Wijl het papier stil wuift


Verhaal door René van DensenZelfs op mijn minst productieve dagen breekt er wel een punt aan dat ik moet kakken. Daar zit ik dan. Meestal op een weinig comfortabele kunststof donut, wijl het papier aan de wand stil wuift. Ik weet meteen dat het een tijdje gaat duren. Geduldig geef ik me over aan het wachten op de eerste plons. Tot die tijd weet je sowieso niet hoe lang je nog bezig zult zijn.

Ik denk aan het maal waarvan de resten zich nu mijn lichaam uit persen. Het heeft me goed gesmaakt, meen ik me te herinneren. Ik leef minstens nog. Dat heb ik toch maar mooi aan dat maal te danken. Ik mompel zachtjes: Dankjewel, maaltijd. De maaltijd zegt niks terug. Of toch, heel zachtjes prubbelt er iets. Haast heeft het hele boeltje alvast zeker niet. Een duidelijk geval van slow food.

Rondkijkend zie ik niks te lezen. Enkel een hanglapje wiegend wc-papier, bedrukt met een abstracte bloemfiguur. Nee wacht, er staat een verjaardagskalender. Mensen zetten die tegenwoordig neer. Ophangen is iets ouderwets. Ik sla een paar bladzijden om. Namen die ik niet ken. En de namen van de maand. Verder valt hier ook niet veel aan te lezen.

Zouden de kindjes in Afrika ook hun maaltijd bedanken voor het eindresultaat, vraag ik me af. Ook ben ik benieuwd of dit een keutelige bedoening wordt of een dikpappige rekstengel met veel veegwerk achteraf. Secuur bestudeer ik het voegwerk van de tegels en schat ik een loze gooi in hoe vaak per jaar ik mijn tijd in een dergelijk kamertje verdoe. Zou ik in totaal in mijn leven er een week in zitten ? Een maand ? Ik krijg koppijn van de inschatting en richt mijn blik op de toiletlamp.

Ouderwetse bol. Mat wit licht. Niet in te schatten of er een nostalgische laatste gloeilamp zijn laatste gloei hangt te lampen, of dat zo’n kille spaarlamp zijn economische rechtvaardiging op aan het stralen is. Ik verveel me. Dit wordt een lange zit, want de eerste plons is nog steeds niet geweest. Iemand buiten de deur probeert de klink. Blijkbaar heb ik de deur toch netjes op slot gedaan. Nog twee keer wordt met de klink gerammeld. Dan geeft de buitenwereld het voorlopig op.

Met gesloten ogen adem ik in, dan uit. Ik wacht. Er zit niks anders op. Tijdelijk ben ik mijn zelfbeschikking kwijt. Toch in het oog van wat maatschappelijk geaccepteerd is. Nu het toilet verlaten, al dan niet met opgehesen broek, is geen optie. Wat als er brand uitbreekt ? Hoe vaak per jaar moet er iemand met broek op de knieën uit een afbrandend pand gered worden ?

Wachten. Op de eerste plons. Wijl het papier stil wuift.

Anteapocalypse


Verhaal door René van DensenHet wrangste was dat iedereen deed alsof ze van niets wisten. Iedereen wist hoe laat het was. De treinmachinist die te laat het station in reed. De rijen automobilisten die deze file voor hadden willen blijven. De vogels, die steeds meer twijfelden aan de zin om nog naar het Zuiden te trekken.

In dikke drommen bevonden zich de mensen op de weg. Een kluwen van lichaamsvocht, emotie, van taal als wapen waar je de slag niet mee zou winnen. Met botte, roestige woorden sloegen gefrustreerde, afgestompte semianarchisten rond zich heen. En als er niemand was om naar te schreeuwen, dan sprongen ze vlug even het internet op en deden het daar.

Ik sjok zoveel mogelijk in de schaduw en zie platgestampte slakken, sleetgereden vogelresten, en ertussen de dieren die van andermans dood hun brood proberen te maken. De zon en de natuur waren aan de verliezende hand, maar ze waren er nog. Ik kon niet wachten tot het eind van de anteapocalypse. Stil vroeg ik me af of de postapocalypse een einde zou hebben. Hopen. Van niet.

Lichtje


Verhaal door René van DensenPoef, er verdwijnt weer een lichtje. Of verschijnt er juist duisternis ? Hij wist het niet. Misschien werd het lichtje wel omhuld door duisternis. Als een warme deken, langzaam het licht smorend. Alé ja, dan verdwijnt het feitelijk alsnog. Het licht komt alvast niet terug. Het is niet zoals wanneer hij naar beneden kijkt.

