Bookleg

Verhaal door René van DensenOp het terras vraagt een wildvreemde man of ik zijn boek wil signeren. Ik ken de man niet en verkoop al mijn boekjes zelf, behalve mijn debuut dat wél goed verkocht. Ook sta k in wat bloemlezingen, dus het kan, dat ik de man niet ken. Ik zeg goed.
Hij geeft me een boek aan dat dezelfde titel draagt als mijn laatste prozabundel. Maar in sierlijk dameshandschrift op de kaft geschreven met eronder een streep en dan mijn naam. Het handschrift oogt herkenbaar. Verwonderd keer ik het boek om. Er staat een foto afgebeeld van mij als klein kind, in zwembroek, in een rare houding. Ik herken de foto: ik deed of ik een postmodern kunstwerk was.
Thuis bel ik mijn moeder. Ze geeft toe dat de bookleg van haar is. Ze zegt dat ze trots iedereen mijn verhalenbundel liet lezen maar dat hij daarvan uit elkaar begon te vallen. Dus dat ze toen kopietjes heeft gemaakt maar dat de kaft wat moeilijk was. Dus had ze die zelf gemaakt. Ze zei dat ik alles ook gratis laat lezen via mijn website. En dat ze zo hoopte me zoveel mogelijk lezers te bezorgen.
Ik zeg dat ze gelijk heeft en dat ik van haar houd. Ja ik kom snel op bezoek. Ik hang op en kauw wat op het stuk beschuit dat ik in het park vond.

Het beste heden

Verhaal door René van DensenHet was een klein kind, een meisje, met spiderman schminck op haar gelaat, Vos. En ik las jouw woorden, want die lees ik altijd als mijn ziel wat zalf behoeft, en dronk een pint, zo een uit blik, maar dat geeft niet, in de trein heeft men doorgaans geen bar. Toch niet de treinen waar ik mee rijd. En hij zat stampensvol, Vos. De mensen verdrongen zich om een staanplaats in de gangen. En het meisje was haar mama kwijt en aan het wenen.

Nu zat ik, letterlijk, niet in een positie waarin het evident was om haar te helpen. Gewedged tussen volk in het uiststapdeel van de coupé en de deur van de conducteursruimte. Maar een medeslachtoffer in dat deel van de trein, een leuk meisje zelfs, ontfermde zich direct over het kind en ging mee haar mama zoeken. Ze toog achter het kind aan, de coupédrukte in. Ik benijdde haar niet, maar was lafjes opgelucht dat zich iemand over het kind ontfermde en dat ik het niet moest zijn. En ik las door. Hoe je woordelijk langs de twee rivieren in Gent flaneert met een pul bier en je verwondert over de druktemakerij. Kalm zalfde ik mijn ziel en mijn keel.

Een bizar knappe man die ook nog eens het lef had welgekleed te zijn, stond tegenover mij, en hij las de beduidend minder zalvende woorden van de krant. Iets met een dode baby en een rugzak, op de voorpagina. Je zou de krant meteen niet meer verder willen lezen als het zo al begint, maar de bizar knappe welgeklede man blijkbaar wel. Hij verdiepte zich in de zakelijke omschrijvingen van de ellende in de wereld. Beter had hij een boek van jou gelezen, Vos, maar ja, dat geldt voor iedereen uiteindelijk. Ik heb nog ooit een lief gehad die jouw woorden volledig niet kon waarderen. De relatie hield op de lange termijn geen stand. Dat had evenwel niets met jouw woorden te maken, of wellicht zullen we het nooit weten.

Ah, en de conducteurs droegen bij aan de jolijt. Even meldden ze dat we in Brussel-Zuid zouden aankomen, om direct te corrigeren dat het vanzelf Antwerpen was en we niet ineens een stuk landkaart versprongen waren. Alle druk bijeengepakte mensen moesten gniffelen. Alle mensen aan boord van de trein waren maar mensen. Veel mooie mensen, zowel mannen als vrouwen, maar gelukkig allemaal maar mensen. Daar kan zich iemand mee troosten.

