw
van een schaduw van de man

Loop verdomme naar
het planking en vlag
de wimpel op een lap

Je onprotest is hoogst
hilarisch, je ruggegraat
een slappe grap

Voel je je aangesproken,
luister dan maar
weer eens braaf

En ééns per jaar mag u
uzelf zijn, in een gek pak,

met bier

alaaf.

Waar hoor ik

Waar hoor ik toch
dat geluid dat
een glimlach
tevoorschijn trekt

Het is zo’n onbeantwoord
onbeduidend beduid
dingesdruideltje

En hoe omschrijf je
het, is geen piep
is geen kraak, is
geen tik of bonk

’t Is geen geluid, het
is gestil, een golf waarop
ik mezelf meevoer en
niet weg, maar veranker

Waar hoor ik toch
die lokroep, die van veraf
luid als een sirene, maar
ter plekke volstrekt niet te plaatsen

Waar hoor ik dat
signaal dat mijn dromen dept,
mijn wensen wiegt en
het papier doet peinzen ?

Maar vooral ook,
waar hoor ik het? Hoor ik
het hier, hoor ik het daar,
of misleiden mij echo’s ?

Hoort het onder een letter
of onder een vlag, hoort
het te luisteren of dat
het wel mag ?

Hoort het hierbinnen
of mag het eruit ?
Uit het de slover of
fliert het een fluit ?

En zingt het soms
enkel maar voor mijn oren
of mag de hele
wereld het horen ?

Maar waar,
waar hoort het,
waar hoor ik het ?

Waar, zeg het, waar
waar hoor ik ?

Passer

Van meet af en aan
staan de meetlatten
aan de kantlijn

Ze trekken de lijntjes en
je hebt maar te passen

Tot je er een punt
pontificaal in plant
en met

een

wijde

boog

Rondjes
rond hun
hokjes
rent.

Wachten

We keken ooit

of we er dieren in zagen
in plaats van:
– Nucleaire dreiging;
– Chemtrails;
– Armageddon; of, godbetert:
– Dat het vast weer
gaat regenen.

Geduldig kijken ze toe:
– De konijnen;
– De schapen;
– De draken; en, godbetert:
– De gevleugelde eenhoorns.

Want ooit kijken we,
nog, éénmaal en vermoeid,

En herzien we ze weer.

Ze wachten wel.