Beneden hem gaan lichtjes uit, en weer aan. Verdwijnen doen ze niet echt. Wel ronddraaien. Hij kijkt nu neer op andere lichtjes dan een paar uur geleden. Maar kijkt hij weer naar boven, dan blijven er ongeveer dezelfde lichtjes branden. Wonderlijk, toch. Als het hier niet al zo stil was, dan zou hij er wel stil van worden.

Duizenden lichtjes die, wat dichterbij, gigantische vuurballen zijn, die met felle likkende tongen hun planeten geselen. En in duizelingwekkende snelheden rond elkaar zwaaien. Maar hier, op deze afstand, lijken het maar lichtende speldenprikjes in een fluweelzwart gordijn. Wat het gordijn verbergt, vraagt hij zich niet eens af.

Hij zal het spoedig wel merken, denkt hij. Wat zou er gebeuren ? Zou hij eeuwig bewaard blijven zoals hij nu is, of zou hij toch op een of andere manier uiteen vallen ? Zouden de deeltjes die nu zijn lijf vormen, uiteindelijk in een nieuw lijf belanden, of in een komeet, razend door het eeuwige zwart ?

Hij wist het niet. En terwijl achter hem langzaam het licht begon te verdwijnen, bleef hij kijken. Naar al die lichtjes. Hij wist dat velen er allang niet meer waren. Welke, dat deed er niet toe. Hij was er immers ook al niet meer.

Tijden


Verhaal door René van DensenWe gaan allemaal verdwijnen. De ogen die over deze letters strelen, gaan verdwijnen. De letters zelf ook. Sommige letters verdwijnen snel. Anderen langzaam. Er zullen nieuwe letters komen. De gevoelens die deze lettercombinaties oproepen, worden opgeroepen door andere combinaties in een andere tijd. Net als dat ze opgeroepen werden door andere letters in andere tijden.

De klok tikt. Gestaag observeren de wijzers het leven van de oude man. Ze kijken scheef naar hem. En dan recht naar hem. Hij zit stil. In een stoel die hij niet heel zijn leven gehad heeft. Sterker, de stoel is er pas kort. Hiervoor was de stoel van iemand anders. Wellicht daarvoor weer van iemand anders. Het is geen modieuze stoel. Mogelijk hebben veel wijzers veel mannen geobserveerd die in deze stoel zaten.

Er dwaalt stof door de kamer. Stof dat warrelt, stof dat waait, stof dat woelt. Sommige stof was pas geleden nog levende huid. Andere stofdeeltjes waren al eeuwen rond. In een unieke combinatie belanden ze straks in een stofzuigerzak. En waar ze heen gaan, vormen ze later weer nieuwe stofcombinaties. Als letters. Maar stof is van alle tijden. Stof was er toen grote reptielen op aarde brulden. Er waren geen kasten en stoelen om af te stoffen, maar stof was er.

Niets gaat verdwijnen. Nieuwe ogen zullen over nieuwe letters dwalen en nieuwe klokken zullen tikken. Nieuwe tijden gaan verlopen zoals de oude. De oude man schraapt zijn keel. Droog. Hij leeft nog. In het binnenvallend licht dwarrelt stof. Onbekommerd. Nooit jong, nooit oud. De wijzers berusten zich erin. Alle tijden.

Slot


Verhaal door René van DensenJe moet er wat voor over hebben. De eerste dag, toen ging het nog wel. Als kwajongens gniffelden ze onder elkaar. Er was ook nog veel bier, en vooral wijn, aanwezig. De emmers waren nog leeg. Broederlijk zongen ze, arm in arm, dronkemansliederen uit vervlogen tijden. Wat een grap. Zeker nu, bijna een week later.

Hun leider was een week eerder met het idee gekomen. Sterker, alles was al geregeld. Perfect in scène gezet. Een briljante stunt, van een Andy Kaufman kaliber. Alle juiste mensen waren in het complot betrokken. Perfecte acteurs. Maar zij zouden de hoofdrolspelers zijn. Helden. Ze moesten het enkel geheim houden. Dat viel nog niet mee, naarmate de dag naderde. Ondertussen zaten ze al dagen verstoken van buitenwereld. Of de grap een beetje geslaagd was – ze hadden geen benul. En dat maakte het allemaal een stuk zwaarder.

De Dikke, die werkte het eerst op de zenuwen. Met zijn scheten en zijn emmers vol walgelijke stront. Natuurlijk stonken ze al snel allemaal, maar de Dikke was het eerst en het ranzigst. De bunker bevatte allang geen frisse lucht meer. Het donkergrijs hierbinnen, ver van de mensheid, was in hun beleving donkerbruin geworden. De lekkende druppels van de leidingen deden de laatste lach stilvallen. En toen volgde dagenlang zwijgen.