Ik bedacht me dat je binnenkort een eigen dag krijgt, Vos. Ze herdenken je. Met mensen die komen optreden en zo. Je zou het wellicht zelf wel leuk gevonden hebben. Of teveel eer. Of precies genoeg. We zullen ook dat in feite nooit weten. Maar het belooft wat te worden. Uiteraard is het in Gent, wat dacht je dan zelf. Een Vos-dag hou je niet in Antwerpen of Brussel of Bavikhove.

Er waren veel dwaas verklede mensen in de trein, nochtans dat het geen Carnaval was. Een vrouw liep binnen, met een reusachtige rugzak en een plastic baby. Ik keek nog eens naar de krant in de handen van de bizar knappe man. Hij had de vrouw niet gezien. Het gezelschap naast mij, allemaal opgepoetste aantrekkelijke jonge kereltjes, amuseerden zich met zeer flauwe grapjes. Ik kon er wel tegen. Na twee stations rende het meisje plots de coupé terug in. “Voila se,” lachte ze. “Kindje terug bij mama !” Ah, is het echt, vroegen de kereltjes, waar was de mama ? “Ze was vér se, geloof mij,” zuchtte het meisje tevreden. “Ik wou soms dat ik me het lot van andere mensen niet zo aantrok, maar ja. Ik kan dat niet aanzien he. En het is daar een jungle hoor,” wees ze naar de drukte. “Ïk heb vandaag mega veel excuseer gezegd. Maar ja, ik ga nu wel naar de hemel.” Ik wist niet zeker of ik ironie hoorde, dat kon aan jouw woorden liggen.

“En wat zei de mama,” vroegen de kereltjes. “Niets !” slaakte het meisje lachend. “Gewoon, ah, daar ben je, terug van je uitstapje ? Geen dankjewel, niets. En toen ben ik dus terug naar hier gekomen.” Er werden wat blikken bier geproost. Ik glimlachte in het mijne.

Je schreef ondertussen dat het heden het beste heden is dat er ooit is geweest. Ik was het roerend met je eens.

Een paar verlegen studenten vroegen de conducteur, uitleggend dat ze opdrachten moesten doen, of ze iets mochten omroepen. Ze moesten dat doen vóór Gent Sint-Pieters. Het volgende station was Gent Sint-Pieters. Oei, zei de conducteur, en wat moet je dan omroepen ? Dat mag alles zijn, zeiden de studenten. Okee, zei de conducteur, dan mag je wel omroepen wat ik anders toch omroep. We komen aan op Sint-Pieters, hierna gaat de trein door naar Kortrijk. Oke, zeiden de studenten.

En ze riepen exact dat om, Vos. Met enkel een fijn weekend aan iedereen namens hun studentenvereniging. Geen rebellie, geen rock ’n roll, gewoon braaf wat ze gevraagd was. Ik ben daar dan maar uitgestapt en heb even een sigaret gerookt voor het station in de regen, me afvragend of ik iets anders had gedaan. We doen toch meestal maar gewoon wat ze zeggen dat we moeten doen. Het is nu eenmaal zo, het is nu eenmaal zo.

Toestandindewereld

Verhaal door René van DensenHij kijkt me diep in de ogen en vraagt krachtiger dan ik verwachtte: “Waar was je vannacht ?”

Ik wil niet antwoorden en kijk wat naar mijn schoenen. Ze moeten nodig gepoetst worden. Mijn schoenen moeten al heel lang gepoetst worden. Ik heb poets gekocht. Met de bedoeling ze te poetsen. En toen deed ik het niet. Want ik had een optreden. En beschadigde schoenen doen het goed bij mijn kostuum. Ik heb echter heel weinig optredens. Dus zo heel nodig is het niet dat ze ongepoetst blijven. Ik heb zoveel te doen, denk ik even. Maar ik probeer even te onthouden dat ik mijn schoenen toch binnenkort maar eens moet poetsen. Daar gaan ze langer door mee. Schijnbaar.

Ik schraap mijn keel. “Ik, eh.”

