Korte proza

Tussen twee regels

Hij is tussen twee regels blijven steken, mijn romanpersonage. Een geschreven regel en een ongeschreven regel. En nu reikt hij weifelend naar het rolletje toiletpapier. Het is nog maar een dun rolletje en de dag ervoor kenmerkte zich met afwisseling van koffie en bier. Een dieet dat zich zojuist danig heeft laten gelden. Het papier gaat niet voldoende zijn, vreest hij. Hij kijkt rond in het toilet maar dit blijkt ook de laatste rol. Met een zucht doet hij zijn best met wat hij voorhanden heeft. Lees meer

Adoptievis

Ik loop met een vis door de stad. Het is een adoptievis. Iemand met een lekke vijver waar een reiger alle vis al uit gevangen had, trof de vis aan bij het legen. Heel de horrorwinter overleefd. De vis is dik. Een taaie rakker, kortom. De adoptievis overleeft misschien zelfs de vijver in mijn tuin dus nog wel.
Vanaf een terrasje roepen wat bekenden mijn naam. Ik zwaai en roep dat ik niet kan stoppen, dat ik een vis achterop mijn fiets heb. De terrasmensen kennen me en niets verbaast ze meer. Ik loop door.
Het verbaast me dat ik middenin de spitsdrukte de vis relatief veilig kan vervoeren. De stoep ligt schots en scheef dus het water klotst vervaarlijk. De vis lijkt zich om niks te bekommeren.
Ik zie de Grote Literaire Gast van mijn stad over straat lopen. Ik ken hem niet maar herken hem direct. Hij ziet mij maar met een halve blik. Nog geen half oog voor de gele emmer met klotsend water op mijn bagagedrager. Hij loopt het meest voor de hand liggende schrijverscafé binnen terwijl ik doorklots. Schrijvers die nieuwsgierig zijn, het is een uitstervende soort.

Loco

Ongeduldig wacht ik op een zonovergoten perron. Ik ontvlucht mijn thuisprovincie. Van binnenuit wordt die provincie veroverd door drank, trompetgeluiden en melige seksuele innuendo. Ik ben een te subtiele en lieve jongen om me aan andermans schouders vast te klampen. Het fijne is: weg van mijn stad zijn alle treinen stil. Iedereen stroomt toé, niet weg.
Het is zelfs zo stil dat halverwege de reis het enkel ik en de machinist nog maar zijn. Hij roept om of er iemand in de trein is. Ik loop naar een conducteurstelefoon en antwoord hem. Al snel hebben we een leuk gesprek. Hij wou vroeger racecoureur worden. Ik wou stuntman worden.
Ergens middenin een zonovergoten weiland staat een reeks coupés stil. Vijftig kilometer verderop zoeven we met de locomotief over de rails. Lachend en gillend. De dag van ons leven.

Schandvlek

De godganse dag lig ik op de bank mijn eigen schandvlek op de maatschappij te zijn. Dat vergt inspanning. Zowel dat vlek zijn als het liggen. Liggen is verdomd lastiger dan het klinkt, de hele dag. Zo moet je echt bijtijds verliggen in een andere houding. Anders gaat alles pijn doen. Nooit doorliggen. Ook probeert de natuur van tijd tot tijd je tot opstaan te manen. Niet naar luisteren. Je kunt het best nog een tijdje ophouden. Als je écht niet wil, kun je heel lang een pijnlijke blaas tolereren.
Lees meer

Spartelen


Read the English version of this story here.

Van grote afstand zag ik precies hoe het mis ging, hoe de man al joggende zijn voet verkeerd zette, zijn been doorboog en viel. Met een luide plons belandde hij in het water. Even golfde alles na en toen spartelden zijn armen boven water. Wilde paniek. De man schreeuwde om hulp – blijkbaar kon hij niet zwemmen. Wie gaat er nou joggen langs een kanaal als je niet kan zwemmen, dacht ik, terwijl ik op hem afliep. Ik zag andere mensen erheen snellen die veel dichterbij waren, dus ik rende niet heel hard. Energie is een kostbaar iets geworden deze dagen.
Lees meer

Het hoogste woord

Stil was hij. Het Hoogste Woord.
Daar stond hij, in de wachtkamer.
Hij roerde zich nog even niet.

Het Hoge Woord staarde uit het raam en vroeg zich zwijgend af
hoe het zover had kunnen komen.
Natuurlijk, het had veel te maken gehad met Het Laatste Woord.
Als Het Laatste Woord niet zo’n stampij had lopen maken,
waren er niet zoveel woorden gevallen.
Lees meer

Rode ballon

We zitten beiden nog maar op één derde van onze individuele bierglazen, tegenover het station, herinneringen op te halen wanneer ze even stilvalt. Ik kijk haar verbaasd aan, want haar gezicht trekt een verwonderde aanblik. “Zie die rode ballon daar, gevangen in den hekken,” verduidelijkt ze me. Ik draai me om, maar waar ik ook kijk in de wirwar van metaal, tramrails en steen rondom Gent Sint-Pieters, een ballon zie ik niet. “Daar, hij is juist verdwenen achter het paaltje, ge kunt ‘em nu juste niet zien.” Ergens in mijn achterhoofd moppert een ergerlijk stemmetje dat ik dit soort spelletjes altijd haat, dat zoeken naar hetgeen dat de ander ziet maar dat jouw blik maar niet kan ontwaren. Ik speur het metaalrooster van de tijdelijke omheining af, maar zie er nergens een ballon in bungelen. Ik draai me terug naar mijn gespreksgenote. Ze wijst. Dáár, de ballon is juist weer in zicht gekomen beweert ze. Ik keer mij om en na een hernieuwde roosterafspeuring zie ik plots dat er beneden, op de grond binnen het hek, een rode ballon rondstuitert als een jong hondje dat niet ingesloten wil zijn. Ah, ik zat foutief in de aanname dat de ballon wel in de mazen van het hekwerk zelf gevangen zou zitten bungelen.
Lees meer

Scène in Drongen.

Met toegegeven schroom stond ik achteraan in de rij ouders-met-kindjes die op de digitale kiek gingen met de geschminckte pensionaris die zojuist twee uur entertainment ten berde had gegeven. In een klein parochiaal zaaltje in een slapende deelgemeente van Gent. Een tristesse die ik me zeer heb laten smaken, temeer de show eigenlijk best ok was. Ik heb me toch zeker vermaakt en me hier en daar betrapt op een lach. Allemaal dingen die ik sans gêne toegeef.
Lees meer