Stil zaten ze bijeen terwijl de seconden kropen en de vliegen zoemden. Je moet er wat voor over hebben, dat is een feit. Zouden de mensen erin getrapt zijn ? Het was natuurlijk de briljantste grap van de eeuw. Een die flinke gevolgen zou kunnen hebben. Zou er gehuild zijn ? Waren er protesten ? Is er gereld ? Was misschien eindelijk het vrije woord in ere hersteld ?

Een dozijn lede ogen staarde naar het slot. Het slot dat niet open kon. Hoe lang zaten ze hier al ? In het duister merkte je geen verschil tussen dag en nacht. Ze moesten afzien. Afzien voor de humor. Opgesloten blijven voor de vrijheid. Wachten tot ze weer daglicht mochten zien. Tot ze de grap aan de wereld mochten onthullen.

Als de grap maar niet gekaapt was door foute politici. Of tot geweld had geleid. Nee, dat kon niet. Het was té gruwelijk, dit zou toch de mensen tot nadenken stemmen. Dit zou de mensheid eindelijk verbroederen. Een einde aan politiek gekonkel, aan humorloos fundamentalisme, aan mensonterend gegraai. Solidariteit, vrijheid, broederschap, dat kon toch de enige mogelijke menselijke reactie zijn hierop. Je mocht de mens niet onderschatten. Zelfs het grootste onmens moest nu toch tot inzicht komen.

Vanmiddag, meende de Dikke, die allang niet meer stonk dan de rest. Vanmiddag zou het slot open gaan. Ze konden erop vertrouwen, toch ? Natuurlijk konden ze erop vertrouwen. Niemand had er belang bij om hen hier te laten verrotten.

Of er nu daglicht door het slot binnen viel, ze wisten het niet zeker. Maar in hun hoofd was er een stralend nieuwe dag aan de andere kant van die deur. Je moet er wat voor over hebben. Voor zo’n grap.

Massa’s


Verhaal door René van DensenTot dat moment zat ik nog alleen aan de bar. Althans, alleen met mijn gedachten. Maar ineens schoven er enkele massa’s naast mij aan. Heel demonstratief, ook. Zo van, bam, hier zijn wij, en wij zijn massa’s, en nou ? De massa’s keken naar mij terwijl ik probeerde zo achteloos mogelijk van mijn biertje te drinken.

Het ding is, ik kan niks met massa’s. Er is niks mis met een massa hoor, begrijp me niet verkeerd. Ik wil niet overkomen als een massahater. Maar waar ik opgroeide, daar waren gewoon geen massa’s. Meer een zwik enkelingen die door het lot en lage huurprijzen in dezelfde straat bij elkaar beland waren. Later verhuisden mijn ouders naar een dorp waar wel een verdwaalde massa was, maar veel stelde dat niet voor. Het was een massa van niks, eigenlijk. Het dorp was te klein voor een fatsoenlijke massa.

Op de middelbare school, ja, daar werd ik geconfronteerd met mijn eerste massa’s. Dat waren ook meteen echt stereotype massa’s ook. Verdeeld in identiteiten waar meteen een homogene kledingkeuze, mening en andere veilige voorbepaalde voorkeuren bij hoorden. Een soort identiteit-starterspakket, zeg maar. Ik vond het heel griezelig en snapte er geen bal van.

Dus moesten alle massa’s mij hebben, elke dag opnieuw. Want ik wou nergens bij horen. Dus was ik raar en eng. Een potentiële bedreiging, wellicht, voor hun massa’s. Want dat ene schriele mannetje met zijn bril, die stilletjes door de schoolgangen schuifelde, zou wel eens hun dozijnentallige massa kunnen kapotmaken. Zoiets zal er misschien achter gezeten hebben. Ik was een frustrerende aanwezigheid want ik schaarde me maar niet bij een massa.

Uiteindelijk was er een soort restmassa van eenlingen, en toevallig mochten die elkaar op zich wel. Dus dat werd ons eigen vriendengroepje. In een klein kringetje zaten we onszelf te zijn, temidden van de massa’s. Maar de massa’s er beter door begrijpen, dat is me nooit gelukt.

Ook nu nog niet. Ik ga liever uit in overzichtelijke cafés: de muren bruin, het volk kleurrijk en het bier goudgeel. Meer moet dat niet zijn. Leuk muziekje erbij en een kruk aan de bar om op te zitten en ik ben content. Krijg je natuurijk dat er tóch weer massa’s komen aanschuiven.