“Ja ?” antwoordt de Toestandindewereld fel.

“Ja, nou,” draal ik wat. Ik probeer me te herinneren waar ik vannacht was. Ik had dingen te doen geloof ik. Maar volgens mij heb ik ze niet eens gedaan. Volgens mij heb ik gewoon een show van Jim Jefferies opnieuw gekeken. En gelachen. En wijn gedronken. Ik drink bijna nooit wijn. Maar zo’n fles gaat er rustiger door dan de blikjes bier. En nog los van die kostenbesparing was er toevallig ook wijn. Ik had die gekocht om met mijn geliefde aan het water te drinken. Dat ging niet door omdat ik zonodig een filosofische discussie met een ingenieur moest voeren op een terras. Gelukkig vond ze dat wel oke. Zelfs toen bleek dat allang de fietsenstalling dicht was en we terug moesten lopen. Het regende niet. Ik opende optimistisch de fles op een bankje twintig meter van mijn woning, langs het water. Ze nam één slok en begon tegen mijn schouder te soezen. En te rillen. Ze had het koud. Ik niet. Ik was klaar om tot de ochtend, met wijn in mijn mik, naar de verdwijnende nacht te staren. Eerst gaf ik haar mijn jas nog. In de hoop dat dat zou helpen. Ze deed het onmogelijke: in mijn altijd warme jas kreeg ze het nog kouder. Het was helder dat we naar huis moesten. En die wijn stond er dus nog. En was geopend. Dan heb je maar zoveel tijd. Dus moest die wel op. Ik wil niet bijdragen aan de afvalberg. Of de afvalsloten in het riool. Dat maak ik mezelf wijs terwijl ik wijn inschenk en probeer niet te denken aan dat ik het straks toch uitpies. Uitkotsen gaat niet gebeuren. Ik heb weer eens per ongeluk een zeer goede wijn uitgekozen. Dronken. In de nachtwinkel. Iedereen heeft zo zijn of haar talenten.

“Ja nou, de kat en zo, die wou gezelschap. Dus ik zat gewoon lekker bij de poes thuis. En daar heb ik geen televisie,” schouderophaal ik.

De Toestandindewereld snuift minachtend. “Er is internet.”

“Jahaa dat is wel zo,” geef ik toe, “maar er was ook facebook en zo. En een of ander nieuw filmpje met een man die een pen en een appel beweerde te hebben. In een liedje. Het is supergrappig. Heb je het gezien ?”

De Toestandindewereld fronst. Staart me lang, zwijgend, aan. “Waarom leef jij eigenlijk nog ?”

Ik haal mijn schouders op. “Genetica, denk ik. Ik doe mijn best verder hoor.”

Meewarig wordt er hoofdgeschud. “Belangrijkste moment in de geschiedenis van de mensheid. En zoals altijd let meneer weer niet op. Je let nooit op. Leest alles achteraf. Het kan je gewoon niet schelen. Beetje op terrassen zitten en mensen observeren. En drinken. En lachfilmpjes kijken. Is dat echt wat je wil doen met je leven ?”

Ik sputter tegen: “Wat ben jij dan allemaal aan het doen ondertussen, meneer Toestandindewereld ? Jij maakt er toch ook een potje van.”

“JA !” schreeuwt Toestandindewereld fulminerend. “En meneer neemt niet eens de moeite even er acht op te slaan ! Ik doe dit allemaal voor jou ! Meneer de schrijver. Meneer de Grotere Geest. Meneer de Meninghebbert. Ik geef je mijn allerbeste materiaal en je kijkt niet eens. Je luistert niet. Je negeert me gewoon. Al weken, nee, al maanden. Al járen ! Beetje met vrienden rondhangen, en met dat lief van je. Ik zag jullie wel, aan die waterkant. Met je fles wijn. Romanticus die je bent. Beetje mijmeren. Ze vond het niet eens leuk. Ze had het koud. Weet je hoe moeilijk het is om het koud te maken eind September als er verdomme een opwarming van de aarde op het programma staat ? Ik deed er werkelijk alles aan jou terug aandacht aan de realiteit te doen schenken. Maar nee, meneer neemt het ervan. Interesseert hem niks, al die moeite die ik erin steek. Werkelijk, ik vraag me soms af waar ik het nog voor doe.”