Dus daar zit ik dan. Temidden van de massa’s. Ik durf de massa’s niet aan te kijken. Ze willen zeker weer weten wat ik van een of andere actuele kwestie vind. Zodat ik in een hokje geschaard kan worden. Als een van hen, of een van de anderen. Afhankelijk van welke massa het als eerste vraagt. Ik maak geen oogcontact.

Ergens hoop ik dat de massa’s per ongeluk ruzie met elkaar zullen krijgen en ik stilletjes naar buiten kan glippen. Ik heb ineens enorme zin in een sigaret.

Zonnebrillen (2)


Verhaal door René van DensenEn natuurlijk had ik al jarenlang op veel ergere plaatsen gewerkt. Plekken waar mensen schaapachtig heel de dag déden alsof ze werkten, of erger, andermans werk saboteerden. Maar dat mijn collega’s eigenlijk heel serieus en zo strak in het gareel hun werk deden, was absurd. Ze waren er ook in hun eigen tijd mee bezig. Ik ook, overigens. Ik was geen haar beter dan de rest. De zonnebrillen die we verkochten, waren blijkbaar enorm belangrijk. Alleen de Franse collega deed exact wat hij zelf wou. Ik keek naar de anderhalve regel tekst die ik bij de eerste zonnebril had geschreven. Het was verschrikkelijk. Alsof een hijgerige opticiën, hongerig naar zijn eindejaarbonus, je koste wat kost een bril wou aansmeren. Maar misschien vonden mensen het wel lollig. Wie weet werkte het.

Ik keek hoeveel zonnebrillen er waren. Honderdzeventig herenmodellen. Dat viel mee. Honderdzeventig gekke tekstjes. Dat moet ik aankunnen, nam ik me voor. Toen keek ik naar de dameszonnebrillen. Ik leunde achterover en streek over mijn stoppelbaard. Fuk. Het waren er, eh. Ietsje meer. Zogezegd. Ik voorzag een zwaar lijden. Vooral omdat ik al helemaal geen idee had hoe ik een zonnebril aan een vroúw aanpraatte. Ik vroeg me af of er mensen waren met minder zinloze banen. Mensen die nu het gevoel hebben hun leven niet te verspillen. Ze moesten er zijn. Ik kon me, voorbij de hordes foeilelijke zonnebrillen, geen persoon voorstellen die zinnige arbeid verrichte. Brandweermannen, wellicht. Of romantiseerde ik dat beroep ?

Ik maakte weken van minimaal vierenveertig uur. Elke dag werkte ik een uur langer, omdat ik het lef had afgesproken te hebben op donderdag iets eerder weg te mogen. Een half uur eerder. Daarom werkte ik vier uur meer, de rest van de week. En dan nog was het af en toe nodig mij op donderdag ook langer op de zaak te houden. De vier uur was een minimum: niet zelden was ik ’s avonds ook op de zaak. Want er moest vanalles belangrijks besproken worden. En ik woonde vlakbij. Het was niet alsof ik na die bespreking urenlang moest reizen. Drie minuten. Op de fiets. Dus dan kon ik best urenlang nog aan het werk gehouden worden. Ik kreeg een vast maandbedrag voor al deze uren. En de volgende ochtend werd ik weer keihard kwart voor negen op de zaak verwacht. Natuurlijk deed ik het ook allemaal zelf. Ik was er elke stap zelf bij en had gewoon nee kunnen zeggen. Gewoon ‘nee’. Maar ja. Ik was nooit zo goed in gewoon ‘nee’.

Zonnebrillen


Verhaal door René van DensenZonnebrillen, dat waren ze. Daar pas zag ik in hoe belachelijk mijn baan was geworden. Ik zat teksten over zonnebrillen te schrijven. Wist ik wat de huidige zonnebrillenmode was ? Nee. Ik heb een zonnebril op sterkte en daar zit ik door de hoge prijs wel een aantal jaar aan vast. Wist ik eigenlijk iets van onze andere producten ? Ook niet echt. Ik gebruikte ze zelf niet. Het was idioot dat ik producten moest beschrijven die ik niet gebruik. Achteraf zette dat besef het eerste barstje. Het maakte ook niet echt uit. Ik kon de grootst mogelijke onzin schrijven die in mijn kop op zou borrelen. Het enige dat ertoe deed, was dat mensen de zonnebrillen zouden kopen. Hoe meer mensen ze zouden bekijken, hoe meer kans daarop was. Hoe opvallender de teksten, hoe meer mensen ze zouden bekijken. Hoe idioter de omschrijving, des te meer mensen zouden elkaar erop wijzen. Ik leunde achterover in mijn stoel en bedacht me dat mijn leven zinloos was. Of misschien was al het leven zinloos. Toch zeker als het doel ervan is dat iemand zonnebrillen verkoopt.