De Toestandindewereld slaat kwaad zijn benen over elkaar heen. Ik wil sorry zeggen maar weet dat ik het niet zou menen. Misschien is het beter dat we elkaar voorlopig niet meer zien. Ik schenk een glas wijn in. Toestandindewereld rolt met zijn ogen en zucht.

Is dit een stiltecoupé ?

Verhaal door René van Densen“Wajoo, ik heb trouwens kapot goed nieuws. Ik ben óver !”
“Echt ??? Woeee proficiat !” Vier paar handen hi-fiven en er klinkt luid gegiebel.
“Waar zijn we nu ? Boxtel ? Het is nu ineens een sprinter, watdefok !”
“Moeten we er hier niet uit dan ?”
“Nee dit is Boxtel, niet Eindhoven.”
“Weet je hoe ik weet dat dit niet Eindhoven is ? Dan staat daar een grote bol. En daarachter priem. En ark.”
“Ja maar die ark verdwijnt dan wel achter de bol.”
“We moeten wel een treinleven selfie maken he, dan komen we morgen in de krant.”
“Ja weet je, als jullie er niet hadden gestaan, had ik zo ingestapt. Zelfs al was het een goederentrein.”
“Ik heb twee vieren, een vijf, een zes en de rest zevens en achten.”
“Echt zin in deze vakantje, wajoo.”
“Ja ofnie.”
“Deze trein gaat echt kapot langzaam.”
“Auw, trut ! Dat doet kapot pijn als je zo slaat.”
“Ja toch echt niet met een natte doek, dat doet veel meer pijn.”
“Ik had dus zo met een natte doek geslagen, gewoon tegen mijn pa. Hele rode vlek. En hij had de volgende dag een meeting.”
“Okee lachen iedereen.”
“Nee ik ben nog niet klaar, ik ben gaten in deze krant aan het maken jo.”
“Schiet eens op.”
“Ja hallo hij wil niet.”
“Dan moet je scheuren.”
“Ja oke nu.”
Klikgeluidje, één seconde zijn de dames stil.
“Zien !!” (Vierstemmig, gevolgd door galmend gegiebel door de lege coupé)
“Eej serieus, doe eens rustig. Is dit eigenlijk een stilte-coupé ?”
“Ja wat als dit dus helemaal geen stiltecoupé is. Waar kun je dat zien ?”
“Ja straks is dit het wel en is iedereen boos op ons en krijgen we klappen of een boete weet ik het.”
“Ik kan nu echt geen boete gebruiken jonguh.”
“Misschien weet die meneer achterin het wel.”
“Meneer ?”
Ze zei meneer tegen me.
“Is dit een stiltecoupé, weet u dat misschien ?”
Ik aanvaard mijn rol van in hun ogen oudere, wijzere man en schud stil het hoofd. “Dan staat het op de ruiten.”
“Oh, fijn, dank u meneer !”
Ik had bij hun volgende giechelbui spijt van mijn eerlijke antwoord en vroeg me af of ik niet echt al oud ben geworden.

Op de radio

Verhaal door René van DensenUit verveling twitter ik ineens dat ik over een uur op BNR business radio te horen ben in een interview over de zelfpublicatie van mijn dichtbundels. Ik grinnik even en plaats het ook op facebook. Direct tien likes. Op twitter blije reacties: “Leuk, ik ga luisteren!” en “Ik zit er helemaal klaar voor!”

Ik wacht gespannen af tot er iemand reageert dat ik helemaal niet op de radio te horen ben. Maar het blijft uit. Zelfs na drie uur, niemand. Één persoon zegt zelfs “Leuk interview man, deed je goed.” Hij krijgt meteen zestien likes op zijn reactie. Iemand beaamt het. Ik krab wat op mijn achterhoofd.