Het besef kwam net voordat de mensen in kantoor op rookpauze mochten. Ook al zoiets idioots. Allemaal tegelijk. De Fransman op onze afdeling deed nooit tegelijk mee. Een anarchist, kortom. Ik mocht hem wel. Schaapachtig keek hij vanuit zijn ooghoek als zijn collega’s in kolonne naar de rookruimte toogden. We hadden allemaal creatieve beroepen en we gingen allemaal op hetzelfde tijdstip naar dezelfde ruimte voor dezelfde handeling. Je had een kwartier. Daarin mocht je ook gerust koffie drinken. Of soep. Ik vond het normaal, maar nu ineens niet meer. Het was ronduit bizar. Na enkele minuten kwam de Fransman ook binnen. Hij bleef ook altijd veel later op de zaak dan wij. Het was waarschijnlijk om werkethiek te etaleren. Vervolgens deed hij niet veel. Hij zat. En luisterde. Wij spraken over het werk of over onzin. We moesten nog een heel stuk werkdag overbruggen op deze krampachtige ontspanning. Dus we ontspanden ons keihard. Ik keek naar mijn collega’s, die dit niet absurd vonden. En toen keek ik naar de Fransman. Hij keek naar niemand.

Ik vroeg me af of het erg was om dit werk niét te doen. Onmiddellijk dacht ik aan geld. En armoede. En de goot. Een, twee, drie. Haasje-over de afgrond in. Van A naar B. Ik vroeg me af hoe snel ik bij B zou belanden. En dat alles omdat ik schrijven over zonnebrillen onzin vond. Zou het zinlozer zijn om de afgrond in te gaan dan mijn dagen zo te moeten besteden ? Lang kon ik er niet over nadenken. Ons kwartier was om. Ik sjokte terug. Ik was bang. Ik moest aan de zonnebrillen geloven. Zonder de zonnebrillen zou ik verhongeren. Er zat niks anders op. Achter mij aan slofte de Fransman. Hij wist nog niet dat hij later deze week mijn nu nog ongeschreven zonnebrilteksten zou moeten vertalen.

Eskimojas


Verhaal door René van DensenDe frivole jazzmuziek uit de speakers kietelt mijn oren en mijn ziel. Ik ruik even tevreden aan de Glenfiddich. Zet het glas terug op de toog. Kijk er eens naar. Whisky is een genot om naar te kijken – de kleur alleen al.
Ik zit in een jazzcafé whisky te drinken en Bukowski te lezen en ik geniet van het cliché.
De barvrouwe – een knappe maar duidelijk van het lieve type, geen barcandy per se zullen we maar zeggen – verzucht dat ze woensdag eindelijk vrij zal hebben en de hele dag zich met haar neus in een dik leesboek gaat verstoppen van alles en iedereen. Even benijd ik haar, dan bedenk ik me dat ik zit te lezen aan de bar en gewoon een weekenddag heb.
Bukowski vertelt over een poeet die veel zuipt en, ondanks alles, pal het succes in faalt.
Boven mijn hoofd draaien heerlijke oude houten ventilatoren, rondgetrokken door een mini-ventilatortje op één van de wieken. Een krachtig beeld. Overal om me heen dwarrelen rookpluimen omhoog.
Bukowski vertelt over optredens voor mensen die hij haat, terwijl hij het weer eens bij zijn lief verbruit en dan maar een bar opzoekt, TV-cameraploeg in zijn kielzog.
De Glenfiddich kost zes euro. Ik bestel er uiteindelijk zes. Alle zes keer geef ik een kleine fooi. Ik ben de enige. Niet goed geïntegreerd.
Bukowski vertelt van de duivel, die zijn bed en zijn vrouw inpikt en een vrij irritante klootzak blijkt te zijn.
Terwijl ik geniet, stapt een meisje de bar binnen, haar hoofd en lijft ingesnoerd in een soort eskimojas, en ik denk aanstelster. Het is buiten iets tussen vijf en tien graden, in December godbeterd. Ze wrijft haar handschoenen. Aanstelster. Dan staat ze naast me aan de bar, geluiden te maken alsof ze het koud heeft, en ze bestelt een warme chocomel. Aanstelster.

Het keiharde stoomgesis van de choco blaast me helemaal uit mijn roes. Als het bedaart, zitten de mensen naast mij over nieuwe winterbanden op hun auto te praten, en over Facebook. Chagrijnig klok ik de verder uitmuntende Glenfiddich weg en loop de bar uit.

Buiten is het 2010. En alles is van plastic.