Vanaf dan twitter ik bijna elke dag dat ik ergens op de radio te horen ben. Omroep Brabant, 3FM, StuBru, 538. Ik noem zelfs radiozenders die niet meer bestaan. Iedereen vindt het supertof voor mij dat ik zoveel aandacht krijg. En allemaal gaan ze luisteren. Ik snap er niks meer van. Voor de zekerheid zet ik zelf de radio aan. En verdomd, ik hoor mijn eigen stem. Honderduit vertel ik over mijn dichtbundels en optredens. Ademloos luistert de interviewer toe en stelt bewonderende vragen. Ik declameer enkele van mijn betere gedichten, en dat doe ik erg goed, al zeg ik het zelf. Ook de muziekkeuzes die ik meegebracht heb liggen prima in het oor. Met mijn ogen knipperend luister ik hoe ik de show steel.

Ik zet de radio uit en twitter dat ik de rest van de week even geen interviews meer doe. Omdat er ook nog wat geschreven moet worden. Zo komt die roman nooit af, twitter ik. Negentien retweets.

Jaja buurman

Verhaal door René van DensenVanuit zijn ooghoek zag God hem komen en vloekte binnensmonds. Kauwend op zijn sigaar leunde de buurman op het tuinhekje dat zijn domein van dat van God scheidde. “Jaja buurman,” sprak hij op een vlakke toon, als iemand die nergens ooit haast bij had. “Universum aan het bouwen ?” Hij wees met zijn bruine sigarenvingers naar de hemel en aarde die God aan het scheppen was.

God veegde het zweet van zijn voorhoofd. Waarom was het ook zo héét vandaag, verdomme. En moet die rotkerel nu net weer buiten komen staan te roken ? Het schoot al niet op met dat universum, dat hielp ook niet. De andere Goden in zijn straat deden het er zo makkelijk uitzien. Schroefje hier, klikje daar, hoppa, weer een universum af. Maar God zat altijd een tijd aan te prutsen. De sigarenrook prikte in zijn ogen.

“Je moet uitkijken met dat stukje daar,” sprak de buurman gemoedelijk, terwijl hij zijn brandende sigaaruiteinde richting de Melkweg prikte. Er viel wat brandend as in het universum. God besloot dat zo te laten. “Als je dat daar plaatst, heb je binnen de kortste keren allemaal ongedierte op die planeten. En dat evolueert dan en maakt heel je sterrenstelsels kapot. Ik zeg het maar hè,” en hij nam een ongeïnteresseerde trek van de sigaar.

God voelde zijn telefoon in de broekzak trillen. Hij hoefde niet eens te kijken. Natuurlijk was het zijn opdrachtgever. Of dat universum onderhand al klaar was. Hij liep dan ook al een week uit op de planning. Uitstelgedrag. Weken op de bank liggen niksen, deze rotklus voor zich uitschuivend. Wat háátte hij universa scheppen. Het liefst zong hij heel de dag liedjes. Maar ja, daar verdien je als God de kost niet mee. Sómmige Goden, ja, die misschien wel. Maar hij zou waarschijnlijk verhongeren als hij het probeerde. Dus dan maar werelden scheppen en zonnetjes aansteken. Zucht.

“Ik zou dat niet zo in elkaar hebben gezet,” sprak de buurman constructief. “Maar ja, da’s allemaal die nieuwerwetserige heelalbouwerij van tegenwoordig he. Vroeger, toen bouwden we nog zo’n universum gewoon met de handen, met hamer en beitel. Wist je precies wat je deed. Nu is dat allemaal digitaal,” wuifde hij afkeurend de verwoed gezwoegde pogingen van God weg.

De broekzak trilde alwéér. Fuk it, dacht God. Bekijk het verdomme allemaal maar. Hij besloot het universum zo op te slaan en te lanceren. Dan maar niet perfect. Wat is het ergste wat er kon gebeuren ? Misschien zouden de mensen iets makkelijker dik worden, of sneller kaal. Of ze zouden wat meer ruzie schoppen en met bommen en raketten gooien. Och. Hij wou in de hangmat in de achtertuin gaan liggen. In de zon. Weg van die sigarettenrook. Weg van die verschrikkelijke buurman. Rust. Ja, het was af. Gewoon goed zo. Hier moest iedereen het maar mee doen.

Kaal (2)

Verhaal door René van DensenMeer dan de helft van de kat van mijn huisgenoot is kaal. Kaal met plukken, toch. Strikt genomen kun je zeggen dat zijn huid nog begroeid is, maar alles is dunbehaard gekrabd en -gelikt. De huid schijnt door zijn haar heen. De kat heeft van zichzelf al redelijk forse schouders en een stevige kop, dus dat zijn achterlijf zo goed als kaal is, ziet er extra potsierlijk uit. Katten hebben weinig zelfreflectie, dus hij trekt zich er niks van aan.

Wel trekt hij zich aan dat de huisgenoot al bijna twee weken niet thuisgekomen is. De huisgenoot heeft een ongeluk gehad en herstelt elders. Ik zorg voor zijn kat en de mijne. En dus ligt nu een kaalgelikte kattenkont in mijn zicht. Want het beest mist knuffels van zijn baas. De kat heeft normaal een hekel aan mij. Maar nu even niet. Want er is geen alternatief. Dus dan volsta ik. Katten zijn trouw als honden, dat is weer te merken.

Mijn eigen kat is kwaad. Wil ook aandacht. Dus zodra ik de kale kat van mijn borst pluk en naar het toilet ga, springt mijn eigen kat op mijn schouders en rijdt mee. Ze gaat kalm zichzelf wassen in mijn nek terwijl ik zit te kakken. Bedaard pak ik een boek uit het leesrek. Zelfs als het een snelle kak zou zijn, zit mijn kat duidelijk erg comfortabel.

Buiten de gesloten toiletdeur miauwt de kale kat klaaglijk. De kale klaaglijk miauwende kat krabt en krioelt. Ik kijk mijn eigen kat aan. Ze kijkt me met een onbestemde blik terug aan. Dan lees ik maar wat verder. Misschien is de volgende bladzijde wel spannend.

Kaal

Verhaal door René van DensenAls ik de zeepresten afdroog, zie ik in de spiegel het gezicht van mijn vader, onder een potsierlijke pruik. Het gezicht waar ik aan gewend ben, spoelt met de restjes het putje in. Ik heb evenveel lach- en zorgrimpels als hij en ze zitten op bijna allemaal dezelfde plekken. Een andere levenskoers zorgt dus niet voor andere rimpels. Alleen die grote horizontale bedenkelijke fronsrimpel, die is echt van mezelf.

Voorzichtig voel ik. Geen wondjes dit keer. Wellicht leer ik het ooit eens. Schraapgeluidjes in de hoekjes. Weer niet volledig grondig geschoren. Geeft niet. De baard is er enkel af om over drie weken weer podiumklaar te zijn. Bijsnoeien, daar doe ik niet aan. Talent dat andere mensen beheersen, ik niet. En te lang oogt potsierlijk en jeukt gigantisch.

Gisteren had ik nog een sik om aan te plukken. Ik pluk aan mijn vader’s kin. Gek om het kuiltje nu te zien. Vergeet steeds dat die daar zit. Hij mocht er gisteren niet af. Video opnemen. Als ik mijn dichtersjas aan heb, moet ik een baard hebben. Eigenlijk zou ik een baard in de kast moeten hebben. Voor noodgevallen. Als ik kaal ben, komen er even geen optredens. Het is timing. Allemaal timing.

Mijn kat kijkt toe. Ze herkent me prima zonder baard. Maar snapt geen drol van wat ik doe. Ik kijk in de spiegel. Zou liegen als ik het wel snapte. We doen toch allemaal maar wat. Ik spoel het mesje af. Er zitten roestvlekken op. Ook dat is nu eenmaal zo. Ik draai de kraan dicht en besluit dat het weer genoeg gezichtsverlies is voor vandaag.

Wijl het papier stil wuift

Verhaal door René van DensenZelfs op mijn minst productieve dagen breekt er wel een punt aan dat ik moet kakken. Daar zit ik dan. Meestal op een weinig comfortabele kunststof donut, wijl het papier aan de wand stil wuift. Ik weet meteen dat het een tijdje gaat duren. Geduldig geef ik me over aan het wachten op de eerste plons. Tot die tijd weet je sowieso niet hoe lang je nog bezig zult zijn.

Ik denk aan het maal waarvan de resten zich nu mijn lichaam uit persen. Het heeft me goed gesmaakt, meen ik me te herinneren. Ik leef minstens nog. Dat heb ik toch maar mooi aan dat maal te danken. Ik mompel zachtjes: Dankjewel, maaltijd. De maaltijd zegt niks terug. Of toch, heel zachtjes prubbelt er iets. Haast heeft het hele boeltje alvast zeker niet. Een duidelijk geval van slow food.

Rondkijkend zie ik niks te lezen. Enkel een hanglapje wiegend wc-papier, bedrukt met een abstracte bloemfiguur. Nee wacht, er staat een verjaardagskalender. Mensen zetten die tegenwoordig neer. Ophangen is iets ouderwets. Ik sla een paar bladzijden om. Namen die ik niet ken. En de namen van de maand. Verder valt hier ook niet veel aan te lezen.

Zouden de kindjes in Afrika ook hun maaltijd bedanken voor het eindresultaat, vraag ik me af. Ook ben ik benieuwd of dit een keutelige bedoening wordt of een dikpappige rekstengel met veel veegwerk achteraf. Secuur bestudeer ik het voegwerk van de tegels en schat ik een loze gooi in hoe vaak per jaar ik mijn tijd in een dergelijk kamertje verdoe. Zou ik in totaal in mijn leven er een week in zitten ? Een maand ? Ik krijg koppijn van de inschatting en richt mijn blik op de toiletlamp.

Ouderwetse bol. Mat wit licht. Niet in te schatten of er een nostalgische laatste gloeilamp zijn laatste gloei hangt te lampen, of dat zo’n kille spaarlamp zijn economische rechtvaardiging op aan het stralen is. Ik verveel me. Dit wordt een lange zit, want de eerste plons is nog steeds niet geweest. Iemand buiten de deur probeert de klink. Blijkbaar heb ik de deur toch netjes op slot gedaan. Nog twee keer wordt met de klink gerammeld. Dan geeft de buitenwereld het voorlopig op.

Met gesloten ogen adem ik in, dan uit. Ik wacht. Er zit niks anders op. Tijdelijk ben ik mijn zelfbeschikking kwijt. Toch in het oog van wat maatschappelijk geaccepteerd is. Nu het toilet verlaten, al dan niet met opgehesen broek, is geen optie. Wat als er brand uitbreekt ? Hoe vaak per jaar moet er iemand met broek op de knieën uit een afbrandend pand gered worden ?

Wachten. Op de eerste plons. Wijl het papier stil wuift.

Anteapocalypse

Verhaal door René van DensenHet wrangste was dat iedereen deed alsof ze van niets wisten. Iedereen wist hoe laat het was. De treinmachinist die te laat het station in reed. De rijen automobilisten die deze file voor hadden willen blijven. De vogels, die steeds meer twijfelden aan de zin om nog naar het Zuiden te trekken.

In dikke drommen bevonden zich de mensen op de weg. Een kluwen van lichaamsvocht, emotie, van taal als wapen waar je de slag niet mee zou winnen. Met botte, roestige woorden sloegen gefrustreerde, afgestompte semianarchisten rond zich heen. En als er niemand was om naar te schreeuwen, dan sprongen ze vlug even het internet op en deden het daar.

Ik sjok zoveel mogelijk in de schaduw en zie platgestampte slakken, sleetgereden vogelresten, en ertussen de dieren die van andermans dood hun brood proberen te maken. De zon en de natuur waren aan de verliezende hand, maar ze waren er nog. Ik kon niet wachten tot het eind van de anteapocalypse. Stil vroeg ik me af of de postapocalypse een einde zou hebben. Hopen. Van niet.